Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/214
Beroepsaansprakelijkheid advocaat; kansschade; bewijsaanbod t.a.v. bewijslevering in hypothetische appelprocedure.
HR 16-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:53
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16 januari 2026
- Magistraten
Mrs. M.V. Polak, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons, G.C. Makkink
- Zaaknummer
24/03157
- Conclusie
A-G mr. S.D. Lindenbergh
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Juridische beroepen / Advocaat
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:53, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑01‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:991, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑09‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑07‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑06‑2024
- Wetingang
Essentie
Beroepsaansprakelijkheid advocaat; kansschade; bewijsaanbod t.a.v. bewijslevering in hypothetische appelprocedure.
Samenvatting
In gevallen waarin een advocaat heeft verzuimd tijdig hoger beroep in te stellen, moet de rechter in de aansprakelijkheidsprocedure de schade vaststellen door te beoordelen hoe de appelrechter, indien wel (tijdig) hoger beroep was ingesteld, had behoren te beslissen, althans moet de rechter het toewijsbare bedrag aan schadevergoeding schatten aan de hand van de goede en kwade kansen die de cliënt in het hoger beroep zou hebben gehad (HR 21 december 2012, NJ 2013/237, m.nt. S.D. Lindenbergh en HR 22 februari 2019, NJ 2020/81 ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.