Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/3.3.1.1
3.3.1.1 Vereiste 1: de opdrachtnemer is voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk van de opdrachtgever
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855425:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0616 (Davelaar/Allspan).
Het meetmoment van de vraag of de opdrachtnemer in een veiligheidsafhankelijke positie verkeert, is niet het moment van contractsluiting of het aanvangen van de werkzaamheden, maar het moment waarop de opdrachtnemer schade lijdt (zie bijv. hof ’s-Hertogenbosch 16 april 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ8300). Een analogie met de Haviltex-maatstaf is snel gemaakt, nu ook deze maatstaf weliswaar in beginsel op het moment van contractsluiting geldend is, maar als afspraken veranderen ook op de relevante volgende momenten (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Ermes c.s./Haviltex)). Valk en Schelhaas spreken in dit kader van ‘voortschrijdende Haviltex’ (Valk 2016, p. 31; Schelhaas & Valk, Uitleg van rechtshandelingen (Mon. Pr. nr. 20) 2022/1.5.2).
Tot een vergelijkbare constatering komt o.a. Heerma van Voss, NJ 2014/414.
HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0616 (Davelaar/Allspan). Een grammaticale uitleg brengt overigens mee dat deze omstandigheden ten minste moeten worden meegenomen in de afweging of de opdrachtnemer in een veiligheidsafhankelijke positie verkeert, aangezien in de overweging van de HR het werkwoord ‘kunnen’ ontbreekt. Wel tonen de woorden ‘onder meer’ dat deze opsomming niet limitatief van aard is.
Ook in de rechtsliteratuur is hierop gewezen (zie bijv. Barentsen & Sagel, NJB 2012/2016; Blanken & Van Noort, TVP 2012/3).
Zie bijv. rb. Amsterdam 25 september 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6804; rb. Oost-Brabant 16 juni 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:3376.
Zie bijv. rb. Den Haag 1 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8149; hof Arnhem-Leeuwarden 26 augustus 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6672; hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8068; rb. Midden-Nederland 31 januari 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:538.
Zie bijv. hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8068; rb. Overijssel 26 juli 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:2924; rb. Midden-Nederland 28 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:3374. Het enkel ter beschikking stellen van bepaald materiaal is dus onvoldoende om te concluderen dat de opdrachtnemer zich in een veiligheidsafhankelijke positie bevindt (zie bijv. rb. Zeeland-West-Brabant 22 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4706).
Zie bijv. rb. Gelderland 14 februari 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:1966; hof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3353; rb. Oost-Brabant 16 juni 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:3376.
Volledigheidshalve merk ik op dat de opdrachtnemer in deze situatie een schijnzelfstandige kan zijn, maar dat ik daar in dit onderzoek niet van uitga (zie par. 1.2.3 en 1.2.4).
Zie bijv. hof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3353.
Zie in min of meer vergelijkbare zin Schreuder, JA 2014/118; Quist, JA 2016/161. Overigens rekenen feitenrechters deze zeggenschap van de opdrachtgever onder de door de HR geformuleerde derde omstandigheid: de mate waarin de opdrachtgever invloed heeft op de werkomstandigheden van de opdrachtnemer en op de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s.
Zie bijv. rb. Overijssel 26 juli 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:2924; rb. Midden-Nederland 26 oktober 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5708.
Zie bijv. rb. Zeeland-West-Brabant 8 maart 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:1574; rb. Midden-Nederland 31 januari 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:538.
In het verlengde hiervan ligt de aard van de verrichte werkzaamheden (omstandigheid ii). Daarbij kan worden gedacht aan gevaarlijk werk of werk dat dusdanig specialistisch is dat een bijzondere mate van kennis is vereist (Ruizeveld, TRA 2012/58; Kolder & Zwols, MvV 2012/6.2; Schreuder, JA 2014/118). De gedachte hierachter lijkt te zijn dat hoe meer risico’s aan de uitvoering van de opdracht zijn verbonden, hoe eerder het voor de hand ligt dat de opdrachtnemer in een veiligheidsafhankelijke positie komt (zie bijv. rb. Gelderland 14 februari 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:1966; rb. Midden-Nederland 26 oktober 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5708).
