Einde inhoudsopgave
Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg (MSR nr. 74) 2019/6.4.4
6.4.4 Oud recht: Aanbeveling 3.7 en Bulut/Troost
Mr. N. Jansen, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. N. Jansen
- JCDI
JCDI:ADS394682:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Sinds 1 juli 2005 is het ontslagvergoedingenrecht gewijzigd. Werknemers kunnen geen aanspraak meer maken op een ontbindingsvergoeding of een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Werknemers kunnen onder vigeur van het nieuwe recht aanspraak maken op een transitievergoeding (en eventueel een billijke vergoeding). Bij cao kan van de transitievergoeding worden afgeweken, in die zin dat wanneer in een cao een gelijkwaardige voorziening is opgenomen, dat een aan de cao gebonden werkgever de transitievergoeding dan niet verschuldigd is ten aanzien van aan de cao gebonden werknemers of wanneer toepasselijkheid van de cao anderszins is overeengekomen (zie hierover: Kamerstukken II 2016/17, 34699, 4, p. 9-10). Daarbij geldt niet als vereiste dat de cao met voldoende representatieve vakorganisaties is overeengekomen. Voldoende is dat de vakorganisatie die de cao afsluit minimaal twee jaar in het bezit is van rechtspersoonlijkheid, leden heeft onder de groep werknemers waarvoor de cao gaat gelden, in de onderneming of bedrijfstak werkzaam is en zich statutair ten doel heeft gesteld de belangen van haar leden als werknemer te behartigen (zie paragraaf 3.5.2.7).
Ktr. Heerenveen 2 september 2004, JIN 2004/10.
Ktr. Amsterdam 28 februari 2006, JAR 2006/87.
Ktr. Haarlem 9 oktober 2006, RAR 2007/9.
Gerechtshof Amsterdam 5 juni 2008, JIN 2008/689.
Ktr. Utrecht 3 januari 2012, RAR 2012/48.
Ktr. Heerlen 12 januari 2005, RAR 2005/34.
Ktr. Amsterdam 28 februari 2006, JAR 2006/87.
Ktr. Zutphen 27 maart 2013, JAR 2013/116.
Noot M.P. Vogel bij Ktr. Zutphen 27 maart 2013, JAR 2013/116.
Ktr. Almere 10 januari 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:62. Zie ook: Ktr. ‘s-Hertogenbosch 1 maart 2018, AR 2018-0278 en Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 20 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:685.
De oude aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters bepaalden (zoals besproken in paragraaf 3.5.2.1 en 6.2) in aanbeveling 3.7 dat de kantonrechter in ontbindingsprocedures wat de vergoeding betreft, in beginsel een sociaal plan volgt, mits dat plan is overeengekomen met tot de cao onderhandelingen in de sector toegelaten dan wel anderszins voldoende representatieve vakorganisaties. Uit het arrest Bulut/Troost volgt dat deze aanbeveling reflexwerking had bij het vaststellen van de oude kennelijk-onredelijk-ontslagvergoeding.1
In de toelichting bij aanbeveling 3.7 is opgemerkt dat de vraag of een sociaal plan is afgesloten door voldoende representatieve bonden beantwoord kan worden aan de hand van de criteria die in de rechtspraak zijn ontwikkeld op het terrein van de toelating tot het cao-overleg. Uitgangspunt is daarbij – volgens de toelichting – dat (een) vakorganisatie(s) in ieder geval (evident) representatief beschouwd wordt (worden) in het geval zij respectievelijk bijna 25% en meer dan 20% van het personeel vertegenwoordigt (of bij meerdere vertegenwoordigen), of een aanzienlijk aantal leden telt binnen een bepaalde categorie en dat van andere organisaties (binnen die categorie) overtreft.
