Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.4.1.2
8.4.1.2 Huidige benadering Hooggerechtshof
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS613051:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
547 U.S. 586 (2006).
555 U.S. 135 (2009).
No. 09-11328 (2011).
Deze toetsing doet denken aan de Nederlandse toetsing of het bewijsmateriaal is verkregen als rechtstreeks gevolg van het vormverzuim, zie nader par. 8.4.4.2.5 en verder.
Verwezen wordt naar Segura v. United States, 468 U. S. 796 (1984).
Verwezen wordt naar United States v. Ceccolini, 435 U. S. 268 (1978). Zie nader Kuiper 2010, par. 5.3.1.1.
Verwezen wordt naar Wong Sun v. United States, 371 U. S. 471 (1963). Zie nader Kuiper 2010, par. 5.3.1.
Als voorbeeld wijst het Hooggerechtshof op de beslissing in de zaak New York v. Harris, 495 U.S. 14 (1990) waar Harris in strijd met de grondwet in zijn woning was gearresteerd, maar het uitsluiten van het bewijs van de buiten de woning door Harris afgelegde verklaring niet het doel zou dienen van de regel die de arrestatie in de woning ongrondwettig maakte: āThe warrant requirement for an arrest in the home is imposed to protect the home, and anything incriminating the police gathered from arresting Harris in his home, rather than elsewhere, has been excluded, as it should have been; the purpose of the rule has thereby been vindicated.ā
Hier wordt in de dadelijk te bespreken dissenting opinion van raadsheer Breyer anders tegenaan gekeken.
468 U. S. 796 (1984).
495 U. S. 14 (1990).
523 U. S. 65 (1998).
468 U. S. 897 (1984).
Verwezen wordt naar United States v. Peltier, 422 U. S. 531 (1975), United States v. Leon, 468 U.S. 897 (1984), Illinois v. Krull, 480 U.S. 340 (1987).
438 U.S. 154 (1978), zie daarover nader Kuiper 2010, par. 5.3.4.
Zie par. 8.4.4.3.3.
Zie par. 8.2.2.1 en par. 8.4.4.3.2.
Zie ook Bal 2007.
Vgl. Harvard Law Review 2006, p. 174-183, waarin de argumentatie in de zaak Hudson zelfs in potentie als opmaat voor algehele afschaffing van de āexclusionary ruleā wordt gezien.
Vgl. de analyse van deze beslissing in Goldstein 2009 en in Harvard Law Review 2009, p. 153-162.
Aanhalingstekens en niet in de lijn van het betoog, maar als bron opgenomen verwijzingen naar eerdere rechtspraak liet ik voor de leesbaarheid weg uit dit citaat.
Bradley 2012, p. 9. Ook betoogt hij dat de reeks van zaken die is begonnen met de zaak Leon niet leert dat de in de afweging centraal staande ādeterrence benefitsā variĆ«ren afhankelijk van de mate van schuld aan het betreffende onrechtmatige politiehandelen, maar dat als iemand anders dan de agenten een fout hebben gemaakt, zoals de rechter of de wetgever, en de agenten in goed vertrouwen hebben op basis daarvan hebben opgetreden āthere is no bad police conduct to deterā.
Bradley 2012, p. 10.
Bradley 2012, p. 9.
Zie daarover par. 4.2.4.2.
Heldere voorbeelden van de wijze waarop het Hooggerechtshof tegenwoordig in zijn rechtspraak afweegt of de bewijsuitsluitingsregel bij schending van het Vierde Amendement moet worden toegepast, bieden de zaken Hudson v. Michigan1uit 2006 en Herring v. United States2uit 2009 en Davis v. United States uit 2011.3 Een nadere beschouwing van deze zaken geeft een goed beeld van de huidige werkwijze van het Hooggerechtshof. Onderwerp en invalshoek zijn in deze zaken telkens wat anders. Ook dat maakt gezamenlijke bespreking de moeite waard.
In Hudson lag de vraag voor of de bewijsuitsluitingsregel ook toegepast zou moeten worden op schending van de regel dat de politie zich voorafgaand aan het binnentreden van een woning als zodanig bekend moet maken, de zogenaamde āknock-and-announce ruleā. In Herring ging het om de reikwijdte van de āgood faithā exceptie in een geval waarin de opsporingsambtenaar te goeder trouw afging op onjuiste informatie uit een politiedatabank. Ook in Davis ging het om handelen te goeder trouw. In die zaak hadden agenten een auto doorzocht en handelden zij daarbij in overeenstemming met de toen in hun ācircuitā (jurisdictie) geldende federale rechtspraak, maar werd deze rechtspraak nadien in een uitspraak van het Hooggerechtshof overruled.
Hudson v. Michigan (2006)
In deze zaak waren politieagenten ter uitvoering van een huiszoekingsbevel Hudsonās woning binnengegaan met schending van de uit het Vierde Amendement voortvloeiende āknock-and-announce ruleā (kort gezegd: kloppen en āpolitieā roepen alvorens binnen te treden). In eerste aanleg was zijn beroep op bewijsuitsluiting in verband daarmee gehonoreerd, maar nadat in een interlocutoir appel deze beslissing was vernietigd, werd Hudson alsnog veroordeeld wegens drugsbezit, welke veroordeling in appel werd bekrachtigd. Het Hooggerechtshof boog zich over de vraag of schending van de āknockand- announce ruleā tot bewijsuitsluiting moet leiden.