Met ‘behoorde te kennen’ bedoel ik ‘behoefde te kennen’. ‘Behoorde te kennen’ zou ook zo gelezen kunnen worden dat de opdrachtgever het feit mag kennen, wat niet hetzelfde is als wat van de opdrachtgever mag worden verwacht. In die zin is ‘behoefde te kennen’ ondubbelzinniger. Om niet af te wijken van de meest gangbare terminologie, heb ik in het vervolg van dit onderzoek toch gekozen voor de woorden ‘behoorde te kennen’.
Dit ruime zij-aan-zij-criterium sluit aan bij de leidraad van de ACM (ACM 2023, p. 25-26).
Zie bijv. hof Arnhem-Leeuwarden 26 augustus 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6672; hof Arnhem-Leeuwarden 27 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8066; rb. Den Haag 29 juli 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:8362.
Zie bijv. hof ’s-Hertogenbosch 16 april 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ8300; hof ’s-Hertogenbosch 13 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1097.
Zie bijv. hof ’s-Hertogenbosch 16 april 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ8300.
Hoewel bij de weging van de drie door de HR geformuleerde omstandigheden geen vaste verhouding bestaat en de ene omstandigheid niet per definitie zwaarder weegt dan een andere (concl. A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2021:153 voor HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1267 (Vivat)), lijkt daar in de feitenrechtspraak dus anders mee te worden omgesprongen.
Ook Hartlief wijst op dit risico (Hartlief, NJB 2012/1517).
Een grote ongelijkheid kan een gebrekkige, niet vrije wilsvorming van de zwakkere opdrachtnemer meebrengen en ertoe leiden dat hij de nadelige gevolgen van een contractuele bepaling niet overziet of niet anders kan dan deze te aanvaarden (Schelhaas 2018, p. 20; Grosheide & Van der Neut, TAC 2022/2; Van der Neut, ArbeidsRecht 2023/29).
Asser/Sieburgh 6-III 2022/126. Dat bij de uitleg van de overeenkomst rekening kan worden gehouden met de hoedanigheid van partijen, waaronder de maatschappelijke kringen waartoe partijen behoren en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht, blijkt ook expliciet uit HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Ermes/Haviltex).
De waarde die de contractstekst bij de uitleg van de rechtsverhouding heeft, hangt telkens af van de omstandigheden van het geval. Daarbij bestaat geen a-priori-rangorde tussen schriftelijke bepalingen, mondelingen verklaringen en gedragingen. Vgl. Valk 2016, p. 25; Schelhaas & Valk, Uitleg van rechtshandelingen (Mon. Pr. nr. 20) 2022/1.3.4; Grosheide & Van der Neut, TAC 2022/2.
Grosheide & Van der Neut, TAC 2022/2.
Ter volledigheid merk ik op dat één keer niet is ingegaan op dit vereiste vanwege het ontbreken van het tweede vereiste en dat in twee gevallen niet kon worden beoordeeld of sprake was van het eerste vereiste, wat verband hield met de bewijsvoering van partijen.
Al zou deze conclusie mij niet verbazen. Daarbij moet worden bedacht dat niet is vereist dat de opdrachtnemer voor de zorg voor zijn veiligheid volledig afhankelijk is van de opdrachtgever; een gedeeltelijke afhankelijkheid voor de zorg voor zijn veiligheid is ook voldoende, gelet op het woord ‘mede’.
De opdrachtnemer kan in een veiligheidsafhankelijke positie ten opzichte van de opdrachtgever verkeren. Als deze positie van de opdrachtnemer te vergelijken is met die van de werknemer tegenover de werkgever, verdient hij onder het beschermingsbereik van artikel 7:658 lid 4 BW te vallen, zo luidt de gedachte.1 Het accent ligt op de aan artikel 7:658 lid 4 BW ten grondslag liggende beschermingsgedachte en niet (zozeer) op de overeenkomst die het fundament van de rechtsverhouding vormt. Hierdoor leent deze schakelbepaling zich voor toepassing indien de opdrachtnemer voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk is van de opdrachtgever,2 waaronder in ieder geval de zij-aan-zij-opdrachtnemer lijkt te vallen. Oftewel: de opdrachtgever is ook verplicht veilige werkomstandigheden te creëren voor de opdrachtnemer zodra laatstgenoemde onder (nagenoeg) dezelfde omstandigheden als de (eigen) werknemers zijn werkzaamheden verricht.3 De Hoge Raad heeft in dit kader drie omstandigheden geformuleerd die onder meer van belang zijn bij de inkleuring van dit eerste vereiste, namelijk: (i) de feitelijke verhoudingen tussen partijen, (ii) de aard van de verrichte werkzaamheden en (iii) de mate waarin de opdrachtgever invloed heeft op de werkomstandigheden van de opdrachtnemer en op de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s.4 De geanalyseerde rechtspraak heeft deze omstandigheden verder ingevuld (zie bijlage 1 ‘Feitenrechtspraakonderzoek artikel 7:658 lid 4 BW’) en heeft de volgende bevindingen opgeleverd.