In 2004 oordeelde de Kantonrechter Heerenveen over een sociaal plan dat zonder FNV Bondgenoten maar met CNV Dienstenbond en De Unie tot stand was gekomen, dat FNV Bondgenoten weliswaar de grootste vakbond was, maar dat dit nog niet meebrengt dat het sociaal plan is afgesloten met onvoldoende representatieve vakorganisaties. Uit de uitspraak blijkt niet wat de organisatiegraad van de betrokken vakbonden was noch of CNV Dienstenbond en De Unie waren toegelaten tot de reguliere cao-onderhandelingen.2
De Kantonrechter Amsterdam oordeelde in 2006 over FNV Kiem, die als werknemersorganisatie partij was bij een sociaal plan, dat zij niet als een representatieve vakorganisatie kon worden aangemerkt. FNV Kiem vertegenwoordigde slechts 4 van de 150 werknemers op wie het sociaal plan betrekking had. Daarbij kwam dat FNV Kiem een qua beroep slechts selectief deel van de werknemers vertegenwoordigde en geen affiniteit had met de overige werknemers, hetgeen kan leiden tot selectieve belangenbehartiging. De kantonrechter overwoog dat toch ten minste 20% van de werknemers vertegenwoordigd diende te zijn. De 20% kan bestaan uit de leden bij de onderneming werkzaam of kan berusten op een mandaat van een zodanig aantal van de werknemers van de betrokken onderneming gegeven voorafgaande aan de onderhandelingen.3
De Kantonrechter Haarlem oordeelde in 2007 dat een met FNV Bondgenoten afgesloten sociaal plan niet gevolgd hoefde te worden. Hoewel FNV Bondgenoten een tot de cao-onderhandelingen toegelaten vakbond was, achtte de kantonrechter doorslaggevend dat niet kon worden vastgesteld dat FNV Bondgenoten meer dan 20% van de werknemers vertegenwoordigde. Volgens de kantonrechter kon niet worden gezegd dat FNV representatief was voor alle werknemers die onder het sociaal plan vielen. Daar kwam bij dat het plan ook niet breed werd gedragen.4 Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde over ditzelfde sociaal plan en de betrokkenheid van FNV Bondgenoten, dat niet gezegd kan worden dat aan het sociaal plan geen betekenis toekomt. Het hof overwoog het volgende: ‘FNV Bondgenoten is een te goeder naam en faam bekend staande vakorganisatie. Appellant heeft niet gesteld dat de genoemde vakbond niet kan worden geacht de belangen van de betrokken werknemers op behoorlijke wijze te behartigen, terwijl deze vakbond als onderhandelingspartner over het sociaal plan nu juist de instemming had van de ondernemingsraad.’5
Opvallend is de uitspraak van de Kantonrechter Utrecht uit 2012. De kantonrechter overwoog dat aanbeveling 3.7 niet meebrengt dat onderzocht moet worden of FNV Bondgenoten wel een voldoende grote representativiteit vertegenwoordigt, uitgedrukt in percentages. Volgens de kantonrechter is een discussie over de representativiteit van FNV niet relevant, nu immers de legitimiteit bij de totstandkoming van een sociaal plan als bedoeld in art. 3 WMCO of anderszins ligt in de bijzondere aard van de vakbond, zoals opgenomen in het vereiste van art. 3 lid 4 WMCO dat een vakbond een belanghebbende vereniging moet zijn (zie paragraaf 3.5.2.5 over de eisen die de WMCO in dit kader stelt). Ten slotte vond de kantonrechter relevant dat aannemelijk is gemaakt dat andere bonden dan FNV Bondgenoten niet mee wilden onderhandelen.6
De laatste uitspraak die ik in dit kader bespreek is van de Kantonrechter Heerlen uit 2005. Onder verwijzing naar het arrest Bulut/Troost stelde de kantonrechter voorop dat de Hoge Raad niet duidelijk heeft gemaakt wat dient te worden verstaan onder ‘representatieve vakbond’. Hoewel de kantonrechter gelijk heeft dat in de overwegingen van de Hoge Raad geen verwijzing is te vinden naar hetgeen de aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters hierover opmerken, miskent de kantonrechter naar mijn mening dat er geen misverstand over kan bestaan dat de Hoge Raad met het begrip ‘voldoende representativiteit’ in combinatie met het sociaal plan aansluiting heeft gezocht bij voornoemde aanbevelingen. Daarvoor is nog meer reden in het licht van de conclusie van de A-G voor dit arrest, waarin de A-G expliciet verwijst naar de aanbevelingen. Hoe dan ook, de Kantonrechter Heerlen heeft een eigen invulling gegeven aan het begrip voldoende representativiteit. De kantonrechter heeft vooropgesteld dat aan de eis van representativiteit voldaan moet worden teneinde te rechtvaardigen dat de rechtspositie van de ongebonden werknemer tegen zijn wil door het sociaal plan beïnvloed wordt. Dat FNV (een nadere specificering van de betrokken vakbond ontbreekt in het vonnis), de vakbond die het sociaal plan had afgesloten, minder dan 20% van de werknemers vertegenwoordigde, kon volgens de Kantonrechter Heerlen evenwel niet het oordeel dragen dat aan het vereiste van representativiteit niet was voldaan. Volgens de kantonrechter gaat het immers bij de representativiteiteis in dit verband immers niet zozeer om de representativiteit van de vakbond maar van het sociaal plan. De kantonrechter heeft vervolgens verwezen naar de wijze waarop tot verbindendverklaring wordt gekomen (zie hierover paragraaf 3.5.2.4 en hoofdstuk 7). De draagvlakbenadering die bij verbindendverklaring tot uitgangspunt wordt genomen zou volgens de kantonrechter ook kunnen worden gehanteerd bij de vraag of een sociaal plan de rechtspositie van een ongebonden werknemer tegen zijn wil kan beïnvloeden, met dien verstande dat bij het sociaal plan alleen op daadwerkelijke en niet veronderstelde toepasselijkheid dient te worden gelet. In casu bleek dat 41 van de 43 werknemers die onder de werkingssfeer van het sociaal plan vielen, akkoord waren gegaan met het plan. Gelet op die overwegende meerderheid achtte de kantonrechter het gerechtvaardigd dat ook de rechtspositie van de twee overige werknemers door dit plan beïnvloed werd.7 Volgens de kantonrechter was er kennelijk voldoende audience (zie hoofdstuk 3) voor het sociaal plan.
