Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/7.11
7.11 De trias politica en de politieke kringloop als kerncurriculum
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977091:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor decentralisatie, zie: H. Hennekens, Spelregels of rechtsregels tussen overheden?, ’s-Gravenhage: VNG 1986, p. 3-6.
Voorbeelden: - in linnen- H.J. Zijlstra, Inleiding tot de staatsinrichting van Nederland, Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar 1927 en P.A. Diepenhorst, Onze staatsinrichting, Zutphen: Ruys 1920, - ingenaaid- J.H.A.C. Schrijvers, Beknopt overzicht van de staatinrichting van het Koninkrijk der Nederlanden, Haarlem: Stam 1952.
Anders: Niemeyer & Wijte, Staatsinrichting, Zutphen: Thieme 1978; W. Blankert, ’Minder feiten, meer denken´, M & P 2015, 46, p. 24-25 en L. Meijs, ´Niet maar denken’, M & P 2017, 01, p. 18-19. Voor een inventarisatie van leerboeken staatsinrichting: M. Bosch e.a. (red.), De stand van zaken in het onderwijs in geschiedenis en staatsinrichting in Nederland, SLO 1991.
M.G. Hoogstraten e.a., Op weg naar 2000. De geschiedenis van 1870 tot heden, dl 2, Zutphen Thieme 1987. Deel 4: Afdeling B, no. 2: Hoofdlijnen van de Nederlandse staatsinrichting.
W. Koops & H. Franssen, Ons staatsbestel in kort bestek, Groningen: WoltersN 1973.
M. Neuteboom, ’Democratie: een staatsvorm die het waard is verdedigd te worden’, Bestuursforum 2015, 1, p. 30.
Vgl. G. Breit & P. Massing (Hrsg.), Grundfragen und Praxisprobleme der politischen Bildung. Ein Studienbuch, Bonn: Bundeszentrale für politische Bildung 1992.
Bartlema & Huizer 1960, p. 5.
Publiekrechtelijk organisatierecht versus politieke kringloop
Uit de analyse van de staatsinrichtingsboeken blijkt de trias politica tot 1990 als curriculumkern stevig in het zadel te zitten. De politieke kringloop van Easton is mondjesmaat in latere uitgaven opgenomen. De boeken van vóór 1968 zijn gericht op het zelfstandige hbs-vak staatsinrichting, voorzien van een, al dan niet artikelsgewijze, behandeling van de Grondwet, de voornaamste organieke wetten en de decentralisatie.1 Ze variëren van 40 tot 300 pagina’s, te gebruiken voor 38 lesuren per jaar in de derde klas hbs. Voor de bovenbouw hbs-a (2x 38 lesuren) kennen de methoden van De Ru en Bartlema & Huizer een tweede deel. De uitgaven voor staatsinrichting op–gymnasium, mms en mulo - in gebruik bij geschiedenis - bevatten de Grondwet en organieke wetten als thema2 Na 1968 zijn de uitgaven compacter en ook bij maatschappijleer in gebruik. Ze bevatten de Grondwet, de Provincie- en Gemeentewet en de inrichting en werking van de democratische rechtsstaat. Het accent ligt op het organisatierecht. Ieder hoofdstuk bevat in welke uitgave dan ook reproductieve vragen.3
Politieke kringloop niet direct in leerboeken aangetroffen
De trias politica vormt dus tot ver in de jaren negentig de curriculumkern. Door de in par. 4.26.3 beschreven ministeriële regeling van 1990 strijdt de politieke kringloop van Easton om voorrang met dit constitutionele leerstuk. Geen van de hiervoor vermelde uitgaven heeft de politieke systeemtheorie tot uitgangspunt genomen. Ze bleven de trias politica uitvoerig behandelen en daarna in beperkte mate de politieke kringloop. Voor de behandeling van staatsinrichting op gymnasium, mms en mulo zijn de hoofdzaken in een (laatste) hoofdstuk van het geschiedenisboek opgenomen.4 Ook zijn op deze scholen beknopte staatsinrichtingsboeken in omloop.5
Doordringen van de rechtsstaatgedachte
Over de noties staats- en regeringsvorm zijn auteurs regelmatig gestruikeld, ook buiten de school doen zich deze struikelblokken voor.6 De introductie van metajuridische aspecten van het recht komt sporadisch voor. Verder is uit de leerboeken niet van enige oefening van sociale vaardigheden of in democratische houdingen gebleken. Passages over multiculturaliteit zijn evenmin aangetroffen Dat vindt zijn voornaamste oorzaak in de cognitieve exameneisen vanaf 1863. Staatsburgerlijke vorming mag dan idealiter het toerusten van leerlingen zijn met de: (a) hoofdzaken van het staatsrecht en (b) cognitieve en sociale vaardigheden, maar dat komt in die tijd niet tot uitdrukking (zie Bijlage III). Dat is ook de reden dat de uitgaven nagenoeg geen aanzetten voor staatsburgerlijke houdingsvorming kennen.7 In de jaren zestig van de vorige eeuw melden Bartlema en Huizer als eersten als doel van staatsinrichtingsonderwijs het leerlingen doordringen van de rechtsstaatsgedachte.8
De Ru spreekt van staatsrechtvorming door het hanteren van heuristische (onderzoekende) leermethoden. Desalniettemin ontbreekt het in de uitgaven niet alleen aan begrensde houdingsaspecten, maar ook aan het oefenen van de cognitieve en sociale vaardigheden. De eisen staatsinrichting zijn tot 1990 cognitief. Met de behandeling van de politieke kringloop komen de houdingsaspecten als politiek gedrag aan bod. Maar dat is niet de hoofdmoot in de nieuwere uitgaven (zie Bijlage III).
Verborgen curriculum
De normativiteit van staatsinrichting blijft impliciet in de formele exameneisen. Ik veronderstel voor staatsinrichting en recht een niet te veronachtzamen invloed van de tv-journaals, maatschappelijke reportages en social media die buitengewoon grote invloed hebben op ieders houding bij de politieke en/of maatschappelijke dilemma's. Hoewel houdingsvorming niet in de rijksleerplannen en examenprogramma's is vermeld, levert het verborgen curriculum daaraan bijdragen. Woord en gedrag van de leraar wekken en trekken immers.