Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/6.3.1.4.d
6.3.1.4.d Doorschuiving bij overdracht krachtens schenking
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS344259:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
In paragraaf 6.3.1.6.a heb ik ervoor gekozen in mijn second-best voorstel een invorderingsfaciliteit op te nemen voor de situatie waarin de ab-houder komt te overlijden. Deze faciliteit bestaat niet in de huidige wet. De reden dat ik wel kies voor een nieuwe invorderingsfaciliteit maar niet voor een nieuwe doorschuiffaciliteit is dat ik invorderingsfaciliteiten het meest geschikte fiscale instrument vind om liquiditeitsproblemen als gevolg van de belastingheffing te voorkomen.
MvA, Kamerstukken II 1962/63, 5380, nr. 19, blz. 38.
MvT, Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, blz. 6.
Nadere MvA, Kamerstukken I 2009/10, 31 930, nr. F, blz. 11.
Onder de huidige wetgeving is voor een overdracht krachtens schenking in art. 4.17c Wet IB een doorschuiffaciliteit opgenomen. In mijn first-best voorstel is geen plaats voor deze doorschuiffaciliteit. In deze paragraaf staat de vraag centraal of ik in mijn second-best voorstel de doorschuiffaciliteit voor overdrachten krachtens schenking wil behouden. In paragraaf 4.2.4.5.b heb ik aangegeven een doorschuiffaciliteit bij schenking niet legitiem te vinden. Een schenking kan worden gepland. De schenker maakt bewust de keuze zijn ab te schenken. Het is naar mijn mening niet aan de overheid in dit proces in te grijpen. Vanuit neutraliteitsoogpunt zijn er daarentegen redenen om doorschuiving bij schenking toe te staan. Indien doorschuiffaciliteiten bij leven minder ruimte bieden dan bij overlijden kunnen belastingplichtigen worden aangespoord te wachten met de overdracht tot overlijden. Dit acht ik niet wenselijk. Indien wordt gekozen voor een doorschuiffaciliteit bij overlijden, mag een doorschuiffaciliteit bij schenking niet ontbreken. Door alleen een doorschuiffaciliteit bij schenking toe te staan wordt afgeweken van de doorschuifmogelijkheid die winstgenieters hebben bij een overdracht tijdens leven (art. 3.63 Wet IB 2001). In paragraaf 6.3.1.3.c heb ik aangegeven art. 3.63 Wet IB 2001 te willen behouden voor situaties waarbij de onderneming wordt geschonken dan wel wordt overgedragen tegen (gedeeltelijke) schuldigerkenning. Voor overdrachten tegen schuldigerkenning is in de ab-sfeer ook onder de huidige wetgeving geen doorschuifmogelijkheid opgenomen. De vraag doet zich dus voor of in mijn second-best voorstel een nieuwe doorschuifmogelijkheid moet worden gecreëerd voor ab-houders. Ik beantwoord deze vraag ontkennend. Mijn eerste beweegreden is dat mijn second-best voorstel moet worden gezien als overgangsfase naar mijn first-best voorstel. Ik acht het op grond daarvan niet aanvaardbaar in een second-best voorstel een nieuwe faciliteit te creëren, tenzij er zwaarwegende argumenten zijn.1 In paragraaf 4.2.2.2 heb ik geoordeeld dat het verschil in behandeling tussen winstgenieters en ab-houders niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Een groot verschil tussen de winstsfeer en de ab-sfeer is dat in de winstsfeer het voordeel van de doorschuiffaciliteit in de jaren na doorschuiving wordt teruggenomen omdat de voortzetter over een lager bedrag afschrijft. Dit is destijds ook een aspect bij de aanvaardbaarheid van de doorschuifbepaling in de winstsfeer geweest.2 Voor mij is dit een belangrijke overweging om in mijn second-best voorstel geen nieuwe doorschuifmogelijkheid te creëren indien een ab wordt overgedragen tegen schuldigerkenning. Aan het liquiditeitsprobleem ter zake van de belastingclaim voor de ab-houder wordt nog wel tegemoetgekomen door de in art. 25, negende lid, IW 1990 opgenomen betalingsregeling indien tegen schuldigerkenning wordt overgedragen. Deze invorderingsfaciliteit behoud ik in mijn second-best voorstel (zie paragraaf 6.3.1.6.b).
Uitgangspunt is dus de huidige doorschuiffaciliteit bij schenking te behouden. Wel moeten aanpassingen worden gedaan aan de faciliteit om te komen tot een verbetering van de toetsingsresultaten. Als basis hiervoor geldt de in paragraaf 4.2.4.6 opgenomen tussenconclusie voor art. 4.17c Wet IB 2001. Ik kan hiervoor aansluiten bij mijn voorgestelde aanpassingen voor art. 4.17a Wet IB 2001 (zie paragraaf 6.3.1.4.b). Ik volsta hier met de conclusies uit deze paragraaf.
De eis dat de vennootschap een materiële onderneming moet drijven vind ik doeltreffend. Deze eis moet blijven gelden. Ook acht ik het een juiste keuze van de wetgever alleen doorschuiving toe te staan voor zover de waarde van de aandelen toerekenbaar is aan ondernemingsvermogen. De doelmatigheidsmarge voor beleggingsvermogen moet komen te vervallen. Voorts heeft de wetgever nadere voorwaarden willen stellen aan de persoon van de overdrager. Dit is naar mijn mening niet juist indien het doel van de faciliteit in ogenschouw wordt genomen. De regering wenst met de doorschuiffaciliteit te bereiken dat de economische bedrijvigheid onbelemmerd kan worden voortgezet. Het gaat erom dat de continuïteit van de onderneming niet wordt bedreigd omdat middelen ter voldoening van de uit de overdracht voortvloeiende belastingclaim uit de vennootschap zouden moetenworden gehaald. Vanuit deze doelstelling is de positie van de overdrager niet relevant.Wel moeten eisenworden gesteld aan de voortzetter.
De in art. 4.17c, eerste lid, onderdeel d, Wet IB 2001 opgenomen werknemerseis kan vervallen. In paragraaf 4.2.4.5.d heb ik betoogd dat het beter is geen voorwaarde te stellen dan een voorwaarde die de facto toch niet werkt. Er worden in het geheel geen kwalitatieve en kwantitatieve vereisten aan het dienstverband gesteld. Daarnaast worden bij overlijden van de ab-houder ook geen voorwaarden gesteld. De regering beargumenteert dit door te stellen dat deze eis ook niet wordt gesteld in art. 3.62 Wet IB 2001 (overlijden in de winstsfeer).3 In paragraaf 6.3.1.3.c heb ik overigens voorgesteld de eis ten aanzien van het samenwerkingsverband ook voor art. 3.63 Wet IB 2001 te laten vervallen. De regering heeft tijdens de parlementaire behandeling aangegeven de eis voor art. 4.17c Wet IB 2001 ook in te voeren omdat daardoor gelijkheid ontstaat met art. 3.63 Wet IB 2001.4 Dit is tevens een argument om dan ook de werknemerseis te laten vervallen in art. 4.17c Wet IB 2001.