Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.4.9:4.3.4.9 Verhouding tot de wens te vereenvoudigen
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.4.9
4.3.4.9 Verhouding tot de wens te vereenvoudigen
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS500333:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin: Van Oers 2007a, p. 68.
Vgl. paragraaf 6.3.3.2.3.
Wellicht dat een ‘omgekeerd’ factoorsbesluit (op grond waarvan de oorspronkelijke crediteur namens de overnemer om teruggaaf van btw kan verzoeken) uitkomst zou kunnen bieden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat betreft de subdoelstelling van art. 29 Wet OB 1968, de indeplaatstredingsregeling incluis, zijnde de vereenvoudiging van de regeling, merk ik volledigheidshalve het volgende op. Ik ben een groot voorstander van het koppelen van het recht op teruggaaf en de verplichting tot terugbetaling aan het vorderingsrecht op de schuldenaar.1 Het is het meest eenvoudig om de rechten en plichten van art. 29 Wet OB 1968 zich in dezelfde hand te laten bevinden als die waarin het vorderingsrecht zich bevindt. Naarmate een vordering van eigenaar wisselt, zal het voor de oorspronkelijke eigenaar (lees: de leverancier) namelijk lastig, zo niet ondoenlijk, zijn te monitoren wat er met het vorderingsrecht gebeurt. In de kern beantwoordt de indeplaatstredingsregeling dus aan de subdoelstelling van de regeling en zou deze een verdere verlaging van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven en de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst met zich moeten brengen. Toch heb ik twijfels of deze subdoelstelling in de praktijk zal worden behaald. Voornaamste reden is dat de maatregel een aantal onvolkomenheden kent. Ten eerste is het niet altijd duidelijk of de indeplaatstredingsregeling in bepaalde gevallen überhaupt toepassing vindt. Het blijft immers in het midden wat onder het ‘overdragen’ van een vordering moet worden verstaan. Ten tweede is de maatregel beperkt tot de overdracht van vorderingen tussen twee ondernemers, terwijl een ruimer bereik mijn voorkeur heeft: enkel door ook niet-ondernemers in de regeling te betrekken kan in volle omvang recht worden gedaan aan de doelstelling. Omdat het al dan niet indeplaatstreden per definitie een effect heeft op de waarde van een vordering, kan het dus zomaar zijn dat eerst een discussie over het begrip ‘overdracht’ en/of de ondernemersstatus moet worden beslecht. De onvolkomenheden kunnen ook van praktische aard zijn. In het oog moet worden gehouden dat de factoringpraktijk veelzijdig is. Zo zal een overnemende partij niet altijd het debiteurenrisico en/of het beheer en inning van de vorderingen overnemen, zodat niet de overnemer, maar de overdrager mogelijk toch de aangewezen partij zal zijn om (tijdig) de benodigde btw-acties te ondernemen. Daarnaast is het mijn ervaring dat naarmate de band tussen de ondernemer en Nederland afneemt, bijvoorbeeld omdat deze in het buitenland is gevestigd, de kans op compliant gedrag afneemt, al is het omdat de ondernemer zich onvoldoende heeft vergewist van zijn fiscale verplichtingen hier te lande. Ik denk hierbij aan de situatie waarin een buitenlandse koper van vorderingen (een debt trader2) vorderingen aan een andere buitenlandse debt trader heeft overgedragen, terwijl de oorspronkelijke crediteur de vorderingen reeds als oninbaar heeft aangemerkt en de btw heeft herzien. De kans dat deze laatste debt trader voldoet aan zijn plicht om bij een betaling alsnog btw aan de Belastingdienst te voldoen acht ik in de praktijk kleiner dan in het geval deze ondernemer in Nederland zou zijn gevestigd. Daarnaast zal het voor de Belastingdienst ook moelijker zijn om een buitenlandse ondernemer ertoe te bewegen aan zijn fiscale verplichtingen te voldoen, niet in de laatste plaats omdat de overgedragen vorderingen (ook voor de Belastingdienst) uit het oog zijn verloren. De veelheid in soorten factoring maakte bovendien dat in de praktijk niet altijd gebruik werd gemaakt van het factoorsbesluit, met als gevolg dat de wettelijke verankering een risico van overkill meebrengt.3
Ook de wetgever lijkt niet geheel zeker van zijn zaak. In de Nota naar aanleiding van het Verslag vestigt de wetgever de aandacht op mogelijke niet-naleving van de btw-verplichtingen bij de overdracht van vorderingen, in het bijzonder daar waar een vordering meerdere keren van eigenaar wisselt:4
“Deze gang van zaken kan ertoe leiden dat in bepaalde gevallen niet wordt opgemerkt dat de btw-heffing ten onrechte achterwege blijft wanneer de vordering alsnog geheel of gedeeltelijk wordt betaald. Hierbij wordt gedoeld op bijvoorbeeld de situatie waarin ter zake van een vordering reeds een teruggaaf van btw is gegeven op grond van het verstrijken van de periode van één jaar na het opeisbaar worden van de vordering en waarbij die vordering daarna is overgedragen aan een andere ondernemer aan wie die vordering alsnog geheel of gedeeltelijk wordt betaald. Het kabinet zal passende maatregelen bezien zodra blijkt dat de regeling voor het in de plaats treden ertoe leidt dat te weinig btw wordt betaald.”
De maatregel zou mogelijkerwijs dus toch een negatief effect kunnen hebben op de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst, hetgeen weer in contrast staat met de (sub)doelstelling van de regeling. Ik zou echter menen dat dit inherent is aan de regeling en dat de kans op niet-naleving van verplichtingen (en daarmee ook de uitvoeringskosten van de Belastingdienst) alleen maar hoger zou zijn als de koppeling tussen de btw-rechten en btw-verplichtingen en de handelsvordering niet zou zijn gemaakt.