Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/8.5.0
8.5.0 Introductie
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS393322:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De Bruijn 2004, p. 216.
Deze leer is vernoemd naar de Latijnse term essentia, welke term kan worden vertaald als het wezen; het zijn; bestaan (volgens het woordenboek Latijn-Nederlands, Amsterdam University Press, te raadplegen via <http://www.latijnnederlands.nl>). Er is gekozen voor deze term, omdat in de onderhavige leer artikel 2:19 lid 5 BW prevaleert, op grond waarvan een turbogeliquideerde BV is blijven bestaan.
Deze leer is vernoemd naar de Latijnse term resuscito, welke term kan worden vertaald als; een proces laten herleven, opnieuw beginnen; weer opwekken uit de dood (volgens het woordenboek Latijn-Nederlands, Amsterdam University Press, te raadplegen via <http://www.latijnnederlands.nl>). Er is gekozen voor deze term, omdat in de onderhavige leer artikel 2:23c lid 1 BW prevaleert, op grond waarvan een turbogeliquideerde BV kan herleven.
Deze leer is vernoemd naar de Latijnse term solutio, welke term kan worden vertaald als; oplossing (volgens het woordenboek Latijn-Nederlands, Amsterdam University Press, te raadplegen via <http://www.latijnnederlands.nl>). Er is gekozen voor deze term, omdat in de onderhavige leer een oplossing wordt geboden voor de frictie tussen artikel 2:19 lid 5 BW en artikel 2:23c lid 1 BW in geval van een onterecht toegepaste turboliquidatie.
Renssen 2015-2, p. 56.
De meest voorkomende wijze waarop BV’s worden ontbonden, is door een besluit van de algemene vergadering op grond van artikel 2:19 lid 1 sub a BW.1 Na een dergelijke ontbinding houdt de BV niet direct op te bestaan. Ingevolge het vijfde en zesde lid van artikel 2:19 BW blijft een ontbonden BV voortbestaan voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is en houdt de BV pas op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffeningsprocedure is geëindigd. De vereffeningsprocedure eindigt op het tijdstip waarop geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn, aldus artikel 2:23b lid 9 BW. Op dit sluimerend voortbestaan van een ontbonden BV is in artikel 2:19 lid 4 BW een uitzondering geformuleerd. Wanneer ten tijde van de ontbinding van de BV geen baten meer aanwezig zijn, houdt de BV alsdan op te bestaan. Het voortbestaan van een dergelijke BV is ook niet zinvol, omdat er zonder baten niets te vereffenen valt. Het vierde en vijfde lid van artikel 2:19 BW lijken elkaar als het ware uit te sluiten: in situaties waarin artikel 2:19 lid 4 BW wordt toegepast, lijkt het bepaalde in het vijfde lid van datzelfde artikel geen rol te spelen.
Indien na een vereffeningsprocedure van een ontbonden BV of na een toegepaste turboliquidatie alsnog een bate van de BV blijkt, bestaat de mogelijkheid de BV te laten herleven door een vordering tot heropening van de vereffening op grond van artikel 2:23c lid 1 BW. Daarmee lijken ook het vijfde lid van artikel 2:19 BW en artikel 2:23c lid 1 BW elkaar uit te sluiten: wanneer een BV nog voort bestaat op grond van artikel 2:19 lid 5 BW kan artikel 2:23c lid 1 BW niet worden toegepast, omdat laatstgenoemd artikel toepassing vindt in situaties waarin ‘na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan’ het bestaan van een bate blijkt.
Wanneer men de wisselwerking tussen enerzijds artikel 2:19 lid 4 en 2:23c lid 1 BW en anderzijds artikel 2:19 lid 5 BW nader bestudeert, kan men niet anders dan tot de conclusie komen dat er een specifieke situatie is waarin enerzijds zowel het vierde als het vijfde lid van artikel 2:19 BW van toepassing is en anderzijds zowel artikel 2:19 lid 5 BW als artikel 2:23c lid 1 BW toegepast kan worden. Deze merkwaardigheid doet zich voor in de situatie waarin over wordt gegaan tot turboliquidatie ex artikel 2:19 lid 4 BW, terwijl de BV ten tijde van ontbinding één (of meerdere) bate(n) had, dus in de situatie waarin ten onrechte is overgegaan tot turboliquidatie. In de jurisprudentie en literatuur zijn ten aanzien van deze situatie twee visies waarneembaar; een visie waarin er vanuit wordt gegaan dat het bepaalde in artikel 2:19 lid 5 BW prevaleert boven het bepaalde in artikel 2:23c lid 1 BW en een visie waarin er vanuit wordt gegaan dat het bepaalde in artikel 2:23c lid 1 BW prevaleert boven het bepaalde in artikel 2:19 lid 5 BW (paragraaf 8.5.2 respectievelijk paragraaf 8.5.3). Ik zal beide visies nader toelichten en vervolgens een middenweg tussen beide opvattingen uiteen zetten die volgens mij recht doet aan zowel het bepaalde in artikel 2:19 lid 5 BW als het bepaalde in artikel 2:23c lid 1 BW (paragraaf 8.5.4).
De opvatting waarbij artikel 2:19 lid 5 BW prevaleert boven artikel 2:23c lid 1 BW noem ik de essentia-leer.2 De opvatting waarbij artikel 2:23c lid 1 BW prevaleert boven artikel 2:19 lid 5 BW noem ik de resuscito-leer3 en de door mij geformuleerde middenweg tussen beide opvattingen noem ik de solutio-leer4 .5 Alvorens deze leren te beschrijven, wordt in paragraaf 8.5.1 ingegaan op de frictie tussen het vierde en het vijfde lid van artikel 2:19 BW.