Causaal verband en attenuation
In de ontkennende beantwoording van de voormelde vraag in de meerderheidsopinie van raadsheer Scalia wordt erop gewezen dat een noodzakelijke, doch op zichzelf niet toereikende voorwaarde voor bewijsuitsluiting is, dat het bewijsmateriaal zonder het onrechtmatig handelen niet zou zijn verkregen (ābut for causalityā). Geconcludeerd wordt dat aan die voorwaarde in dit geval niet is voldaan. Of de fout bij het binnentreden was begaan of niet, de agenten zouden het zoekingsbevel hebben uitgevoerd en de drugs en het wapen hebben gevonden.4 Maar, zelfs als de wijze van binnentreden hier als ābut for causeā zou worden aangemerkt voor het aantreffen van de contrabande, leidt dit niet automatisch tot de conclusie dat dit kan worden aangemerkt als āfruit of the poisonous treeā.5 Het causaal verband tussen de normschending en de bewijsverkrijging kan daarvoor onder omstandigheden te dun worden geacht (āattenuatedā).6 De vraag daarbij is of het bewijsmateriaal is verkregen door āexploitationā van de aanvankelijke grondwetschending, of op een daarvan zodanig te onderscheiden wijze dat het geacht kan worden vrij te zijn van de smet van die grondwetsschending.7 Gedacht kan worden aan het binnentreden en doorzoeken van een woning zonder āwarrantā in een geval waarin dat wel vereist is. Worden bij een dergelijke zoeking drugs aangetroffen dan kan dat worden gezien als het resultaat van āexploitationā van de vormfout bestaand in het ontbreken van de āwarrantā. Had de politie zich aan de regels gehouden, dan zou geen doorzoeking hebben kunnen plaatsvinden en waren de drugs niet gevonden. Bij deze toetsing spelen de aard van de geschonden norm en de feitelijke opeenvolging van gebeurtenissen een belangrijke rol.
Van āattenuationā kan ook sprake zijn als het belang tot bescherming waarvan de geschonden grondwettelijke waarborg strekt niet is gediend met de toepassing van bewijsuitsluiting.8 Dan gaat het dus niet om een te dun verband tussen verzuim en bewijsverkrijging, maar tussen geschonden norm en bewijsuitsluiting. Dat lijkt een beetje op de Nederlandse Schutznorm-toetsing (strekt de norm ter bescherming van een belang van de verdachte?), maar gaat verder, omdat ook als die vraag bevestigend is beantwoord, de aard van het betreffende belang geoordeeld kan worden geen bewijsuitsluiting te rechtvaardigen. In dit kader wordt aandacht besteed aan de vraag welke belangen met de āknock-and-announce ruleā worden gediend. Daarbij wordt geconstateerd dat de āknock-and-announce ruleā strekt ter bescherming van lijf en leden, omdat een onaangekondigd binnentreden geweld kan uitlokken van de zijde van de bewoner die in de veronderstelling kan verkeren zichzelf te moeten verdedigen. Ook strekt deze regel ter bescherming van eigendommen en van die aspecten van privacy en menselijke waardigheid waarop inbreuk kan worden gemaakt door een onverwacht binnentreden. De āknock-and-announce ruleā strekt er echter niet toe te voorkomen dat de overheid het in de āwarrantā omschreven bewijsmateriaal kan vinden en in beslag kan nemen. De conclusie dat de in dit geval geschonden belangen niets te maken hebben met inbeslagneming van bewijsmateriaal, voert op zichzelf tot de slotsom dat de bewijsuitsluitingsregel niet van toepassing is.
Kosten-baten afweging
Toch wordt nog overgegaan tot het afwegen van de kosten en de baten van toepassing van de bewijsuitsluitingsregel in situaties als de onderhavige. Begonnen wordt met een inventarisatie van de kosten die aanmerkelijk worden geacht. Bij het grote nadeel dat altijd kleeft aan het uitsluiten van relevant bewijsmateriaal, te weten het risico van vrijlating van gevaarlijke criminelen, komt hier dat een niet aflatende vloed gegenereerd zou worden van verweren waarin een beroep wordt gedaan op schending van de āknock-andannounce ruleā:
āThe cost of entering this lottery would be small, but the jackpot enormous: suppression of all evidence, amounting in many cases to a get-out-of-jail-free card. Courts would experience as never before the reality that āthe exclusionary rule frequently requires extensive litigation to determine whether particular evidence must be excludedā.ā
Daarbij wordt erop gewezen dat de feitelijke vaststellingen die in dat kader vereist zijn om een beroep op bewijsuitsluiting te kunnen beoordelen complex zijn, anders dan bijvoorbeeld het geval is bij de vraag of de āMirandaregelsā zijn nageleefd.
Een andere ākostenpostā wordt gezien in de potentieel te grote mate van āpolice-deterrenceā. Om bewijsuitsluiting te voorkomen zouden agenten langer wachten met binnentreden, hetgeen niet alleen veelvuldig zal leiden tot de vernietiging van bewijsmateriaal, maar in sommige gevallen ook tot vermijdbaar geweld.
