Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/2.7
2.7 Het eigendomsvoorbehoud waarborgt de rechten van de verkoper bij ontbinding
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS397324:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Lange 1971, p. 514 die opmerkt dat de structuur van het eigendomsvoorbehoud ‘nur auf einen Schutz der Rückabwicklung gerichtet ist.’
Huber 1987, p. 753 en Mincke 1995, p. 176.
Zie uitgebreid hoofdstuk 5, paragraaf 5.4. Vgl. BGH 1 juli 1970, NJW 1970, 1733: ‘Da der Kaufvertrag und die Eigentumsverschaffungspflicht des Verkäufers in diesem Falle weiter bestehen, muû vielmehr der Vorbehaltsverkäufer die Kaufsache dem Käufer weiter zur Verfügung halten, um sie ihm gegebenenfalls gegen Zahlung der Rückstände wieder herauszugeben.’
Vgl. Reehuis 2014, p. 351.
Vgl. M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 388 alwaar de vordering tot ongedaanmaking in geval van eigendomsvoorbehoud wordt afgezet tegen een slechts persoonlijke vordering.
Blomeyer 1968, p. 693, Blomeyer 1969, p. 2120, Mayrhofer 1969a, p. 201, Gravenhorst 1971, p. 495, Klang/ Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 457-458, Tiedtke 1980, p. 1478, Van Look & Stoltenberg 1990, p. 665, Roth 2008, p. 530, Lux 2008, p. 895, Jacoby 2008, p. 1054, Reinicke & Tiedtke 2009, p. 479 en HKK-BGB/ Ernst 2013, § 449 BGB, Rn. 17. Zie uit de Duitse rechtspraak BGH 1 juli 1970, NJW 1970, 1733: ‘Die Vorbehaltsklausel sichert demnach nicht etwa die Kaufpreisforderung des Vorbehaltskäufers, sondern seine Rechte bei Auflösung des Vertrages’, BGH 27 maart 2008, NJW 2008, 1803 en BGH 8 mei 2014, NJW 2014, 2358. Anders: BGH 24 januari 1961, NJW 1961, 1011 en BGH 7 december 1977, NJW 1978, 417.
Serick 1963, p. 77 en p. 211, Frotz 1970, p. 133, Bodenburg 1979, p. 1205, Honsell 1981, p. 709-710, voetnoot 38, Soergel/Mühl 1991, § 455 BGB, Rn. 2, Schwab 2000, p. 610-611, Brinkmann 2011, p. 178-181, Riedler 2012, p. 245, Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063 ABGB, Rn. 19, Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 2 en MünchKomm-BGB/Westermann 2016, § 449 BGB, Rn. 3.
Zie daarover uitgebreid hoofdstuk 5, paragraaf 5.6.
Frank 1931, p. 329.
Vgl. Scholten 1906, p. 93 die opmerkt dat de verkoper de zaak ‘ten eeuwigen dage, minstens tot het verloop van den verjaringstermijn’ voor de koper beschikbaar zou moeten houden. Tegenwoordig geldt dan zelfs de regel van art. 3:92 lid 3 BW, die inhoudt dat verjaring van de rechtsvordering ter zake van de tegenprestatie tot gevolg heeft dat de koper eigenaar wordt. Zie daarover (kritisch) hoofdstuk 5, paragraaf 5.9.
M.v.A. I Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1241.
Een kleine ontsnappingsmogelijkheid wordt geboden door het slot van lid 3 van art. 3:92 BW. Op grond van de slotzin leidt afstand van het recht op de tegenprestatie door de verkoper tot eigendomsovergang, behoudens een afwijkende partijafspraak. De uitzonderingsmogelijkheid strekt ertoe partijen de mogelijkheid te geven een arrangement te treffen in geval van wanprestatie van de koper met de strekking dat de verkoper de zaak terugkrijgt en daartegen afstand doet van zijn recht op de tegenprestatie. Zie L.v.Ant. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1240. Per saldo wordt daarmee een met ontbinding vergelijkbaar resultaat bereikt, zodat de slotzin niet in strijd komt met de hierboven verdedigde functie van het eigendomsvoorbehoud, terwijl een dergelijke afwijkende afspraak bovendien niet het normaaltype eigendomsvoorbehoud weergeeft en mij tot slot niet als erg gangbaar voorkomt.
