Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.4.4.3
4.3.4.4.3 Het factoorsbesluit
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS497763:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Resolutie nr. 283-3376 van de staatssecretaris van Financiën van 2 augustus 1983, V-N 1983/1599, pt. 28.
Besluit nr. DGB2003/4484M van de staatssecretaris van Financiën van 5 december 2003, V-N 2003/46.16.
Besluit nr. 2016-204647 van de staatssecretaris van Financiën van 15 december 2016, V-N 2017/3.16.
Daar waar de tekst van het factoorsbesluit 2003 en het factoorsbesluit 2017 overeenstemt volsta ik met ‘besluit’ of ‘factoorsbesluit’.
Het factoorsbesluit handelt enkel over het recht op teruggaaf. De eventuele terugbetalingsverplichting in het geval een vordering alsnog wordt niet behandeld. Dit is niet verwonderlijk, omdat deze verplichting vóór 1 januari 2017 nog niet bestond.
Het lijkt mij stug dat de staatssecretaris een andere mening is toegedaan voor vorderingen die later (ná het ontstaansmoment) worden overgedragen.
Zie hierover meer in paragraaf 4.3.4.5.4.
Zoals in de inleiding (paragraaf 4.3.4) al opgemerkt is dit opvallend, omdat dit niet uit de wetsgeschiedenis naar voren komt.
Zie hierover paragraaf 4.3.1.1.1.
Zie hierover paragraaf 4.3.1.1.7.
Dit zou anders zijn als de Belastingdienst betrokken zou zijn bij de subrogatie of schuldvernieuwing (en het de overgang van de vordering op de Belastingdienst zou betreffen). In dat geval zou ik echter menen dat de praktische uitwerking nogal wat voeten in de aarde zal hebben, aangezien een driepartijenovereenkomst met de Belastingdienst onoverkoombaar lijkt te zijn.
Hiermee waarschijnlijk doelend op het instemmingsvereiste van de fiscus (paragraaf 4.3.4.5.6).
De mogelijkheid tot verrekening bestaat niet onder de huidige wettelijke regeling (art. 29 lid 6 Wet OB 1968).
Vgl. het hiervoor besproken arrest HR 16 oktober 2009, BNB 2009/134, waarin de Hoge Raad overwoog dat op geen enkele wijze uit de tekst van het factoorsbesluit blijkt dat als voorwaarde geldt dat de leveranciers slechts gedeeltelijke betaling ontvangen of dat een factoorsloon wordt bedongen (dit laatste lijkt wel in de definitie van het begrip factoorsovereenkomst terug te komen).
In het factoorsbesluit is aangegeven hoe art. 29 Wet OB 1968 ten aanzien van factoorsovereenkomsten moet worden toegepast. Het besluit stamt uit 1983.1 Naar aanleiding van het hiervoor aangehaalde MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring-arrest is het besluit in 2003 gewijzigd (factoorsbesluit 2003).2 Met de invoering van de huidige indeplaatstredingsregeling is het besluit met ingang van 1 januari 2017 opnieuw aangepast (factoorsbesluit 2017).3
In het besluit4 stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat het recht op teruggaaf5 ex art. 29 lid 1 Wet OB 1968 niet in de overdracht van een vorderingsrecht begrepen kan zijn, wanneer deze vordering uit hoofde van de factoorsovereenkomst op zijn ontstaansmoment6 wordt overgedragen. Hieraan liggen de volgende argumenten ten gronde:
het recht op teruggaaf bestaat nog niet op dat moment;7
uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever het recht op teruggaaf alleen heeft willen laten toekomen aan de leverancier en niet aan degene die het vorderingsrecht heeft overgenomen;8 en
er bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat de factor uit eigen hoofde recht op teruggaaf zou kunnen verkrijgen, waarbij moet worden bedacht dat de overgenomen vordering een ondeelbaar bedrag is (er kan geen btw-bestanddeel worden onderkend).