Vervolgens behelst de meerderheidsopinie een inventarisatie van de ābatenā, in termen van de mate waarin van bewijsuitsluiting verwacht kan worden dat de politie van schendingen van de regel kan worden afgehouden. Daarbij wordt vooropgesteld dat de waarde van ādeterrenceā afhankelijk is van de sterkte van bestaande prikkels tot het schenden van de regel. Als dergelijke prikkels niet sterk zijn, is hevige ādeterrenceā ook niet nodig. Relevant is dan dat anders dan schending van het āwarrant-vereisteā ā hetgeen soms kan leiden tot de verkrijging van bewijsmateriaal dat zonder die schending niet was verkregen ā schending van de āknock-and-announce ruleā hoogstens kan leiden tot het voorkomen van het vernietigen van bewijsmateriaal of van levensgevaarlijk verzet door de bewoners. Dat zijn gevaren die, wanneer het redelijke vermoeden bestaat dat zij zich kunnen manifesteren onder de bestaande rechtspraak, een uitzondering op de āknock-and-announce ruleā toelaten. De waarde van āpolice-deterrenceā is dus gering.9
Betekenis alternatieven voor bewijsuitsluiting
Overwogen wordt dat, ook indien waar zou zijn de stelling van Hudson dat zonder bewijsuitsluiting de politie op geen enkele andere wijze wordt weerhouden van schendingen van de āknock-and-announce ruleā, dit op zichzelf geen toereikend argument vormt voor toepassing van de bewijsuitsluitingsregel. Ook de omstandigheid dat eerder in andere context en lang geleden bewijsuitsluiting noodzakelijk werd geoordeeld, is geen toereikend argument:
āThat would be forcing the public today to pay for the sins and inadequacies of a legal regime that existed almost half a century ago.ā
Dan volgt een opsomming van de mechanismen die tegenwoordig normconform gedrag aan politiezijde bevorderen. Ten eerste wordt gewezen op de mogelijkheid van een schadevergoedingsactie op grond van 42 U.S.C. §1983, waarbij het argument van Hudson dat het lastig zou zijn een advocaat te vinden voor deze zaak, verworpen wordt onder verwijzing naar de inmiddels bestaande mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand en de ontwikkelingen in de praktijk op dit terrein, waaronder het bestaan van in ācivilrightsā claims gespecialiseerde advocatenkantoren. Het Hooggerechtshof meent dat civiele aansprakelijkheid een effectieve bijdrage levert aan het weerhouden van agenten van normschending. Ten tweede wordt aandacht besteed aan de toegenomen professionaliteit van de politie in de afgelopen vijftig jaar, waarin mede de nadruk is komen te liggen op interne discipline. Er bestaat in toenemende mate bewijs voor dat de politie grondwettelijke rechten serieus neemt. Omvangrijke hervormingen hebben plaatsgevonden op het gebied van educatie, training van en supervisie over agenten. Er zijn veel leermiddelen beschikbaar en wanneer agenten onvoldoende worden opgeleid kan dat leiden tot aansprakelijkheid van de gemeente waar zij in dienst zijn. Voorts bestaat de politiestaf tegenwoordig uit professionals en kan binnen de professionele cultuur een berisping of andere sanctie opgelegd in een interne procedure aan een succesvolle carriĆØre in de weg staan. Daar gaat dus ook een disciplinerende werking vanuit. Daarnaast bestaat tevens bewijs dat verschillende vormen van toetsing van politiehandelen door burgerfora een positieve invloed heeft.
āIn sum, the social costs of applying the exclusionary rule to knock-andannounce violations are considerable; the incentive to such violations is minimal to begin with, and the extant deterrences against them are substantial ā incomparably greater than the factors deterring warrantless entries when Mapp was decided. Resort to the massive remedy of suppressing evidence of guilt is unjustified.ā
In het derde hoofdstuk van dit boek is op de relevantie van maatschappelijke ontwikkeling voor de taakvervulling door de strafrechter ingegaan.
Verhouding tot eerdere rechtspraak
In deel IV van de meerderheidsbeslissing, dat niet door raadsheer Kennedy wordt onderschreven, wordt er nog op gewezen dat de bereikte conclusie ondersteund wordt door de eerdere uitspraken in de zaken Segura v. United States,10New York v. Harris,11 en United States v. Ramirez.12
In Segura was sprake van ongrondwettig binnentreden zonder āwarrantā, waarna de agenten 19 uur wachtten op een āwarrantā en pas tot doorzoeking overgingen nadat deze was verkregen. In die zaak oordeelde het Hooggerechtshof dat alleen het door de schending verkregen bewijsmateriaal voor uitsluiting in aanmerking kwam en onderscheidde het de resultaten van het onrechtmatige binnentreden van de daarop volgende rechtmatige doorzoeking. Het zou, aldus Scaliaās opinie, bizar zijn bij het handelen in de onderhavige zaak, waarin met een āwarrantā is binnengetreden, strikter te zijn dan in Segura, waarin werd geoordeeld dat de doorzoeking in geen enkel verband stond (āwholly unrelatedā) tot het binnentreden. In de zaak Harris waren verdachtes rechten geschonden door hem in strijd met het Vierde Amendement in zijn woning zonder āwarrantā te arresteren, maar werd de later door hem op het politiebureau afgelegde verklaring niet van het bewijs uitgesloten. In die zaak stond de onrechtmatige arrestatie weliswaar aan het begin van de keten van gebeurtenissen die leidde tot het afleggen van de verklaring die kon worden beschouwd als het resultaat van een arrestatie en de daarop volgende ondervraging in hechtenis, maar werd geoordeeld dat deze niet de āvruchtā was van het feit dat de arrestatie in de woning plaatsvond in plaats van elders. Iets vergelijkbaars is in Hudson aan de hand: de vondst van de drugs en het vuurwapen was het resultaat van de zoeking op grond van een geldige āwarrantā; zij was geen āvruchtā van het feit dat het binnentreden niet vooraf was gegaan van een juiste naleving van de āknock-and-announce ruleā. In de zaak Ramirez oordeelde het Hooggerechtshof dat vernieling van eigendommen (i.c. een raam) bij de uitvoering van een āsearchā in strijd kan zijn met het Vierde Amendement, ook al is het binnentreden op zichzelf rechtmatig. Wanneer de vernieling onredelijk is, moet worden vastgesteld of er een āsufficient causal relationshipā bestaat tussen de onredelijke vernieling en de vondst van het bewijsmateriaal om bewijsuitsluiting te rechtvaardigen. āWhat clearer expression could there be of the proposition that an impermissible manner of entry does not necessarily trigger the exclusionary rule?ā, aldus deel IV van de meerderheidsopinie.