Mincke 1995, p. 176.
Vgl. Heyning-Plate 1969, p. 5, J.E. Fesevur, Retentierecht (diss. Utrecht), Deventer: Kluwer 1988, p. 9 en Streefkerk 2013, nr. 7.2 onder b. Zie ook Pitlo 1942, p. 328: ‘De huurverkooper blijft eigenaar totdat hij de contraprestatie zal ontvangen hebben. Hier is een volledig eigendomsrecht, niet een zekerheidsrecht aanwezig. Wie in dezen voorbehouden eigendom een zekerheidsrecht ziet, gaat wel heel ver. Is het dan niet nog maar een kleine stap om te zeggen: iedere koop, waarbij de verkooper de zaak tot de betaling onder zich houdt, heeft een zekerheidsrecht ten gevolge?’
Tiedtke 1980, p. 1480.
Vgl. Schwab 2000, p. 610 en Streefkerk 2013, nr. 7.1.
Tiedtke 1980, p. 1480 en Henckel 1994, p. 214.
Mincke 1995, p. 176-177. Vgl. t.a.v. het verkopersprivilege ook Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 35 en HR 8 februari 1918, NJ 1918, p. 336.
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388.
Zie Mayrhofer 1969a, p. 201: ‘Der Eigentumsvorbehalt berechtigt zur Wegnahme der Sache unter Verzicht auf die Forderung, das Pfand zur Verwertung der Sache mit Anrechnung auf die fortbestehende Forderung.’
Vgl. Blomeyer 1968, p. 693, voetnoot 30, Müller 1970, p. 1210 en Huber 1987, p. 752.
Zie uitgebreid hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.
Vgl. Schürmann 1932, p. 46, Huber 1987, p. 752-753 en Peters 1980, p. 179.
De constatering dat het eigendomsvoorbehoud voornamelijk een middel is waarmee de verkoper zich indekt tegen het ontbindingsrisico dat hij zou lopen indien hij, ondanks het feit dat de koper nog niet betaalt, zijn verplichting tot levering en overdracht reeds zou nakomen, heeft ook belangrijke consequenties voor de vraag waarvoor het eigendomsvoorbehoud zekerheid biedt.
Door middel van (de uitoefening van) het eigendomsvoorbehoud kan de verkoper niet bereiken dat hij wordt voldaan.1 Uitoefening van het eigendomsvoorbehoud heeft ontbinding van de koopovereenkomst tot gevolg en bewerkstelligt aldus dat de koopprijsvordering tenietgaat.2 De (definitieve) uitoefening van het eigendomsvoorbehoud leidt noodzakelijkerwijze tot ontbinding van de koopovereenkomst omdat de verkoper zich daarmee ook bevrijdt van zijn eigen verplichting tot eigendomsverschaffing en de verkoper bovendien de zaak pas kan opvorderen indien het uit de koopovereenkomst voortvloeiende recht van de koper om de zaak vóór betaling onder zich te hebben door ontbinding van de koopovereenkomst is beëindigd.3
Omdat de verkoper zijn verplichting tot eigendomsverschaffing opschort, kan hij de zaak in geval van ontbinding als de zijne opvorderen en is hij niet aangewezen op een ongedaanmakingsvordering ex artikel 6:271 BW teneinde datzelfde resultaat te bereiken.
Daarmee waarborgt het eigendomsvoorbehoud de rechten van de verkoper bij ontbinding: het eigendomsvoorbehoud garandeert niet dat de verkoper wordt bevredigd, maar dat de positie van de verkoper wordt hersteld in de toestand van vóór de overeenkomst, indien de koper tekortschiet in de nakoming van de koopovereenkomst.
