Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/219
Onjuiste opvatting dat van ‘enig geheim’ als bedoeld in art. 272 Sr slechts sprake kan zijn als de plicht tot geheimhouding volgt uit een wettelijke bepaling. Verdachte (wethouder) heeft door e-mail te verstrekken aan betrokkene, enig geheim als bedoeld in art. 272 Sr geschonden.
HR 13-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:32
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13 januari 2026
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, T.B. Trotman
- Zaaknummer
24/02530
- Conclusie
A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Staatsrecht / Decentralisatie
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:32, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑01‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:1181, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑11‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑05‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑05‑2025
- Wetingang
Essentie
De opvatting dat van ‘enig geheim’ als bedoeld in art. 272 Sr slechts sprake kan zijn als de plicht tot geheimhouding volgt uit een wettelijke bepaling, is onjuist. Het oordeel van het hof dat de verdachte (wethouder) door op 1 juli 2018 aan betrokkene de e-mail van 26 juni 2018 te verstrekken, enig geheim als bedoeld in art. 272 Sr heeft geschonden, waarvan de verdachte uit hoofde van zijn ambt als wethouder op de hoogte was gebracht en dat hij uit hoofde van dat ambt verplicht was te bewaren, geeft niet blijk van een onjuiste ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.