Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/3.6.3.2
3.6.3.2 Ministeriële regeling
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285675:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk: aanwijzing 162b waarin wordt opgemerkt dat bij structurele informatieverstrekking op het niveau van de formele wet wordt voorzien in een uitdrukkelijke regeling van de gegevensverstrekking (Aanwijzingen voor de regelgeving (1992)).
Zie ook: Hoofdstuk 10, par. 5.
Art. 43c, tweede lid, Uitv. Reg. AWR 1994.
MvT, Kamerstukken II 2005/06 30 322, nr. 3, blz. 19.
NAV, Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 7, blz. 27.
Douma e.a. 2019 (v/h De Blieck), blz. 104. Vergelijk: Van Hout die een onwenselijke ontwikkeling ziet waarbij de fiscale geheimhoudingsplicht in toenemende mate moet wijken (M.B.A. van Hout, Gedeeld geheim, verloren geheim? TFB 2015/6-4).
G. Overkleeft-Verburg in haar annotatie bij ABRvS 14 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1041, JB 2010/137.
In de tweede plaats geldt op grond van art. 67, tweede lid, onderdeel b, AWR de geheimhoudingsplicht niet als het bestuursorgaan is opgenomen in de ministeriële regeling van art. 43c Uitv. Reg. AWR 1994.1 Bekendmaking moet noodzakelijk zijn voor de goede vervulling van de publiekrechtelijke taak van het desbetreffende bestuursorgaan. Gegevensuitwisseling op grond van de ministeriële regeling is slechts bedoeld voor structurele gegevensverstrekkingen aan samenwerkingsverbanden of voor tijdelijke opname bij structurele gegevensverstrekkingen vooruitlopend op de invoering van een wettelijk voorschrift.2 Gegevens worden in principe niet spontaan, maar alleen op verzoek van het desbetreffende bestuursorgaan verstrekt.3 De gegevensverstrekking moet in overeenstemming zijn met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.4 Hierbij is géén onderscheid gemaakt tussen persoonsgegevens – waarop (destijds) de Wbp van toepassing was – en overige gegevens. De concrete vraag vanuit de Tweede Kamer hoe moest worden bepaald wat noodzakelijk is voor een goede vervulling van de publiekrechtelijke taak, werd niet beantwoord.5 De kritiek op art. 43c Uitv. Reg. AWR 1994 is overigens hetzelfde gebleven als de kritiek op het VIV 1993. Zo oordelen Douma e.a. dat de opsomming te lang is en dat elk bestuursorgaan met een legitiem belang voor opneming in de lijst in aanmerking komt. Dit illustreert volgens hen de erosie waaraan de fiscale geheimhoudingsplicht in de loop van de jaren heeft blootgestaan.6 Overkleeft-Verburg is van mening dat de fiscale geheimhoudingsplicht binnen de overheid nauwelijks meer iets voorstelt.7