Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/9.9.2.c
9.9.2.c Subsidiaire aansprakelijkheid van de verkrijgende rechtspersoon op wie een schuld niet is overgegaan
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250311:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Olffen, Buijn & Simonis 2004, p. 89-90, Verbrugh 2006, p. 54 en Verbrugh 2007, p. 268. Vgl. Van der Kraan 2012, p. 152 en 156 en Holtman 2019, p. 164, die van mening zijn dat een crediteur pas een vordering op de moedermaatschappij krijgt als hij haar op grond van de 403-verklaring aansprakelijk heeft gesteld. Art. 2:334t BW is volgens hen daarom niet van toepassing als een crediteur de moedermaatschappij ten tijde van de zuivere splitsing nog niet aansprakelijk heeft gesteld. Dit standpunt is echter niet juist. Zie HR 28 juni 2002, JOR 2002/136, m.nt. Bartman (Akzo/ING), r.o. 3.4.3, waar de Hoge Raad oordeelt dat een moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring rechtstreeks aansprakelijk is. Deze aansprakelijkheid ontstaat dus niet pas als de crediteur de moedermaatschappij aansprakelijk stelt. Zie ook § 6.2.5.
Verbrugh 2007, p. 229 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/587. Zie ook Kamerstukken II 1996/97, 24702, 6, p. 10 (NnavhV).
Zie in vergelijkbare zin § 9.10.2.c met betrekking tot een afsplitsing van vermogen van de moedermaatschappij.
Zie § 9.9.1.c.
Van Olffen, Buijn & Simonis 2004, p. 90, Verbrugh 2006, p. 54 en Verbrugh 2007, p. 269. Zie in vergelijkbare zin § 9.10.2.c met betrekking tot een afsplitsing van vermogen van de moedermaatschappij.
Op grond van art. 2:334t BW zijn beide verkrijgende rechtspersonen aansprakelijk voor de schulden van de moedermaatschappij ten tijde van de zuivere splitsing. Daaronder vallen ook de schulden op grond van de 403-verklaring.1 De verkrijgende rechtspersoon op wie een schuld niet onder algemene titel is overgegaan, is slechts subsidiair aansprakelijk voor de nakoming van deze schuld. De aansprakelijkheid ex art. 2:334t BW ziet alleen op de bestaande schulden van de moedermaatschappij op het moment van de zuivere splitsing, al hoeven deze nog niet opeisbaar te zijn.2 Schulden die na de zuivere splitsing voortvloeien uit een voor de splitsing aangegane rechtsverhouding vallen hier niet onder.
De crediteuren van de 403-maatschappij die op het moment van de zuivere splitsing van de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring een vordering hebben op de moedermaatschappij, hebben daarna drie mogelijkheden om hun vordering voldaan te krijgen.3 Ten eerste kan een crediteur de 403-maatschappij zelf aansprakelijk stellen. Daarnaast is de verkrijgende rechtspersoon op wie de 403-aansprakelijkheid van de moedermaatschappij onder algemene titel is overgegaan hoofdelijk aansprakelijk voor de desbetreffende schuld van de 403-maatschappij – de crediteur kan naar vrije keuze de 403-maatschappij en de verkrijgende rechtspersoon op wie de 403-aansprakelijkheid is overgegaan aansprakelijk stellen. Tot slot is ook de andere verkrijgende rechtspersoon op wie de 403-aansprakelijkheid niet is overgegaan op grond van art. 2:334t BW subsidiair aansprakelijk voor de nakoming van deze schuld. In vergelijkbare zin als bij een zuivere splitsing van de 403-maatschappij4 ben ik van mening dat de subsidiaire aansprakelijkheid ex art. 2:334t BW met zich brengt dat de crediteur de verkrijgende rechtspersoon op wie de 403-aansprakelijkheid niet is overgegaan pas aansprakelijk kan stellen als de 403-maatschappij en de verkrijgende rechtspersoon op wie de 403-aansprakelijkheid wel is overgegaan, tekortschieten in de nakoming.
Tot slot merk ik op dat als de verkrijgende rechtspersoon op wie de 403-aansprakelijkheid onder algemene titel is overgegaan de 403-verklaring intrekt en de overblijvende aansprakelijkheid beëindigt, daardoor ook de subsidiaire aansprakelijkheid van de andere verkrijgende rechtspersoon ex art. 2:334t BW voor de desbetreffende schulden eindigt.5