In zekere zin kan daarmee gezegd worden dat het eigendomsvoorbehoud niet zozeer de koopprijsvordering secureert, maar de ongedaanmakingsvordering die resteert na ontbinding van de koopovereenkomst. Zonder eigendomsvoorbehoud zou de verkoper die reeds volledig heeft gepresteerd bij niet-nakoming door de koper slechts een persoonlijke aanspraak op retro-overdracht hebben (art. 6:271 BW). Bij een eigendomsvoorbehoud is een dergelijke retro-overdracht niet nodig; de verkoper is altijd eigenaar gebleven. Noodzakelijk is slechts een feitelijke ongedaanmaking, die plaatsvindt doordat de verkoper overgaat tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud en de zaak opvordert van de koper. In plaats van een persoonlijke aanspraak tot retro-overdracht, heeft de verkoper die een eigendomsvoorbehoud heeft bedongen een goederenrechtelijke aanspraak: de uit het eigendomsrecht voortvloeiende revindicatievordering (art. 5:2 BW).4 Het voorbehouden van de eigendom geeft aan de ongedaanmakingsvordering derhalve een goederenrechtelijk karakter,5 zodat gezegd kan worden dat het eigendomsvoorbehoud de ongedaanmakingsvordering secureert.6 Dat dient men evenwel enigszins overdrachtelijk op te vatten: de vordering die het (voorbehouden) eigendomsrecht secureert, heeft uiteindelijk namelijk datzelfde eigendomsrecht tot voorwerp. Zuiverder geformuleerd zou men kunnen zeggen dat de verkoper vanwege het eigendomsvoorbehoud in staat is de ongedaanmaking door middel van zijn revindicatievordering op goederenrechtelijke wijze af te dwingen, zonder dat hij daarvoor de medewerking van de koper behoeft.
Hoewel ook in Duitsland en Oostenrijk het eigendomsvoorbehoud overwegend als zekerheidsrecht voor de koopprijsvordering wordt beschouwd, is de opvatting dat het eigendomsvoorbehoud met name zekerheid biedt voor de Rückforderungsanspruch van de verkoper bij ontbinding iets meer ingeburgerd dan in de Nederlandse literatuur.7 Veelal wordt dit standpunt echter in een genuanceerdere variant verdedigd, doordat men aanneemt dat het eigendomsvoorbehoud zowel zekerheid biedt voor de ongedaanmakingsvordering van de verkoper na ontbinding, alsook voor de koopprijsvordering.8 Deze opvatting volgt uit de hiervoor reeds genoemde aanvaarding van de mogelijkheid van uitoefening van het eigendomsvoorbehoud door middel van executie van de verkochte zaak en verhaal op de opbrengst voor de koopprijsvordering.9 In de Nederlandse literatuur is een vergelijkbaar standpunt verdedigd door Frank. Volgens hem houdt terugneming van de zaak door de verkoper in dat de verkoper ‘zijn inschuld op het verbonden zekerheidsobject [heeft] verhaald’ en ‘de overeenkomst door “betaling”’ eindigt.10 Deze benadering verdraagt zich echter slecht met de omstandigheid dat het eigendomsvoorbehoud is neergelegd in een koopovereenkomst, die op de verkoper de verplichting legt de eigendom over te dragen en de koper bovendien het recht geeft de zaak onder zich te houden.11 Indien het eigendomsvoorbehoud zou uitmonden in verhaal op de verkochte zaak, waardoor de verkoper zou worden bevredigd, zou de verkoper zijnerzijds tekortschieten in de nakoming van de op hem rustende verbintenissen uit de – nog altijd in stand gebleven – koopovereenkomst, door de koper niet het gebruik en de eigendom van de zaak te verschaffen. In de hier verdedigde opvatting gaat de (definitieve) uitoefening van het eigendomsvoorbehoud dan ook noodzakelijkerwijs gepaard met ontbinding van de koopovereenkomst, zodat een uitoefening van het eigendomsvoorbehoud door executie niet mogelijk is. Aangezien de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud bewerkstelligt dat de koopprijsvordering tenietgaat, kan het eigendomsvoorbehoud nooit tot gevolg hebben dat de verkoper wordt voldaan. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt een vergelijkbare, maar iets terughoudendere benadering:
