Einde inhoudsopgave
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/6.6.2
6.6.2 Contract tussen advocaat en eigen cliënt
mr. P. Sluijter, datum 31-10-2011
- Datum
31-10-2011
- Auteur
mr. P. Sluijter
- JCDI
JCDI:ADS594389:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Gegenstandswert wordt in § 22 e.v. RVG bepaald aan de hand van het zaaksbelang, met daarin meegenomen het aantal procesdeelnemers per zijde. Deze lijkt sterk op de Streitwert waarop de griffierechten gebaseerd worden.
Deze wet is van kracht sinds 2004. Voor die tijd gold de Bundesrechtsanwaltsgebührenordnung (BRAGO). Genoemde hoofdregel is te vinden in § 2 RVG.
Respectievelijk de Verfahrensgebühr,de Terminsgebühr en de Einigungsgebühr. Zie Landenrapport (Oxford; practitioners; Molitoris) Duitsland, p. 10-14.
Anlage 1 RVG, nr. 3100,
Anlage 1 RVG, nr. 3104.
Anlage 1 RVG, nr. 1000.
Zie landenrapport (Oxford; practitioners; Molitoris) Duitsland, p. 22-27.
De achtergrond van die regel is tweeledig. In de eerste plaats wordt de advocaat in Duitsland niet alleen als private dienstverlener gezien die slechts in het belang van de cliënt handelt, maar ook als een rechtsstatelijk instituut dat moet staan voor kwaliteit. Voor die kwaliteit staat een minimumbedrag. In de tweede plaats wordt van advocaten verwacht dat zij met de grotere zaken winst maken, zodat ze de kleinere zaken met verlies kunnen behandelen (kruissubsidiëring). Zie landenrapport (Oxford; academic; Hess & Huebner) Duitsland, p. 9.
Jackson 2009, p. 562.
Jackson 2009, p. 564, op basis van de Duitse 'Soldan'-studie uit 2006. Andersom zou overigens juist de grote rol van rechtsbijstandsverzekeraars mede verklaard kunnen worden door de rigide, voorspelbare systematiek met kostenschalen. Voorspelbaarheid leidt immers tot betere verzekerbaarheid.
§ 4 e.v. RVG.
Tussen de advocaat en de cliënt geldt in beginsel een vast tarief per zaak, dat aan de hand van de Gegenstandswert1wordt bepaald met een wettelijk vastgelegde tariefschaal, die te vinden is in de Rechtsanwaltsvergütungsgesetz (RVG).2 De tariefschaal kent tarieven voor drie afzonderlijke vergoedingen: een vergoeding voor het (schriftelijk) procederen, een vergoeding voor zittingen en een vergoeding voor een bereikte schikking.3 Elke vergoeding is slechts één keer verschuldigd per instantie, onafhankelijk van hoeveel brieven een advocaat uiteindelijk voor dat bedrag schrijft of hoeveel zittingen die bijwoont. In een zaak in eerste aanleg met een Gegenstandswert van € 10.000, waarin schriftelijk en mondeling wordt geprocedeerd en uiteindelijk wordt geschikt, is elk punt € 486 waard conform Anlage 2 RVG. In Anlage 1 zijn vervolgens de aantallen punten per soort vergoeding vastgelegd. In totaal heeft de advocaat recht op een beloning van:
Schriftelijk (Verfahrensgebühr)
1,3 punten4
X
€
486
=
€
631,80
Zittingen (Terminsgebühr)
1,2 punten5
X
€
486
=
€
583,20
Schikking (Einigungsgebühr)
1,5 punten6
X
€
486
=
€
729,00
Totaal:
4 punten
x
€
486
=
€
1944,00
Bij hoger beroep worden meer punten gerekend per soort vergoeding, terwijl bij verstekzaken en intrekkingen juist minder punten worden toegekend.7 Anlage 1 RVG telt nog tal van complicaties, bijvoorbeeld voor advocaten die meerdere cliënten vertegenwoordigen, maar die worden hier verder niet besproken.
Advocaat en cliënt mogen onderling wel een hoger tarief afspreken dan wat uit de RVG volgt, maar geen lager tarief.8 Overigens wordt in 70% van de gevallen de tariefschaal gevolgd.9 Vermoed wordt dat dit mede wordt veroorzaakt door het grote marktaandeel van rechtsbijstandverzekeraars, bij wie advocaten moeilijk een hoger honorarium kunnen bedingen.10No cure no pay is onder strikte voorwaarden ook toegestaan.11