Draagvlakbenadering
De draagvlakbenadering die de Kantonrechter Heerlen in de hiervoor bespreken zaak tot uitgangspunt nam, is gedeeltelijk terug te vinden in de nog eerder in deze paragraaf besproken uitspraak van de Kantonrechter Haarlem uit 2007. De kantonrechter gebruikte de draagvlakbenadering niet als hoofdargument, maar als ondersteunend argument en niet om het sociaal plan te volgen, maar om juist tot een tegenovergestelde conclusie te komen. De kantonrechter stelde voorop dat FNV niet representatief was en daarbij kwam dat het plan niet breed werd gedragen. Bij de draagvlakbenadering komt het in feite neer op de beoordeling van wat de Fransen voldoende audience noemen (zie hoofdstuk 3). Onderzoek naar draagvlak van een cao is in het Nederlandse cao-recht overigens geen wezensvreemde figuur, nu dit bij de verbindendverklaring van cao-bepalingen al plaatsvindt. Zoals ik in hoofdstuk 3 besprak gaat het daarbij thans evenwel slechts om het draagvlak van een cao aan werkgeverszijde.
In de lagere rechtspraak lijkt de draagvlakbenadering evenwel op weinig steun te kunnen rekenen. Door de Kantonrechter Amsterdam werd in een uitspraak uit 2006 de draagvlakbenadering verworpen. De kantonrechter overwoog dat indien een bond of bonden tezamen onvoldoende representatief zijn gebleken (op basis van organisatiegraad), een werknemer niet alsnog aan het sociaal plan gebonden kan raken, zodra een meerderheid van de getroffen werknemers met toepassing van het plan op hun ontslag akkoord gaan. Dat zou betekenen dat een werknemer die weigert een op voorhand niet-representatief plan te aanvaarden, door het handelen van zijn collega’s gedwongen wordt met dat plan in te stemmen en dat uitgangspunt kan volgens de kantonrechter niet worden aanvaard.8
In 2013 trachtte werkgever Interwerk (eenzijdig) wijziging te brengen in het loon van werknemers wegens bedrijfseconomische redenen. Het betrof een loonsverlaging van 10% waarmee niet alleen de ondernemingsraad had ingestemd maar ook 69% van de werknemers (bonden waren niet betrokken). Niettemin accepteerde de Kantonrechter Zutphen deze eenzijdige loonsverlaging niet.9 Dat 69% van de werknemers had ingestemd met het voorstel bracht volgens de kantonrechter niet mee dat de rechtspositie van werknemers die niet had ingestemd daardoor diende te worden beïnvloed. Dat er door de weigering van een deel van het personeel een ongewenste tweedeling zou ontstaan kon Interwerk niet baten, omdat die tweedeling in haar eigen risico lag door het voorstel voor accordering voor te leggen. Ook de instemming van de ondernemingsraad legde weinig gewicht in de schaal omdat de ondernemingsraad in beginsel geen advies- of instemmingsrecht heeft ten aanzien van primaire arbeidsvoorwaarden. Vogel heeft zich in zijn noot bij deze uitspraak terecht afgevraagd wat de kantonrechter geoordeeld zou hebben als 98% van de werknemers had ingestemd. Zijn voorzichtige conclusie is dat de wijziging dan weleens in stand was gebleven. Het element acceptatie door anderen kan volgens Vogel doorslaggevend zijn bij de wijziging van arbeidsvoorwaarden.10 In een uitspraak uit 2018 over de eenzijdige wijziging van een pensioenregeling bij werkgever IFF, verbond de Kantonrechter Almere aan de instemming van 96% (928 van de 972) van de werknemers met een instemming van een wijziging van de pensioenregeling evenwel niet het gevolg dat de wijziging ook diende te gelden voor de 4% die zich tegen de wijziging had verzet. Opmerkelijk in deze zaak was overigens dat zowel FNV Bondgenoten, CNV Vakmensen en de ondernemingsraad met de wijziging van de pensioenregeling hadden ingestemd.11