Geen structurele schending
In zijn āopinion concurring in part I-III and concurring in the judgmentā benadrukt raadsheer Kennedy dat de bewijsuitsluitingsregel op zichzelf als gevestigde regel waarvan het bereik is bepaald in de rechtspraak van het Hooggerechtshof, niet ter discussie staat. De bij het Vierde Amendement centraal staande bescherming van privacy en veiligheid in de woning zijn onverminderd belangrijk. Mede in het licht van de andere methoden tot redres is bewijsuitsluiting hier echter geen passende reactie. Daarbij wijst raadsheer Kennedy er ook op dat het niet gaat om de beoordeling van een wijd verbreide praktijk van structurele schendingen van de āknock-and-announce ruleā en op het ontbreken van het vereiste causale verband, al meent hij dat de zaken Segura en Harris hier niet relevant zijn.
Interessant is de relevantie die Kennedy toekent aan het al dan niet structurele karakter. In de derde bewijsuitsluitingsregel uit de arresten van 19 februari 2013 komt dit aspect prominent naar voren.
Dissenting opinion
In de ādissenting opinionā van raadsheer Breyer, waarbij de raadsheren Stevens, Souter en Ginsburg zich aansloten, wordt in de uitkomst van de meerderheidsopinie een wezenlijke afwijking van de eerdere rechtspraak gezien. Of de āknock-and-announce ruleā is nageleefd, is volgens die rechtspraak onderdeel van de toetsing op grond van het Vierde Amendement van de redelijkheid van een āsearchā en āseizureā, terwijl bewijsmateriaal dat is verkregen bij een onredelijke zoeking van het bewijs moet worden uitgesloten, omdat zonder die reactie de grondwettelijke waarborg een holle regel wordt. Tot zover wordt het betoog in hoofdzaak gegrond op de rechtspraak tot en met Mapp. Vervolgens wordt betoogd dat er sinds die beslissing geen betekenisvolle alternatieve wijzen zijn ontwikkeld om grondwetsconform gedrag van de politie te verzekeren. Daarbij wordt erop gewezen dat schadevergoedingsacties geen werkend alternatief vormen. De veronderstelling in de meerderheidsopinie dat dit wel zo zou zijn wordt aangemerkt als āa supportfree assumption that Mapp and subsequent cases make clear does not embody the Courtās normal approach to difficult questions of Fourth Amendment lawā. Daarbij wordt erop gewezen dat in de meerderheidsopinie niet ƩƩn zaak wordt genoemd waarin schadevergoeding is toegekend wegens schending van de āknock-and-announce ruleā, terwijl aanwijzingen bestaan dat wel degelijk sprake is van een wijdverbreid patroon van schendingen van deze regel.
Vervolgens wordt erop gewezen dat het Hooggerechtshof slechts enkele uitzonderingen op de bewijsuitsluitingsregel heeft aanvaard, te weten (1) wanneer niet of nauwelijks het met de regel nagestreefde effect wordt bereikt, welke gedachte ten grondslag lag aan de āgood faith exceptieā en aan het soms toegelaten gebruik van ongrondwettig verkregen bewijsmateriaal in āimpeachment proceduresā, en (2) wanneer het gaat om het gebruik van zulk bewijsmateriaal in andere procedures dan bij het onderzoek ter terechtzitting (ātrialā) in een strafzaak. Geen van die situaties doet zich hier voor. Ook zijn de kosten waarop in de meerderheidsopinie wordt gewezen niet anders dan in andere zaken waarin bewijsuitsluiting is voorgeschreven. De manier waarop in de meerderheidsopinie met causaliteit wordt omgegaan, wordt evenmin overtuigend geacht. Het voor de zoeking vereiste binnentreden is āonlosmakelijk gekarakteriseerdā door de daarbij begane schending van de āknock-and-announce ruleā. ā(...) separating the āmanner of entryā from the related search slices the line too finely.ā Een verkeerde uitleg zou worden gegeven aan de āindependent source doctrineā en de āinevitable discovery doctrineā. Daarbij is immers niet bepalend wat hypothetisch gesproken zou kunnen zijn gebeurd als de politie niet onrechtmatig zou hebben gehandeld, maar wat zou zijn gebeurd (1) ongeacht (niet eenvoudigweg: zonder) het onrechtmatige handelen en (2) onafhankelijk van dat onrechtmatige handelen.
āThe question is not what the police might have done had they not behaved unlawfully. The question is what did they do. Was there set in motion an independent chain of events that would have inevitably led to the discovery and seizure of the evidence despite, and independent of that behaviour? The answer is ānoā.ā
Dat de politie beschikte over een āwarrantā doet daaraan in de visie van de ādissentersā niet af, omdat geen sprake was van (een op zichzelf ook mogelijke) āwarrantā die de politie bevoegd maakte tot het uitvoeren van een zoeking zonder naleving van de āknock-and-announce ruleā. Miskend wordt dat de zoeking door de wijze van binnentreden onrechtmatig is en dat bewijs dat wordt gevonden bij een dergelijke zoeking volgens vaste rechtspraak moet worden uitgesloten.
Voorts wordt āattenuationā in de vorm dat het belang dat de geschonden norm beoogt te beschermen niet is gediend met bewijsuitsluiting, nieuw genoemd. Er is voor die vorm van āattenuationā geen steun te vinden in eerdere rechtspraak. Ook wordt geen recht gedaan aan het gewicht van het belang van privacy in de woning, ter bescherming waarvan de āknock-and-announce ruleā mede strekt.
