De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap
Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/8.5.2:8.5.2 De essentia-leer
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/8.5.2
8.5.2 De essentia-leer
Documentgegevens:
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS387526:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 27 januari 1995, NJ 1995/579, m.nt. Maeijer (Adjuncten Properties/Söderqvist q.q.)
HR 26 maart 2004, NJ 2004/330, OR 2004/117, m.nt. Spanjaard (Zohar Foods International).
Conclusie A-G Timmerman onder 2.3. bij HR 26 maart 2004, NJ 2004, 330 (Zohar Foods International).
HR 26 maart 2004, NJ 2004, 330, OR 2004/117, m.nt. Spanjaard (Zohar Foods International).
Rb. Haarlem 18 juli 2007, JOR 2007/262, r.o. 3.3.
Hof Arnhem 23 juli 2013, JOR 2013/216, m.nt. Nethe.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De essentia-leer, waarbij artikel 2:19 lid 5 BW prevaleert boven artikel 2:23c lid 1 BW, vindt voornamelijk ondersteuning in de jurisprudentie. De Hoge Raad nam zijn standpunt hieromtrent reeds in bij het wijzen van het Adjuncten Properties/Söderqvist q.q.-arrest in 1995.1 De Hoge Raad overwoog dat het bestuursoordeel van een rechtspersoon niet zonder meer doorslaggevend is voor het antwoord op de vraag of een rechtspersoon na ontbinding al dan niet voort bestaat en dat het bestuursoordeel dat de rechtspersoon ten tijde van ontbinding geen baten meer heeft, vatbaar is voor toetsing door de rechter. Uit deze overweging volgt dat wanneer het bestuur overgaat tot turboliquidatie terwijl de BV nog over baten beschikt, de BV blijft voortbestaan in de zin van artikel 2:19 lid 5 BW.
De Hoge Raad blijft in 2004 bij het wijzen van het Zohar Foods International-arrest2 bij zijn eerdere oordeel en ook A-G Timmerman en Spanjaard zijn in hun conclusie respectievelijk noot bij dit arrest een dergelijke mening toegedaan. Timmerman stelt in zijn conclusie dat wanneer na de toegepaste turboliquidatie blijkt dat ten tijde van ontbinding een bate bestond, niet steeds een vordering op grond van artikel 2:23c lid 1 BW nodig is om de rechtspersoon te laten herleven. Volgens Timmerman wordt met deze opvatting voorkomen dat in al te veel gevallen heropening van de vereffening bij de rechter verzocht dient te worden:
‘Uit de onderhavige procedure blijkt dat Zohar meent nog het een en ander van De Poel te vorderen te hebben. Voor het aanwezig zijn van een bate is het voldoende dat derechtspersoon pretendeert een vorderingsrecht te hebben in een rechtsgeding waarinnog geen definitieve uitspraak is gedaan. Aan het hebben van een bate mogen immersgeen hoge eisen worden gesteld. Naar mijn mening is Zohar niet opgehouden te bestaan.De weg van heropening van de vereffening hoeft niet gevolgd te worden om van Zoharweer een levende, zij het ontbonden rechtspersoon te maken.’3
Spanjaard sluit zich in zijn noot hierbij aan, met een beroep op de proceseconomie en de rechtszekerheid.4
Bij de essentia-leer sloot bovendien de rechtbank Haarlem zich aan, met het oordeel dat een turbogeliquideerde BV werd geacht te zijn blijven voortbestaan op grond van artikel 2:19 lid 5 BW, omdat bleek van een bate die reeds ten tijde van ontbinding bestond.
‘De rechtbank is van oordeel dat Coxon onder dit wettelijk systeem van afwikkeling van rechtspersonen steeds is blijven bestaan. Vooropgesteld zij dat de vraag of een rechtspersoonblijft voortbestaan vooral materieel, materialistisch bezien dient te worden. Uitde onderhavige procedure blijkt reeds dat Coxon meent nog een vordering op InterXionte hebben. Aangezien voor het aanwezig zijn van een bate het voldoende is dat de rechtspersoon pretendeert een vorderingsrecht te hebben in een rechtsgeding waarin nog geen definitieve uitspraak is gedaan, is de rechtbank van oordeel dat Coxon niet is opgehouden te bestaan.’5
Ook het hof Arnhem oordeelt – in lijn met de opvatting van de Hoge Raad – dat uit artikel 2:19 lid 4 en lid 5 BW in samenhang gelezen met artikel 2:23c lid 1 BW volgt dat een rechtspersoon na zijn ontbinding slechts ophoudt te bestaan indien hij op het tijdstip van zijn ontbinding geen (bekende) baten meer heeft.6