In de eerste plaats leid ik uit de geanalyseerde rechtspraak af dat het voor de invulling van het vereiste of de opdrachtnemer in een veiligheidsafhankelijke situatie verkeert, vooral lijkt te gaan om de vraag of de werkomstandigheden en de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s worden beïnvloed door de opdrachtgever of dat de opdrachtnemer die zelf vormgeeft, dan wel daar verantwoordelijk voor is (omstandigheid iii). Dat uit zich niet alleen in de mate waarin rechters expliciete aandacht aan deze omstandigheid schenken (slechts in één van de negentien gevallen waarin het eerste vereiste inhoudelijk werd behandeld, is niet expliciet ingegaan op deze omstandigheid), maar ook in het gewicht dat de aan- of afwezigheid van deze omstandigheid in de schaal lijkt te leggen. Het belang van deze omstandigheid is het logische gevolg van het feit dat de opdrachtgever die geen of slechts in beperkte mate invloed kan uitoefenen op de werkomstandigheden van de opdrachtnemer, de schade lastig kan voorkomen, waardoor de opdrachtnemer zich minder snel in een veiligheidsafhankelijke positie bevindt.5 Daarbij gaat het er niet om of de opdrachtgever daadwerkelijk invloed op de werkomstandigheden uitoefent, maar of hij invloed op deze omstandigheden kanuitoefenen.6 Als de opdrachtgever deze invloed heeft op de werklocatie (eigen werkplaats of het terrein dat onder zijn toezicht staat),7 dan wel (expliciete) zeggenschap heeft over het werktuig,8 wordt snel aangenomen dat de opdrachtnemer in een veiligheidsafhankelijke positie verkeert, nu de opdrachtgever in zo’n geval veiligheidsmaatregelen kan nemen. Dat geldt ook voor de situatie waarin de opdrachtgever zeggenschap over (de uitvoering van de werkzaamheden van) de opdrachtnemer heeft.9 Als de opdrachtgever de opdrachtnemer aanwijzingen geeft over de mate en wijze waarop de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd (conform artikel 7:402 lid 1 BW),10 nemen feitenrechters vrijwel direct aan dat die veiligheidsafhankelijke norm is voldaan.11 De algemene opvatting van feitenrechters is doorgaans kennelijk dat deze (directe) zeggenschap in de regel meebrengt dat de opdrachtgever invloed kan uitoefenen op de werkomstandigheden en de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s.12 Een voorbeeld hiervan is de opdrachtgever die de werkzaamheden coördineert.13 Dit geldt in het bijzonder indien de coördinatie (ook) betrekking heeft op het veilig uitvoeren van de werkzaamheden.14
In de tweede plaats worden de kennis en ervaring van partijen geregeld door feitenrechters betrokken bij de beantwoording van de vraag of de opdrachtnemer in een veiligheidsafhankelijke positie verkeert.15 De kennis en ervaring van een partij kunnen iets zeggen over het feit of hij de aan de werkzaamheden verbonden risico’s kende of behoorde te kennen en zijn als het ware onderdeel van de feitelijke verhouding tussen partijen (omstandigheid i).16 Zonder het kennen of behoren te kennen van de risico’s kan van een partij namelijk niet worden verwacht dat hij maatregelen treft ter voorkoming of beperking van eventuele schade. In dit verband wordt doorgaans gekeken naar een ruim zij-aan-zij-criterium: het gaat erom dat de opdrachtnemer (in zekere zin) werkzaamheden verricht die de opdrachtgever ook door eigen werknemers laat verrichten of die qua werkomstandigheden in hoge mate daarmee vergelijkbaar zijn of zouden zijn indien de opdrachtgever eigen werknemers in dienst zou hebben.17 Als dat het geval is, wordt – overeenkomstig de ratio van artikel 7:658 lid 4 BW – verondersteld dat de opdrachtnemer zich tegenover de opdrachtgever