Ook wordt nog ingegaan op het in de meerderheidsopinie gemaakte punt dat wanneer bewijsuitsluiting de reactie zou zijn op schending van de regel, dit kan leiden tot te afwachtend politieoptreden (zogenaamde āoverdeterrenceā). Daarvan wordt geoordeeld dat deze kritiek zich in feite tegen de āknock-and-announce ruleā richt, terwijl de rechtspraak over die regel al de nodige ruimte biedt om ervan af te wijken als de omstandigheden daar aanleiding toe geven. Als de OvJ in deze zaak had ingezet op het aanwezig zijn van een situatie waarin het niet vereist was te kloppen en zichzelf bekend te maken zou dat betoog zijn aanvaard en was om die reden geen bewijsuitsluiting gevolgd.
De zaken Segura, Harris en Ramirez worden in de ādissenting opinionā onderscheiden van de voorliggende zaak. Anders dan in Segura is hier geen van het onrechtmatig handelen onafhankelijke gebeurtenis die het verband tussen dat handelen en de bewijsverkrijging doorbreekt. De vergelijking met Harris gaat niet op omdat de schending van de āknock-and-announce ruleā in dit geval de zoeking in de woning onrechtmatig maakt, terwijl bij die zoeking het bewijsmateriaal is aangetroffen. In Harris was het in de woning verkregen bewijsmateriaal uitgesloten, maar werd alleen de op het politiebureau afgelegde verklaring toelaatbaar geoordeeld. In Ramirez was het binnentreden zelf rechtmatig: hier niet.
Dat in dit geval de kosten van de bewijsuitsluitingsregel niet opwegen tegen de baten is een oordeel dat de ādissentersā niet delen, gelet op het belang van de āknock-and-announce ruleā, de richting waarin eerdere rechtspraak wijst en het gebrek aan andere betekenisvolle middelen om normconform politiehandelen te bevorderen. Afgesloten wordt met de volgende overweging:
ā(...) our Fourth Amendment traditions place high value upon protecting privacy in the home. They emphasize the need to assure that its constitutional protections are effective, lest the Amendment āsound the word of promise to the ear but break it to the hopeā. They include an exclusionary principle, which since Weeks has formed the centerpiece of the criminal lawās effort to ensure the practical reality of those promises. That is why the Court should assure itself that any departure from that principle is firmly grounded in logic, in history, in precedent, and in empirical fact. It has not done so.ā
Herring v. United States (2009)
In de zaak Herring werd Herring door agenten in āCoffee Countyā gearresteerd, omdat in de database van het naburige āDale Countyā was opgenomen dat een arrestatiebevel tegen hem uitstond. Bij hem werden drugs en een vuurwapen aangetroffen. Vervolgens bleek dat het desbetreffende arrestatiebevel al maanden eerder ingetrokken was, maar dat verzuimd was die informatie in de database te verwerken. In eerste aanleg werd wel een schending aangenomen van het Vierde Amendement, maar werd de bewijsuitsluitingsregel niet toepasselijk geacht. Ook in appel werd Herringās beroep op bewijsuitsluiting verworpen onder verwijzing naar de āgood faith exceptieā uit United States v. Leon,13 waarin politieagenten te goeder trouw waren afgegaan op een door een magistraat verstrekte āwarrantā, die later ongeldig bleek te zijn.
Kosten-baten afweging en de betekenis van de mate van schuld
In de door voorzitter Roberts geschreven meerderheidsopinie wordt na een samenvatting van de feiten, wederom eerst het in de vorige paragraaf weergegeven beoordelingskader uiteengezet, waarin het aankomt op een afweging van de kosten van bewijsuitsluiting tegen de in termen van āpolicedeterrenceā te verwachten baten. In dat verband wordt overwogen dat die baten het grootst kunnen worden geacht waar het gaat om opzettelijke schendingen, omdat die gedachte onder meer ook ten grondslag ligt aan de beslissing in de zaak Leon. In die zaak werd beslist dat de bewijsuitsluitingsregel niet van toepassing is indien de agenten handelden āin objectively reasonable relianceā op de later ongeldig verklaarde āwarrantā. Na een bespreking van de verdere rechtspraak over de āgood faith exceptieā wordt geconstateerd dat daarin vooralsnog de vraag onbeantwoord is gebleven of bewijsuitsluiting moet volgen indien politiepersoneel verantwoordelijk is voor de onjuiste informatie waarop de agenten zijn afgegaan.
Bij de beantwoording van die vraag wordt er eerst op gewezen dat de zin van toepassing van de bewijsuitsluitingsregel in verband staat met de mate van schuld aan politiezijde ten aanzien van de desbetreffende schending. Een waardering van de āflagrancy of the police misconductā is daarom een belangrijk onderdeel van de beantwoording van de voorliggende vraag.14 Vervolgens worden enkele oudere beslissingen behandeld, die aanleiding gaven tot de ontwikkeling van de bewijsuitsluitingsregel, waaronder Weeks en Mapp, waarbij wordt vastgesteld dat daarin telkens sprake was van opzettelijke en grove schendingen van het Vierde Amendement.
āAn error that arises from nonrecurring and attenuated negligence is thus far removed from the core concerns that led us to adopt the rule in the first place. (...) To trigger the exclusionary rule, police conduct must be sufficiently deliberate that exclusion can meaningfully deter it, and sufficiently culpable that such deterrence is worth the price paid by the justice system. As laid out in our cases, the exclusionary rule serves to deter deliberate, reckless, or grossly negligent conduct, or in some circumstances recurring or systemic negligence. The error in this case does not rise to that level.ā
Deze analyse wordt vervolgens nader gemotiveerd aan de hand van een bespreking van de zaak Franks v. Delaware,15 waarin het eveneens ging om onjuiste door de politie verstrekte informatie en waarin onachtzaamheid aan politiezijde geen bewijsuitsluiting rechtvaardigde. Benadrukt wordt nog dat het gaat om een objectieve analyse aan de hand van alle omstandigheden van het geval en niet om een onderzoek naar het āsubjectieve bewustzijn van de arresterende agentenā.
