Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/6.5.3
6.5.3 SER adviezen: Toekomstbestendigheid WW / Ontslagpraktijk en WW (2006)
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258984:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
SER-advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005.
SER-advies Ontslagpraktijk en Werkloosheidswet 2005.
SER-advies Ontslagpraktijk en Werkloosheidswet 2005, p. 49-61.
SER-advies Ontslagpraktijk en Werkloosheidswet 2005, p. 45-59.
SER-advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005, p. 37.
SER-advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005, p. 37.
SER-advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005, p. 38.
SER-advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005, p. 132; SER-advies Ontslagpraktijk en Werkloosheidswet 2005, p. 62.
SER-advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005, p. 131-133; SER-advies Ontslagpraktijk en Werkloosheidswet 2005, p. 61-64.
SER-advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005, p. 8, 131-133; SER-advies Ontslagpraktijk en Werkloosheidswet 2005, p. 61-64.
Op 15 april 2006 kwam de SER met een tweetal adviezen over de WW, namelijk het advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet (05/05)1 en het advies Ontslagpraktijk en Werkloosheidswet (05/06).2 In het advies Ontslagpraktijk en Werkloosheidswet wordt het kabinetsvoorstel behandeld tot beperking van de verwijtbaarheidstoets tot die gevallen waarin de werknemer zelf ontslag neemt of de werknemer ontslagen wordt als voorzienbaar gevolg van verwijtbaar gedrag jegens de werkgever.3 Het advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet verwijst naar het advies Ontslagpraktijk en Werkloosheidswet en neemt de conclusies uit dat advies over.
In het advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet adviseerde de SER positief over het kabinetsvoornemen om de toetsing van verwijtbaarheid van het ontslag te beperken.4 Dit positief advies kwam voort uit een veranderende houding ten opzichte van de rol van de WW. De WW moest naar het oordeel van de SER meer een smeeroliefunctie op de arbeidsmarkt krijgen.5 De voorstellen voor wijziging van de WW moesten leiden tot een bevordering van de mobiliteit en flexibiliteit van de arbeidsmarkt. Ondernemingen zouden meer mogelijkheden moeten krijgen om zich aan te passen aan de veranderende (bedrijfs)economische omstandigheden. De SER schetste de noodzaak voor activering van werklozen door het bevorderen van arbeidsdeelname en terugdringing van uitkeringsafhankelijkheid. Deze doelstellingen waren economisch noodzakelijk voor de financiering van de WW, maar ook sociaal noodzakelijk omdat meer werknemers op de arbeidsmarkt zou leiden tot verminderde armoede en verminderde uitsluiting in de maatschappij. De inrichting van de WW moest die beoogde dynamiek van de arbeidsmarkt ondersteunen. Het versoepelen van de ontslagpraktijk in combinatie met (onder andere) het voorstel tot beperking van de verwijtbaarheidstoets zouden die doelstellingen ondersteunen.6
De SER onderschreef dat inkomensbescherming in geval van werkloosheid nog steeds een belangrijke doelstelling was, maar door een relatief soepele toetredingstoets tot een WW-uitkering zou de WW ook een smeeroliefunctie gaan vervullen. De functie van inkomensbescherming zag op een relatief korte periode waarin de werknemer zich kon (her)oriënteren op de arbeidsmarkt. Een beroep op een WW-uitkering zou in die periode als een te verantwoorden investering worden beschouwd. Die periode van heroriëntatie om vervolgens een andere baan te accepteren werd ook wel de trampolinefunctie van de WW genoemd.7
De SER meende dat een vergaande vermindering van de pro-formaproblematiek van groot belang was voor de versoepeling van de ontslagpraktijk en een betere werking van de arbeidsmarkt. Dit zou immers tot een kostenreductie voor de uitvoeringsorganen, werkgevers en werknemers leiden. Het kabinet was voornemens de verwijtbaarheidstoets te beperken tot twee gevallen, namelijk in het geval de werknemer zelf ontslag nam en in het geval de werknemer ontslagen werd als voorzienbaar gevolg van verwijtbaar gedrag jegens de werkgever. Het kabinetsvoorstel veranderde niks aan de toetsing door het UWV in het eerste geval: de werknemer heeft zelf de dienstbetrekking beëindigd zonder dat aan de voorzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van de werknemer zou kunnen worden gevergd.8
De SER had wel bezwaren tegen het door het kabinet voorgestelde criterium in het tweede geval van de verwijtbare werkloosheidstoets: de werknemer wordt ontslagen als voorzienbaar gevolg van verwijtbaar gedrag jegens de werkgever. Dit criterium zou zien op de gevallen waarin de werknemer zich zodanig verwijtbaar had gedragen dat hij zich had moeten realiseren dat dit de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.9 De SER meende dat dit reeds de norm was onder artikel 24 lid 2 onder a WW; de wijziging zou daarom nog steeds tot onzekerheid leiden over de noodzaak van verweer tegen het ontslag. Het zou voor de werknemer nog steeds moeilijk in te schatten zijn wanneer het UWV zou oordelen dat het ontslag het voorzienbare gevolg van diens gedrag was geweest. De pro-formaproblematiek zou daardoor niet worden teruggedrongen. De SER stelde daarom voor om de toets scherper af te bakenen door deze te beperken tot de gevallen waarin de werknemer op staande voet is ontslagen wegens een ‘dringende reden’ (in de zin van artikel 7:678 BW) of de arbeidsovereenkomst is ontbonden door de rechter op verzoek van de werkgever wegens een dringende reden. Dit voorstel zou tevens een vereenvoudiging van de uitvoering met zich meebrengen, omdat het UWV dan alleen moest nagaan of het door de werkgever gegeven ontslag of de door hem geïnitieerde ontbinding gebaseerd was op een dringende reden.10