‘[I]n het stelsel van het nieuwe BW [is] het eigendomsvoorbehoud ook geen zuiver zekerheidsrecht (…), zoals een pandrecht of hypotheek, omdat het niet behoeft uit te monden in verhaal van de vordering op de zaak waarop het voorbehoud betrekking heeft, doch de vervreemder ook in belangen van andere aard kan beschermen, zoals zijn belang om in geval van ontbinding van de koopovereenkomst er zeker van te zijn weer de volledige beschikkingsmacht over de zaak te krijgen.’12 (curs. toegevoegd)
De wetgever lijkt hier nog wel enige ruimte te zien voor de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud, die uitmondt in verhaal van de koopprijsvordering. In de hier verdedigde visie is dat onmogelijk: uitoefening van het eigendomsvoorbehoud dient gepaard te gaan met ontbinding van de koopovereenkomst omdat de verkoper zich daardoor van zijn eigen verplichtingen bevrijdt, waardoor ook de koopprijsvordering tenietgaat. De verkoper kan zich vervolgens niet meer verhalen voor deze vordering.13
In de hier verdedigde benadering verschilt het eigendomsvoorbehoud in grote mate van traditionele zekerheidsrechten, zoals het pandrecht, waarbij door middel van de (opbrengst van de) verpande zaak of vordering voldoening van de gesecureerde vordering kan worden bewerkstelligd. Tussen de voorbehouden eigendom en de koopprijsvordering bestaat enerzijds een nauwere relatie dan tussen het pandrecht en de gesecureerde vordering, maar anderzijds is de band tussen de eigendom van de zaak en de vordering een stuk losser. Deze lossere band volgt uit het feit dat het eigendomsvoorbehoud geen zekerheid voor de voldoening van de tegenprestatie vormt, maar voor het behoud van het voorwerp van de eigen prestatie. Dat is ook een vorm van zekerheid, maar een vorm van zekerheid van geheel andere aard dan een pandrecht. Treffend wordt dit alles door Mincke verwoord:
“[Z]ij [het eigendomsvoorbehoud; toevoeging EFV] biedt helemaal geen zekerheid voor betaling van de koopprijs. Het eigendomsvoorbehoud moet worden gezien in verband met een terugdraaien van de verbintenis en geeft de verkoper in dit verband – vooral in geval van faillissement van zijn debiteur – een voordelige positie. Dat kan men ook als een ‘zekerheid’ zien, maar deze zekerheid betreft niet de verwachtingen die de crediteur met de overeenkomst heeft verbonden, zij betreft de toestand voor het sluiten van de overeenkomst. Of: de mogelijke schade, die de crediteur door het aangaan van de overeenkomst zou kunnen lijden, wordt beperkt. Maar hij wordt niet van de vruchten van de overeenkomst verzekerd.”14
Het eigendomsvoorbehoud biedt daarmee onmiskenbaar een vorm van zekerheid voor het geval de koper niet betaalt, maar de zekerheid heeft een defensief karakter: het eigendomsvoorbehoud garandeert uitsluitend behoud van het object van de eigen prestatieplicht totdat de tegenprestatie wordt verricht.15 Zoals hiervoor reeds aan de orde kwam, is het overeenkomen van een eigendomsvoorbehoud daarmee niets anders dan het geldend maken of handhaven van de exceptio non adimpleti contractus met betrekking tot de verplichting tot eigendomsverschaffing. Het eigendomsvoorbehoud is geen instrument waarmee de prestatie van de wederpartij kan worden gerealiseerd, maar voorkomt slechts dat het voorwerp van de eigen prestatie reeds verloren gaat.16 Weliswaar functioneert het eigendomsvoorbehoud daarmee ook als pressiemiddel om betaling van de koper af te dwingen,17 maar met de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud kan die prestatie niet worden verkregen.18