Het voorgaande wil niet zeggen dat alle fouten in het kader van het bijhouden van databestanden immuniteit van de bewijsuitsluitingsregel genieten. Indien bijvoorbeeld de politie aantoonbaar roekeloos is geweest bij het bijhouden van een systeem waarin uitstaande arrestatiebevelen zijn opgenomen of welbewust onjuiste informatie aan een dergelijk systeem toevoegt om de basis te leggen voor onrechtmatige arrestaties, is bewijsuitsluiting zeker aangewezen. De vrees dat deze beslissing zal leiden tot het opzettelijk onwetend houden van agenten is daarom ongegrond. Wat betreft de verwijzing in de ādissenting opinionā naar de mogelijke onbetrouwbaarheid van een aantal hier niet relevante databases, geldt dat ook het afgaan op een onbetrouwbaar āwarrant systemā roekeloos kan zijn. Er is echter geen bewijs dat de fouten in het systeem van āDale Countyā wijdverbreid zijn. Verscheidene getuigenverklaringen in deze zaak wijzen juist op het tegendeel.
āIn light of our repeated holdings that the deterrent effect of suppression must be substantial and outweigh any harm to the justice system (...) we conclude that when police mistakes are the result of negligence such as that described here, rather than systemic error or reckless disregard of constitutional requirements, any marginal deterrence does not āpay its wayā. (...). In such a case, the criminal should not āgo free because the constable has blunderedā.ā
Ook hier dus weer aandacht voor het niet-structurele karakter van de geconstateerde vormfout (āsystemic errorā), die sinds de arresten van de Hoge Raad van 19 februari 2013 in de Nederlandse rechtspraak redden kan vormen voor de toepassing van bewijsuitsluiting.16 In die arresten is ook de aandacht voor de verwijtbaarheid die in Herring een promimente rol speelt te herkennen.17
Dissenting opinion
In de ādissenting opinionā van raadsheer Ginsburg, waarbij de raadsheren Stevens, Souter en Breyer zich hebben aangesloten, wordt op twee gronden van de meerderheidsopinie afgeweken. Ten eerste vanwege de andere visie op de betekenis en rol van de bewijsuitsluitingsregel en ten tweede vanwege de andere waardering van de ernst van fouten in politiebestanden.
Wat betreft het eerste punt wordt in de ādissenting opinionā uiteengezet dat wordt uitgegaan van āa more majestic conceptionā van het Vierde Amendement en de bijbehorende bewijsuitsluitingsregel. Aan de bewijsuitsluitingsregel wordt een ruimere werking toegedacht. Zij strekt niet alleen tot het weerhouden van de politie van toekomstige opzettelijke of flagrante inbreuken op het Vierde Amendement. De regel dient ook andere doelen, zoals het waarborgen van de integriteit van de rechtspraak (āavoid the taint of partnership in official lawlessnessā) en het verzekeren aan de burgers ā elk van hen een potentieel slachtoffer van onrechtmatig overheidshandelen ā dat de overheid niet profiteert van zijn eigen onrechtmatig gedrag, waardoor de kans op het ondermijnen van het vertrouwen in de overheid wordt geminimaliseerd. De bewijsuitsluitingsregel wordt voorts de enige beschikbare en tevens een zeer effectieve remedie geacht: daarvan valt te verwachten dat de zorgvuldigheid van het bijhouden van gegevensbestanden meer aandacht krijgt.
Met betrekking tot het tweede punt wordt opgemerkt dat elektronische gegevensbestanden het zenuwstelsel vormen van de tegenwoordige strafrechtshandhaving. Het risico dat daarin fouten worden gemaakt is niet gering, terwijl de gevolgen daarvan ingrijpend kunnen zijn. Weinig geruststellend wordt geacht de opmerking in de meerderheidsopinie dat in geval van roekeloze, opzettelijke of stelselmatige onjuistheden wel bewijsuitsluiting volgt, omdat (1) door de beperking tot gevallen van roekloosheid slachtoffers als Herring zonder remedie blijven voor de schending van hun aan het Vierde Amendement te ontlenen rechten, (2) betwijfeld kan worden of daarmee voor de politie voldoende prikkels bestaan de gegevensbestanden up-to-date te houden en (3) het bewijs daarvan niet of nauwelijks te leveren zal zijn. Kortom:
āNegligent recordkeeping errors by law enforcement threaten individual liberty, are susceptible to deterrence by the exclusionary rule, and cannot be remedied effectively through other means.ā
Good faith en fouten van politie
In een afzonderlijke ādissenting opinionā van raadsheer Breyer, waarbij raadsheer Souter zich aansloot, wordt nog een verschil benadrukt met eerdere gevallen waarin een beroep op de āgood faithā exceptie aan bewijsuitsluiting in de weg stond. In die gevallen ging het steeds om fouten aan de zijde van de rechter en niet om fouten aan politiezijde. Dat verschil is relevant, omdat (1) de bewijsuitsluitingsregel ertoe strekt onrechtmatig politiehandelen te voorkomen, niet ter vermijding van vergissingen van rechter of rechtbankpersoneel, (2) geen aanwijzingen bestaan dat de rechter of rechtbankpersoneel geneigd zijn het Vierde Amendement niet na te leven, of dat zij onvoldoende respect hebben voor het recht, zodat de extreme sanctie van bewijsuitsluiting ter bevordering daarvan gerechtvaardigd zou zijn, en (3) niet verwacht werd dat toepassing van de bewijsuitsluitingsregel grote invloed zou hebben op het rechtbankpersoneel dat verantwoordelijk is voor het informeren van de politie dat een āwarrantā ongeldig is verklaard, aangezien zij geen deel uit maken van het opsporingsapparaat en geen belang hebben bij de uitkomst van individuele strafvervolgingen. Tot slot wordt erop gewezen dat het trekken van de scheidslijn tussen fouten aan de zijde van de rechter en fouten aan politiezijde eenvoudiger toepasbaar is voor de lagere rechter, dan de ācase-by-caseā benadering van de meerderheidsopinie, waarbij steeds een onderzoek naar de mate van schuld aan politiezijde noodzakelijk is.