in een veiligheidsafhankelijke positie bevindt.18 Daar staat tegenover dat minder snel sprake zal zijn van zo’n positie als de opdrachtnemer juist wordt ingeschakeld vanwege zijn specifieke expertise die bij de opdrachtgever ontbreekt.19 Dit moet niet op één lijn worden gesteld met de hoedanigheid van de opdrachtnemer, die in deze context maar een beperkte rol speelt (zie ook bijlage 1 ‘Feitenrechtspraakonderzoek artikel 7:658 lid 4 BW’). Dat een opdrachtnemer de risico’s kende of behoorde te kennen of bijvoorbeeld een hoog tarief in rekening brengt, werkt vanuit een eenmanszaak of beschikt over een bedrijfspand, zegt op zichzelf bezien namelijk niets over het antwoord op de vraag of de opdrachtnemer voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk is van de opdrachtgever.20 Plaats ik dat tegen de achtergrond van het thema aansprakelijkheid, dan is de bescheiden rol van de hoedanigheid van partijen niet vreemd te noemen, nu het bij deze thematiek vooral gaat om veiligheidsafhankelijkheid en minder om economische afhankelijkheid. De hoedanigheid van de opdrachtnemer kan mogelijk wel relevant zijn voor (de omvang van) de zorgplicht van de opdrachtgever (zie paragraaf 3.3.2.1).
Op basis van het voorgaande lijkt het er vooral om te draaien dat de opdrachtgever op de hoogte van het verwezenlijkte risico was of behoorde te zijn én daarop (enige) invloed kon uitoefenen.21 Is dat het geval, dan voldoet de opdrachtnemer aan het eerste vereiste van artikel 7:658 lid 4 BW. Achter deze conclusie schuilt in mijn ogen ook een zeker gevaar, namelijk dat de opdrachtgever een strategisch beding kan opnemen waarin staat opgenomen dat de zeggenschap over zowel de werklocatie als het werktuig bij de opdrachtnemer ligt en dat de opdrachtgever geen zeggenschap over de opdrachtnemer zelf heeft. Daardoor is de opdrachtnemer – in ieder geval op papier – veelal niet voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk van de opdrachtgever.22 Dit is met name problematisch als partijen niet over de contractstekst hebben onderhandeld en de opdrachtnemer geen invloed op de inhoud van die tekst heeft gehad.23 In zo’n situatie dient de rechter bij de uitleg van de rechtsverhouding de aangevoerde feiten en omstandigheden te waarderen tegen de achtergrond van de specifieke relatie tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer en kan de hoedanigheid van partijen wel een belangrijke rol spelen.24 Wanneer verschillende verklaringen en gedragingen een conflicterend beeld geven, staat het de rechter vrij ander bewijs dan de contractstekst hoger te waarderen, zoals de uitvoering van de overeenkomst.25 Op die wijze kan de contractstekst vergaand worden gerelativeerd en kan alsnog worden voldaan aan het vereiste dat de opdrachtnemer voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk is van de opdrachtgever.26
Overigens blijkt uit de bestudeerde rechtspraak dat de opdrachtnemer in vijftien gevallen in een veiligheidsafhankelijke positie verkeerde en dit in slechts drie zaken niet het geval was (zie bijlage 1 ‘Feitenrechtspraakonderzoek artikel 7:658 lid 4 BW’).27 Toch is het wat kort door de bocht om op basis hiervan te concluderen dat de opdrachtnemer aan de onderkant in de regel voldoet aan het eerste vereiste van artikel 7:658 lid 4 BW.28 Naast de al eerder naar voren gebrachte redenen (zie paragaaf 3.3.1) – te weten: de bestudeerde rechtspraak betreft louter gepubliceerde rechtspraak en de uitkomst van de procedure is afhankelijk van wat partijen aanvoeren (artikel 24 Rv) – is het denkbaar dat alleen de kansrijke procedures aan rechters worden voorgelegd.