Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen
Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/6.3.1.4.a:6.3.1.4.a Doorschuiving bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en verdeling huwelijksgemeenschap
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/6.3.1.4.a
6.3.1.4.a Doorschuiving bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en verdeling huwelijksgemeenschap
Documentgegevens:
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS346736:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
MvT, Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, blz. 40.
Afrekening over het ondernemingsvermogen kan overigens ook worden voorkomen door de langstlevende als erfgenaam te benoemen. In dat geval is onder de huidige wetgeving art. 4.17a Wet IB 2001 van toepassing. Zie ook paragraaf 4.2.4.2.c.
NnavV, Kamerstukken II 2010/11, 32 401, nr. 7, blz. 30.
MvT, Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, blz. 7 en 44.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 6.2.1.2.b heb ik voor mijn first-best voorstel aangegeven een doorschuifmogelijkheid te willen behouden voor situaties waarin aandelen als gevolg van een huwelijk tot een gemeenschap gaan behoren. De bestuursbevoegdheid ten aanzien van de aandelen wijzigt niet. Een doorschuifmogelijkheid acht ik ook aanvaardbaar indien als gevolg van een echtscheiding deze aandelen weer worden toebedeeld aan de bestuursbevoegde echtgenoot. Een doorschuiffaciliteit moet worden afgewezen indien aan een belastingplichtige meer aandelen worden toebedeeld dan het aantal waartoe hij bestuursbevoegd is. Het voorgaande geldt ook indien wijzigingen worden aangebracht aan de huwelijksgemeenschap bij leven.
Voor mijn second-best voorstel is het uitgangspunt aan te sluiten bij de huidige faciliteit, maar te komen tot een verbetering van de toetsingsresultaten. Allereerst stel ik voor art. 4.17 Wet IB 2001 weer van toepassing te verklaren op de situatie waarin de huwelijksgemeenschap door overlijden wordt ontbonden. 1 De wetgever zou geen onderscheid moeten maken tussen een ontbinding van de huwelijksgemeenschap bij leven en bij overlijden (zie paragraaf 4.2.4.2.c). Complicerende factor onder de huidige wetgeving is dat voor de toepassing van art. 4.17 Wet IB 2001, waar dit wel geldt voor art. 4.17a Wet IB 2001, geen onderscheid hoeft te worden gemaakt tussen ondernemings- en beleggingsvermogen. Volgens de regering is ‘de aanleiding voor een en ander doorgaans niet gelegen in het tot stand brengen van een bedrijfsoverdracht van de ene echtgenoot op de andere echtgenoot. Daarom wordt de doorschuifregeling voor de overgang krachtens huwelijksvermogensrecht niet toegesneden op reële bedrijfsopvolgingen’. 2 Hiermee kan ik instemmen. Dit zou dan evenwel ook moeten gelden indien de huwelijksgemeenschap door overlijden wordt ontbonden. Ik zie niet in waarom dit bij echtscheiding anders moet zijn als wanneer één van beide echtgenoten komt te overlijden. Bovendien kan het gedrag van belastingplichtigen worden verstoord. In gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten kunnen onder de huidige wetgeving afrekening over zowel het ondernemings- als het beleggingsvermogen voorkomen door de huwelijksgemeenschap reeds tijdens leven te verdelen. Zo kunnen de echtgenoten in het zicht van overlijden besluiten (nog tijdens leven) huwelijkse voorwaarden op te stellen en de huwelijksgemeenschap zodanig te verdelen dat de ab-aandelen worden toegedeeld aan degene die de ander vermoedelijk overleeft.3
Indien art. 4.17 Wet IB 2001 ook weer kan worden toegepast als de huwelijksgemeenschap door overlijden wordt ontbonden moet aan art. 4.17 Wet IB 2001 het tweede lid worden toegevoegd zoals dat gold tot en met 31 december 2009. Dit betreft de bepaling waarin wordt geregeld dat de overgang krachtens erfrecht op een niet in Nederland wonende verkrijger niet als vervreemding wordt aangemerkt, indien de overgang binnen twee jaren wordt gevolgd door een verdeling waarbij de aandelen of winstbewijzen worden toegescheiden aan een binnenlandse belastingplichtige. De aandelen of winstbewijzen mogen bij deze verkrijger niet tot het vermogen van een onderneming of tot het resultaat uit werkzaamheid gaan behoren. Hierbij plaats ik de kanttekening dat de termijn van twee jaren naar mijn mening te kort is.
Art. 4.17a, achtste lid, Wet IB 2001 moet worden overgenomen in een nieuw lid van art. 4.17 Wet IB 2001. Art. 4.17a, achtste lid, Wet IB 2001 ziet op de situatie waarbij in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap meer dan 50% van de ab-aandelen aan de nalatenschap van de erflater wordt toebedeeld (zie paragraaf 4.2.4.3.a). Tegelijkertijd wordt in art. 4.17a, achtste lid, Wet IB 2001 bepaald dat hetgeen boven die 50% wordt toebedeeld aan de nalatenschap wordt aangemerkt als vervreemding van de langstlevende waarbij dit kwalificeert als overgang krachtens erfrecht waarvoor vervolgens op grond van art. 4.17a Wet IB 2001 doorschuiving plaats kan vinden voor zover sprake is van ondernemingsvermogen. Naar mijn mening kan deze bepaling niet ontbreken, omdat (een gedeelte van) de aandelen van de langstlevende hier worden vervreemd. Alsdan moet doorschuiving voor dit gedeelte alleen mogelijk zijn voor zover de waarde van deze aandelen is toe te rekenen aan ondernemingsvermogen. Er moet worden uitgegaan van de waarde van de aandelen ten tijde van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, omdat aan de verdeling geen terugwerkende kracht wordt toegekend.4 Hier kan strikt genomen weinig tegen in worden gebracht. Het is evenwel opmerkelijk dat dit in art. 4.17b Wet IB 2001 (uitzondering bij verdeling nalatenschap) anders is geregeld. Om redenen van doelmatigheid wordt de waardeontwikkeling van de aandelen betrekking hebbend op het beleggingsvermogen tussen het moment van overlijden en de verdeling van de nalatenschap daar niet in de heffing betrokken.5 Het heeft dan mijn voorkeur dit ook te laten gelden waar het betreft de waardeontwikkeling van de aandelen tussen het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap door overlijden en de verdeling van de huwelijksgemeenschap.
Verder stel ik voor de termijn waarbinnen de verdeling van de huwelijksgemeenschap dan wel de nalatenschap moet plaatsvinden op te rekken naar een langere termijn. De termijn van twee jaren acht ik te kort (zie paragraaf 4.2.4.2.d). Zie ook paragraaf 6.2.1.2.b.
Tot slot heeft het mijn voorkeur ook art. 4.17 Wet IB 2001 op verzoek van toepassing te laten zijn. Onder de huidige wetgeving wordt de doorschuifbepaling automatisch toegepast (met mogelijkheid tot afrekening op grond van art. 4.38 Wet IB 2001). De andere doorschuifbepalingen zijn op verzoek. Naar mijn mening komt het de doelmatigheid ten goede als alle doorschuifbepalingen op verzoek kunnen worden toegepast.