Een eerste observatie, die door de beslissingen Hudson en Herring wordt opgeroepen, is dat de kritiek op de tegenwoordig bij toepassing van de bewijsuitsluitingsregel gemaakte afweging van kosten en baten ā āunlawfully obtained evidence must be excluded whenever five votes say soā18 ā wel begrijpelijk is. In beide zaken is sprake van een krappe meerderheid en komen de verschillen met de minderheid voor een belangrijk deel voort uit verschil in waardering van de kosten en baten van toepassing van de bewijsuitsluitingsregel, al valt op dat in de ādissenting opinionā van raadsheer Ginsburg nog aan een principiĆ«ler opvatting omtrent de regel wordt vastgehouden, waarin voor weging van voor- en nadelen minder ruimte lijkt te bestaan.
Interessant is verder dat beide beslissingen illustreren hoe nauw de toepassing van de bewijsuitsluitingsregel of het achterwege laten daarvan kan worden toegesneden op de omstandigheden van het geval. Ook markeren de beslissingen de voortschrijdende ontwikkeling in de toepassing van de bewijsuitsluitingsregel. In zijn āconcurring opinionā bij de zaak Hudson benadrukt raadsheer Kennedy dat de bewijsuitsluitingsregel op zichzelf niet ter discussie staat. Klaarblijkelijk gaf de motivering van de meerderheidsopinie hem aanleiding tot het maken van die opmerking.19 Wanneer het Hooggerechtshof in meer gevallen betekenis gaat toekennen aan de tamelijk breed uitgemeten toegenomen betekenis van alternatieve manieren ter bevordering van normconform gedrag aan politiezijde, kan dat een nieuwe lijn vormen waarlangs het bereik van de bewijsuitsluitingsregel kan worden ingeperkt.20 Diezelfde potentie heeft de argumentatie in de zaak Herring, waarin aan de mate van schuld aan de zijde van de inbreukmakende politieambtenaar grote betekenis wordt toegekend. Ook daarvoor geldt dat, als die gedachtegang wordt doorgetrokken in de gehele rechtspraak over de bewijsuitsluitingsregel, daarvan een sterk beperkend effect kan uitgaan.21
Davis v. United States (2011)
In de zaak Davis is op de weg die met de zaak Herring is ingeslagen voortgegaan wat betreft het benadrukken van de relevantie van de mate van schuld. In die zaak was door de agenten geen fout gemaakt. Ze handelden in overeenstemming met het geldende recht, maar dat recht werd nadien door het Hooggerechtshof overruled. Dat er in die omstandigheden geen reden is tot toepassing van bewijsuitsluiting ligt met de focus op de goede trouw die Herring kenmerkt voor de hand. In Davis werd in de meerderheidsopinie onder meer overwogen:
āThe Fourth Amendment protects the right of the people to be secure in their persons, houses, papers, and effects, against unreasonable searches and seizures. The Amendment says nothing about suppressing evidence obtained in violation of this command. That rule ā the exclusionary rule ā is a prudential doctrine, created by this Court to compel respect for the constitutional guaranty.
Exclusion is not a personal constitutional right, nor is it designed to redress the injury occasioned by an unconstitutional search. The ruleās sole purpose, we have repeatedly held, is to deter future Fourth Amendment violations (calculated to prevent, not to repair). Our cases have thus limited the ruleās operation to situations in which this purpose is thought most efficaciously served. Where suppression fails to yield appreciable deterrence, exclusion is clearly unwarranted.
Real deterrent value is a necessary condition for exclusion, but it is not a sufficient one. The analysis must also account for the substantial social costs generated by the rule. Exclusion exacts a heavy toll on both the judicial system and society at large. It almost always requires courts to ignore reliable, trustworthy evidence bearing on guilt or innocence. And its bottom-line effect, in many cases, is to suppress the truth and set the criminal loose in the community without punishment. Our cases hold that society must swallow this bitter pill when necessary, but only as a last resort. For exclusion to be appropriate, the deterrence benefits of suppression must outweigh its heavy costs.
Admittedly, there was a time when our exclusionary rule cases were not nearly so discriminating in their approach to the doctrine. Expansive dicta in several decisions, suggested that the rule was a self-executing mandate implicit in the Fourth Amendment itself. As late as our 1971 decision in Whiteley v. Warden, Wyo. State Penitentiary, 401 U. S. 560, 568ā569, the Court treated identification of a Fourth Amendment violation as synonymous with application of the exclusionary rule.
In time, however, we came to acknowledge the exclusionary rule for what it undoubtedly is ā a judicially created remedy of this Courtās own making. We abandoned the old, reflexive application of the doctrine, and imposed a more rigorous weighing of its costs and deterrence benefits.
