Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/3.5.1
3.5.1 Personen die (deels) ‘buiten’ het stelsel van art. 6:173, 174, 179 jo. 181 staan
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297957:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Hiermee op één lijn te stellen is de in art. 8:1661 lid 2 geregelde aansprakelijkheid van de beheerder van de spoorweginfrastructuur aan de hand van het normstelsel van art. 6:174. Zie hierover Rb. Almelo 9 januari 2008, VR 2009/44 (X/Losser en ProRail).
Voor leidingen en kabels geldt dat het niet moet gaan om een kabel of leiding die een functionele eenheid vormt met het gebouw of werk. Is daarvan w é l sprake, dan valt de aansprakelijkheid ‘gewoon’ onder lid 1 van art. 6:174 (bezittersaansprakelijkheid) en zodoende eveneens onder de werking van art. 6:181. Vgl. Rb. Breda 15 oktober 1997, Prg. 1997/4858 (Gesprongen waterleiding).
Steeds maar één kwalitatief aansprakelijke persoon was overigens het spoor waarop het Ontwerp Meijers zat voor alle kwalitatieve aansprakelijkheden. Zie par. 2.6.
Vgl. HR 16 november 2001, NJ 2002/71 (Quant/Volkshogeschool Bergen), waarin een werkgever door een werknemer vergeefs ex art. 6:174 jo. 181 werd aangesproken wegens een vermeend gebrek in de openbare weg, een fietspad dat toegang bood tot het schoolgebouw.
Zie voor openbare wegen Parl. gesch. Boek 6, p. 756-757 en 761 alsook Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1393; voor leidingen Parl. gesch. Boek 6, p. 759-760; voor kabels Kamerstukken II 2005/06, 30475, 3, p. 42, alsmede voor waterstaatswerken Kamerstukken II 34436, 2015/16, 3, p. 13, 62 en Kamerstukken I 2016/17, 34436, B, p. 1-2.
Niet het moment van de schadeveroorzaking, maar het moment van het bekend worden van de schade is leidend. Dit om in een geval van opeenvolgende exploitanten moeilijkheden bij het aanwijzen van de aansprakelijke te voorkomen, omdat het problematisch kan zijn te bepalen wat nu precies – in de loop der tijd – de schadeveroorzakende gebeurtenis is geweest.Kamerstukken II 1998/99, 26219, 3, p. 103.
Is het bedrijfsmatige gebruik eenmaal gestaakt, dan ziet art. 6:181 daarop niet (meer). Kamerstukken II 1998/ 99, 26219, 3, p. 103-104.
De bezitter is mijns inziens ook ex art. 6:174 lid 1 aansprakelijk indien het ondergrondse werk weliswaar bedrijfsmatig wordt gebruikt, maar ‘het ontstaan van de schade’ – naar analogie van het slot van lid 1 van art. 6:181 – niet met de bedrijfsvoering in verband staat. Zie nader par. 7.7.1.
Vergelijkbaar is de in art. 8:1661 lid 1 geregelde aansprakelijkheid voor spoorvoertuigen. De aansprakelijkheid wordt gekanaliseerd naar de spoorwegonderneming die het spoorvoertuig in gebruik heeft. Is van bedrijfsmatig gebruik in de zin van art. 8:1661 lid 1 geen sprake, dan rust de aansprakelijkheid op de bezitter ex art. 6:173 lid 1. Zie Kamerstukken II 2005/06, 30365, 3, p. 18. Zie ook Rb. Utrecht 17 september 2008, JA 2008/161 (Prorail BV/Railion).
Vergelijkbaar met samenloop in geval van schade door andere opstallen dan een ondergronds werk ex art. 6:174 lid 1 (bezitter) jo. 181 (bedrijfsmatige gebruiker).
Kamerstukken II 1998/99, 26219, 3, p. 103-104.
Het startpunt van mijn analyse is de huidige tekst van lid 1 van art. 6:181, die als volgt luidt:
(Art. 6:181 lid 1)
‘Worden de in de artikelen 173, 174 en 179 bedoelde zaken, opstallen of dieren gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, dan rust de aansprakelijkheid uit de artikelen 173 lid 1, 174 lid 1 en lid 2, eerste zin, en 179 op degene die dit bedrijf uitoefent (…).’ (curs. AK)
Close reading leert dat van de genoemde artikelen 6:173, 174 en 179 alleen de aansprakelijkheid uit art. 6:179 in het geheel wordt noemt in art. 6:181 lid 1. Dit eerste lid van art. 6:181 noemt van art. 6:173 enkel lid 1 en bevat – anders dan zoals art. 6:173 in lid 2 – geen verwijzing naar de producent uit afd. 6.3.3 BW. Van art. 6:174 noemt art. 6:181 alleen de aansprakelijkheid uit lid 1 en lid 2, eerste zin. Art. 6:181 lid 1 noemt niet de tweede zin van art. 6:174 lid 2, waarin de aansprakelijkheden van de weg-, waterstaatswerk-, kabel- en leidingbeheerder zijn opgenomen. De aansprakelijkheden van de in lid 3 van art. 6:174 genoemde exploitant van een ondergronds werk wordt evenmin vermeld in art. 6:181 lid 1. De positie van de producent in relatie tot de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker komt hierna in een afzonderlijke paragraaf (par. 3.5.3) aan de orde.