Wel merkt de staatssecretaris op dat het civiele recht mogelijkheden biedt om het recht op teruggaaf over te dragen. Hij denkt hierbij aan cessie, subrogatie9 en subjectieve novatie10, hetgeen wat betreft de laatste twee figuren kwestieus is, omdat zij niet voorzien in een ‘overdracht’ van een vorderingsrecht en, anders dan cessie, volgens mij vormen van betaling zijn, zodat van een recht op teruggaaf van btw en derhalve van de overdracht ervan überhaupt geen sprake kan zijn.11 De staatssecretaris merkt hierbij overigens op dat partijen slechts bij uitzondering in staat zullen zijn een rechtsgeldige overdracht te bewerkstelligen.
Omdat de factor in de praktijk echter vaak degene zal zijn die beschikt over (betere) informatie met betrekking tot de solvabiliteit van de debiteuren en de (on)inbaarheid van de vorderingen, heeft de staatssecretaris de factor vervolgens de mogelijkheid gegeven om op eigen initiatief art. 29 lid 1 Wet OB 1968 in te roepen door goed te keuren dat de factor namens de crediteur (lees: de leverancier) een verzoek om teruggaaf kan doen. Voorwaarde is dat de crediteur de factor daartoe heeft gemachtigd. Deze machtiging kan worden verleend door middel van medeondertekening van het verzoek of door middel van een afzonderlijk schrijven dat met het verzoek wordt meegestuurd (in welk geval de machtiging ook voor langere tijd kan gelden). Een eventuele teruggaafbeschikking zal dan worden afgegeven op naam van de crediteur (als belanghebbende), maar worden verzonden aan de factor, aan wie dan tevens de teruggaaf zal worden uitbetaald. Hierbij geldt volgens de staatssecretaris als kanttekening dat de Belastingdienst het recht behoudt om een teruggaaf te verrekenen met eventuele belastingschulden van de crediteur, hetgeen anders zou zijn als het recht op teruggaaf rechtsgeldig12 zou zijn gecedeerd.13 Daarnaast moet worden bedacht dat een volmacht eindigt in het geval van de volmachtgever (de belanghebbende) of de gevolmachtigde (de factor).14 Overigens komt het mij voor dat in de praktijk (wellicht mede daarom) niet vaak gebruik gemaakt werd (wordt) van deze goedkeuring.
Het factoorsbesluit 2017 is beperkt tot vorderingen die vóór 1 januari 2017 zijn overgenomen. Met de overweging dat het factoorsbesluit 2003 met de inwerkingtreding van de indeplaatstredingsregeling zijn belang heeft verloren wekt de staatssecretaris de indruk dat de gevallen die vóór 1 januari 2017 onder de reikwijdte van het besluit vielen, thans profiteren van de wettelijke regeling, ware het niet dat in plaats van het vrijwillig ‘overnemen’ van het recht op teruggaaf conform het besluit factors nu verplicht uit eigen hoofde aanspraak maken op een recht op teruggaaf. Op het eerste gezicht lijkt de wettelijke regeling een verruiming van de goedkeuring te behelzen: de wettelijke regeling is immers niet beperkt tot factoring. Ook de overdracht van bijvoorbeeld één vordering is al voldoende op de koper het recht op teruggaaf te doen toekomen. Daarnaast dient te worden bedacht dat de indeplaatstredingsregeling ook geldt voor verplichtingen die art. 29 Wet OB 1968 oplegt. Toch zou kunnen worden betoogd dat van de wettelijke regeling in theorie een beperkende werking uitgaat. Het factoorsbesluit spreekt immers over het ‘overnemen van vorderingen’, terwijl de wettelijke regeling beperkt is tot ‘overdragen van vorderingen’ (behoudens mijn betoog om ‘overdragen’ ruim uit te leggen). Hoewel het factoorbesluit niet als voorwaarde lijkt te stellen dat de overdrager van de vordering btw-ondernemer moet zijn,15 komt het mij voor dat hiervan in de praktijk altijd sprake van zal zijn (de vorderingen dragen immers een btw-component en bij statusverlies zullen vorderingen niet krachtens een factoorsovereenkomst worden overgedragen), zodat van een beperkende werking in die zin niet snel sprake zal zijn.