In a line of cases beginning with United States v. Leon, 468 U. S. 897, we also recalibrated our cost-benefit analysis in exclusion cases to focus the inquiry on the flagrancy of the police misconduct at issue. The basic insight of the Leon line of cases is that the deterrence benefits of exclusion vary with the culpability of the law enforcement conduct at issue. When the police exhibit deliberate, reckless, or grossly negligent disregard for Fourth Amendment rights, the deterrent value of exclusion is strong and tends to outweigh the resulting costs. But when the police act with an objectively reasonable good faith belief that their conduct is lawful, or when their conduct involves only simple, isolated negligence, the deterrence rationale loses much of its force, and exclusion cannot pay its way. (ā¦)
Police practices trigger the harsh sanction of exclusion only when they are deliberate enough to yield meaningful deterrence, and culpable enough to be worth the price paid by the justice system. The conduct of the officers here was neither of these things. The officers who conducted the search did not violate Davisās Fourth Amendment rights deliberately, recklessly, or with gross negligence. Nor does this case involve any recurring or systemic negligence on the part of law enforcement. The police acted in strict compliance with binding precedent, and their behavior was not wrongful. Unless the exclusionary rule is to become a strict-liability regime, it can have no application in this case. (ā¦)
About all that exclusion would deter in this case is conscientious police work. Responsible law-enforcement officers will take care to learn what is required of them under Fourth Amendment precedent and will conform their conduct to these rules. But by the same token, when binding appellate precedent specifically authorizes a particular police practice, welltrained officers will and should use that tool to fulfill their crime-detection and public-safety responsibilities. An officer who conducts a search in reliance on binding appellate precedent does no more than act as a reasonable officer would and should act under the circumstances. The deterrent effect of exclusion in such a case can only be to discourage the officer from doing his duty. That is not the kind of deterrence the exclusionary rule seeks to foster. (ā¦)
It is one thing for the criminal to go free because the constable has blundered. It is quite another to set the criminal free because the constable has scrupulously adhered to governing law.ā22
In zijn analyse van de hiervoor besproken zaken wijst Bradley erop dat de meerderheidsopinie in de zaak Davis met de focus op de mate van schuld, de āculpabilityā, van de onrechtmatig handelende agent verder gaat dan Herring. 23Waar in Herring het oordeel nog op de casus werd toegesneden, is in Davis als algemene regel geformuleerd dat in gevallen waarin de schending van het Vierde Amendement het gevolg is van ānegligenceā (onachtzaamheid) bewijsuitsluiting niet gerechtvaardigd is. Komt in alle voorkomende gevallen van schending van het Vierde Amendement de focus volledig te liggen op de geestesgesteldheid van de handelende agent, dan beperkt deze nieuwe regel het toepassingsbereik van de bewijsuitsluitingsregel aanzienlijk. Ik denk dat Justice Breyer dan gelijk heeft met de conclusie in zijn dissenting opinion bij Davis:
āif the Court means what it now says, if it would place determinative weight upon the culpability of an individual officerās conduct, and if it would apply the exclusionary rule only where a Fourth Amendment violation was deliberate, reckless, or grossly negligent, then the good faith exception will swallow the exclusionary ruleā.
Een volledige focus op de geestesgesteldheid draagt het risico in zich dat een premie wordt gezet op onwetendheid aan politiezijde en kan ertoe leiden dat het effect dat met bewijsuitsluiting wordt beoogd, te weten het bevorderen van normconform politiehandelen, zozeer verzwakt, dat de rechten uit het Vierde Amendement onvoldoende beschermd zijn. Dit kan meevallen indien ook in deze nieuwe aanpak van het Hooggerechtshof de ernst van de inbreuk wordt betrokken in het oordeel over de āculpabilityā. Zoals Bradley betoogt: āif weāre going to assess police culpability on a case-by-case basis, (...) we should at least take into account the extent of the intrusion on privacy that negligent police behavior causesā.24 De nadruk die in Herring is gelegd op het objectieve karakter van de beoordeling van de mate van schuld lijkt hiervoor een aanknopingspunt te bieden. Omdat als algemene regel geldt dat naarmate de te maken inbreuk op privacyrechten ingrijpender is, dit met meer/ zwaardere waarborgen is omkleed, geldt voor deze ingrijpender inbreuken dus ook dat een hogere mate van prudentie van de politie mag worden verwacht. In de benadering van Herring en Davis zouden ernstige inbreuken zodoende gemakkelijker bewijsuitsluiting kunnen rechtvaardigen dan inbreuken met een weinig ingrijpend karakter. Die gedachte is aansprekend en lijkt op wat we in de Nederlandse rechtspraak doen, als we, zoals art. 359a, tweede lid, Sv voorschrijft, acht slaan op de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt. Ook sluit hierop aan het in de arresten van 19 februari 2013 gemaakte verschil in het beoordelingskader tussen gevallen waarin sprake is van een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte en gevallen van een structureel verzuim. In die laatste categorie ligt de lat wat betreft de verwijtbaarheid aan overheidszijde een stuk hoger.
In vergelijking met de Nederlandse rechtspraak is voorts interessant dat in de meerderheidopinie relevant wordt geoordeeld dat geen sprake is van ārecurring or systemic negligence on the part of law enforcementā. Ook dat doet sterk denken aan de beslissingen van de Hoge Raad van 19 februari 2013, waarin het in de laatste categorie van gevallen waarin bewijsuitsluiting kan worden toegepast eveneens gaat om structureel voorkomende verzuimen, waaraan politie en OM te weinig hebben gedaan om ze te voorkomen.
Overdenking verdient nog het vraagteken dat Bradley plaatst bij āthe Courtās belief that recklessness is more deterrable than negligenceā. Hij veronderstelt dat het minder waarschijnlijk is dat een roekeloos handelende politieman zich door het vooruitzicht van bewijsuitsluiting laat afschrikken dan een politieman die onachtzaam optreedt.25 Daartegenover kan echter worden betoogd dat de keuze van het Hooggerechtshof impliceert dat de agent die welbewust fout handelt ook erop kan rekenen dat het resultaat van zijn werk door de rechter ter zijde zal worden geschoven, terwijl onachtzaamheid ā een vergissing is menselijk ā niet zomaar daartoe leidt. Dat is ook van belang met het oog op het te handhaven evenwicht tussen overdeterrence en underdeterrence.26 De vrees om fouten te maken moet niet leiden tot inactiviteit waar optreden wenselijk is.