De gedachte zou kunnen opkomen dat het eigendomsvoorbehoud zekerheid kan bieden voor een eventuele schadevergoedingsvordering, zodat de verkoper met het eigendomsvoorbehoud wel degelijk zijn winstverwachtingen die hij met het sluiten van de koopovereenkomst nastreeft, zou kunnen realiseren en het eigendomsvoorbehoud dus niet slechts een defensief zekerheidskarakter heeft. Die gedachte moet evenwel worden verworpen. Weliswaar kan het eigendomsvoorbehoud ook worden bedongen voor een eventuele schadevergoedingsvordering, die mede het positief contractsbelang omvat, maar het eigendomsvoorbehoud kan uit de aard der zaak geen zekerheid bieden voor deze winstverwachtingen van de verkoper. Een zodanige schadevergoedingsvordering heeft de verkoper namelijk indien de ontbinding van de koopovereenkomst ertoe leidt dat de verkoper in een nadeligere vermogenstoestand komt te verkeren dan bij nakoming het geval zou zijn (art. 6:277 BW). Een dergelijke schadevergoedingsvordering is derhalve slechts aan de orde indien nakoming van de koopovereenkomst voor de verkoper lucratiever is dan behoud van de verkochte zaak. Door middel van (de waarde van) de verkochte zaak zelf kan deze lucratievere vermogenspositie bij nakoming vanzelfsprekend niet worden gerealiseerd: de zaak kan immers nooit meer opleveren dan zij zelf waard is. Gewoonlijk zal de verkoper slechts een zodanige schadevergoedingsvordering hebben, indien de verkochte zaak na uitoefening van het eigendomsvoorbehoud en ontbinding minder waard blijkt te zijn dan de koopprijs die de verkoper bij nakoming zou realiseren. Dezelfde voorbehouden eigendom, die de verkoper met de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud opvordert van de koper, kan daarvoor geen zekerheid bieden. Terecht stelt Mincke de retorische vraag: ‘Hoe zou hij deze zaak, die toch al van hem is, nu nog als een zekerheid voor een andere vordering kunnen gebruiken?’19
Dit betekent niet dat het zinledig is om een eigendomsvoorbehoud te bedingen ter zake van vorderingen wegens tekortschieten in de nakoming. Aldus kan de verkoper namelijk bijvoorbeeld bereiken dat hij ook eigenaar blijft totdat eventuele vertragingsschade door de koper wordt vergoed. De wetgever meende bovendien dat het bedingen van een eigendomsvoorbehoud voor de schadevergoedingsvordering met name nuttig was in het geval dat de door de koper verschuldigde tegenprestatie bestond uit iets anders dan de betaling van een geldsom. Indien de verbintenis van de koper zou worden omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding (art. 6:87 BW), zou de eigendomsovergang tevens afhankelijk zijn van de voldoening van deze prestatie.20
Het verschil tussen een pandrecht en het voorbehouden eigendomsrecht openbaart zich met name in de verhouding tussen het (vermeende) zekerheidsobject en de (vermeende) gesecureerde vordering.21 Het eigendomsvoorbehoud biedt slechts indirect zekerheid voor de koopprijsvordering, in die zin dat het eigendomsvoorbehoud de ongedaanmaking garandeert, indien de koper de koopprijs niet voldoet.22 Aangezien uitoefening van het eigendomsvoorbehoud en bevrediging van de verkoper door betaling elkaar wederzijds uitsluiten,23 kan de verkoper door uitoefening van het eigendomsvoorbehoud geen nakoming realiseren. De verkoper kan nimmer aanspraak maken op zowel betaling van de koopprijs, alsook op (de waarde van) de verkochte zaak. Zodra de verkoper de zaak (definitief) terugneemt, kan hij geen betaling meer afdwingen; heeft de koper daarentegen betaald, dan kan de verkoper geen aanspraak meer maken op de eigendom van de zaak.24 Bij een gewoon zekerheidsrecht, zoals een pandrecht, is dit anders. Indien de pandgever de gesecureerde vordering niet voldoet, is de pandhouder bevoegd de verpande zaak te verkopen om zich door middel van de opbrengst te voldoen. Indien de opbrengst voldoende is om de pandhouder te voldoen, dan gaat de vordering – door betaling – teniet. Is de opbrengst van de zaak daarentegen onvoldoende om de pandhouder te voldoen, dan blijft de vordering, anders dan bij uitoefening van het eigendomsvoorbehoud, voor het overige bestaan.