Bezien we nu art. 6:174 lid 2, tweede zin (openbare wegen, waterstaatswerken, leidingen, kabels) nader, dan heeft de wetgever ervoor gekozen de aansprakelijkheid voor deze objecten niet op de bezitter te leggen. Voorts geldt als gezegd dat art. 6:174 lid 2, tweede zin niet is opgenomen in art. 6:181 lid 1. In andere woorden, in geval van schade door de in art. 6:174 lid 2, tweede zin genoemde objecten wordt de kwalitatieve aansprakelijkheid linea recta gedirigeerd naar de daartoe aangewezen (enige) persoon.1 Het gaat om aansprakelijkheden die ex art. 6:174 niet op de bezitter maar een ander rusten en ook niet door art. 6:181 worden bestreken.2 Degene die kwalitatief aansprakelijk is, wordt derhalve ‘rechtstreeks’ aangewezen ongeacht de vraag naar het bezit of het in art. 6:181 bedoelde bedrijfsmatig gebruik van het betreffende object.3 De weg-, waterstaatswerk-, leiding- en kabelbeheerder staan zodoende dus ‘buiten’ de systematiek van art. 6:173, 174 en 179 jo. 181 voor wat betreft het aanwijzen van de kwalitatief aansprakelijke.4 Hoewel van samenloop zodoende geen sprake is – er wordt niet te midden van meerdere (potentieel) kwalitatief aansprakelijken één persoon als aansprakelijke aangewezen; er is in potentie maar één kwalitatief aansprakelijke –, geldt wel dat is beoogd de aansprakelijkheden voor openbare wegen, waterstaatswerken, leidingen en kabels (art. 6:174 lid 2, tweede zin) te ‘concentreren’ op een duidelijk aanwijsbaar adres. De gedachte daarachter is steeds soortgelijk, namelijk het willen voorkomen dat de eigenaar van de (onder- of boven)grond door natrekking (art. 5:20) ook eigenaar/ bezitter is van (een deel van) het betreffende object en uit dien hoofde ex art. 6:174 lid 1 aansprakelijk kan zijn in geval van een gebrek. Het wordt daarentegen ‘redelijker’ geacht niet de eigenaar/bezitter maar de beheerder, die ervoor moet zorgdragen dat het object in goede staat verkeert, met de kwalitatieve aansprakelijkheid te belasten. Voorts geldt de gedachte dat de benadeelde langs eenvoudig vaststelbare weg zijn schade moet kunnen verhalen, in die zin dat deze, voordat een aanspraak geldend kan worden gemaakt, niet te rade hoeft te gaan bij de regels van natrekking ten opzichte van de grond. Art. 6:174 lid 2, tweede zin ‘kanaliseert’ de aansprakelijkheid voor schade door de betreffende objecten, waar deze anders mogelijk zou rusten op de eigenaar van de grond, naar de beheerder daarvan.5 De regeling van art. 6:174 lid 2, tweede zin, bepaalt dus zelf exclusief wie de kwalitatief aansprakelijke is.
Voor de in lid 3 van art. 6:174 bedoelde ondergrondse werken geldt een vergelijkbare gedachtegang, maar een enigszins afwijkend systeem. In geval van bedrijfsmatig gebruik van een ondergronds werk is de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker niet gebaseerd op art. 6:181 lid 1, maar op art. 6:174 lid 3. Laatstgenoemde bepaling kent een op onderdelen van art. 6:181 afwijkende regeling, waarbij een afwijkend peilmoment is gekozen6 en sprake is van een aan de laatste bedrijfsmatige gebruiker ‘klevende aansprakelijkheid’ nadat het gebruik is gestaakt.7 Wordt een ondergronds werk niet bedrijfsmatig gebruikt, dan valt het werk als ‘opstal’ onder art. 6:174 lid 1 en rust de aansprakelijkheid op de bezitter.8 Anders dan de voornoemde aansprakelijkheden uit art. 6:174 lid 2, tweede zin, kan de aansprakelijkheid voor een in art. 6:174 lid 3 bedoeld ondergronds werk dus wél op de bezitter rusten. De aansprakelijkheid voor ondergrondse werken staat daarmee deels ‘buiten’ het systeem van art. 6:173, 174, 179 jo. 181.9 Hier is van samenloop dus wél sprake: in geval van schade door een ondergronds werk dienen zich als (potentieel) aansprakelijken de bezitter (art. 6:174 lid 1) en bedrijfsmatige gebruiker (art. 6:174 lid 3) aan.10 Art. 6:174 lid 3 ‘kanaliseert’ de aansprakelijkheid dan naar degene die het werk in de uitoefening van zijn bedrijf gebruikt of heeft gebruikt. Net als ten aanzien van de in art. 6:174 lid 2, tweede zin geregelde ‘beheerders-aansprakelijkheden’, heeft men bij de aansprakelijkheid voor ondergrondse werken willen ingrijpen op de (consequenties van de) regels van natrekking ten opzichte van de (boven)grond en de aansprakelijkheid steeds willen leggen bij degene die ‘een grotere mate van verantwoordelijkheid draagt’ voor het ontstaan van de schade dan de eigenaar/ bezitter van de bovengrond (art. 5:20 jo. 6:174 lid 1).11 De objecten in art. 6:174 lid 2, tweede zin en art. 6:174 lid 3 hebben derhalve gemeen dat het aanwijzen van de daarvoor kwalitatief aansprakelijke persoon (deels) ‘buiten’ het stelsel van art. 6:173, 174, 179 en 181 zijn beslag krijgt.