Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/2.2.4.4
2.2.4.4 Afdwingbaarheid van de vordering
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS612058:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie verder § 2.2.7.
Zie voor de verrekeningsmogelijkheden van de fiscus in dit verband de § 2.4.6.4 en 2.4.8. Vindt kwijtschelding van een vordering plaats buiten het kader van een gerechtelijk crediteurenakkoord, dan wordt door de betreffende crediteur(en) afstand van recht gedaan conform art. 6:160 lid 1 BW. De vordering gaat daarmee teniet en kan om die reden niet meer in verrekening worden gebracht. Een akkoord dat tot stand is gekomen op de voet van art. 287a Fw geldt als een buitengerechtelijk onderhands akkoord (zie Wessels Insolventierecht IX, p. 52) en leidt daarom tot afstand van recht in de voornoemde zin, zonder dat een natuurlijke verbintenis resteert. Zie voor de schone lei art. 358 lid 1 Fw.
Ook kan het onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn een schuldeiser na een akkoord een beroep op verrekening te ontzeggen, met name indien schuld en vordering op dezelfde contractuele verhouding berusten. Zie in dit verband HR 31 januari 1992, NJ 1992, 686, PvS (Van der Hoeven/Comtu) en R.H. van Erp, 'Verrekening na een (faillissements)akkoord', WPNR 1993/6079, p. 90-94.
HR 18 oktober 2002, NJ 2002, 503, C.E. du Perron (Buter en Tiethoff q.q. /Besix en De Vliert), tevens besproken door Faber in NbBW 2002, p. 135 e.v. Zie verder Faber 2005, p. 512-514.
Zie art. 21.6 Leidraad Invordering 2008 en Tekstra 1999/2011, § 3.3.5. De preferentie van de fiscus van art. 21 Iw 1990 geeft de fiscus geen betere verrekeningspositie; zie Faber 2005, p. 511-512. Verrekening is reeds een vorm van feitelijke voorrang (zie § 1.5), die voor de fiscus nog eens specifiek is uitgewerkt in art. 24 Iw 1990. Wel is de preferente positie van de fiscus door de Iw-wetgever naar voren gebracht als omstandigheid die zou maken dat de ontvanger, ondanks een onder hem gelegd derdenbeslag op een vordering van een belastingplichtige op de fiscus, zou mogen verrekenen. Zie daarover § 4.9.3.
Zie Faber 2005, p. 77.
Zie § 2.4.6.1.
Zie verder § 2.2.8.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-11, p. 199.
Het vereiste dat de vordering afdwingbaar is, houdt in dat degene die zich op verrekening beroept een opeisbare vordering op zijn wederpartij dient te hebben. De vordering kan niet opeisbaar zijn omdat een afgesproken betalingstermijn nog niet is verstreken, de wederpartij zich op een opschortingsrecht kan beroepen, sprake is van een voorwaardelijke vordering of omdat sprake is van een natuurlijke verbintenis na verjaring van de vordering.1 Voor dat laatste geval formuleert artikel 6:131 lid 1 BW echter een specifieke uitzondering, die impliceert dat onder omstandigheden de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de vordering. Nadat de vordering is verjaard mag de schuldeiser toch nog verrekenen, mits hij ten tijde van de verjaring reeds bevoegd was een beroep op verrekening te doen.2 Na een gerechtelijk crediteurenakkoord of het verkrijgen van een schone lei bij de scheldsanering natuurlijke personen resteert eveneens een natuurlijke verbintenis. Verrekening is dan niet meer mogelijk omdat de vordering niet meer afdwingbaar is en de wet niet een verrekeningsmogelijkheid geeft zoals artikel 6:131 lid 1 BW dat doet in geval van verjaring.3 De crediteur heeft dan overigens wel de mogelijkheid gehad zich vóór de homologatie van het akkoord of de verlening van de schone lei op verrekening te beroepen.4
Van belang is nog de vraag of een schuldenaar, die een achtergestelde vordering op zijn schuldeiser heeft, deze vordering mag verrekenen. Een achterstelling als zodanig sluit een beroep op verrekening niet uit. Het antwoord op deze vraag hangt af van de uitleg die aan de achterstelling in het concrete geval moet worden gegeven.5 Die uitleg kan tot de conclusie leiden dat de schuldeiser van de achtergestelde vordering zijn recht op verrekening inderdaad heeft prijsgegeven, of pas kan verrekenen als eerst de schuldeisers, jegens wie de achterstelling geldt, zijn voldaan. Een achterstelling zal overigens bij verrekening door de fiscus normaal gesproken niet aan de orde zijn, aangezien de ontvanger vorderingen niet pleegt achter te stellen. Onder bijzondere omstandigheden kan de fiscus, in het kader van een crediteurenakkoord, wel afstand doen van diens voorrangpositie, zoals die volgt uit artikel 211w 1990.6
Het komt voor dat een crediteur aan een derde een volmacht tot inning geeft, gekoppeld aan een privatieve last. Die volmachtgever verliest daarmee de mogelijkheid tot verrekening. Faber schrijft daarover:7
"De privatieve last tot inning ontneemt de lastgever (met werking jegens derden) de bevoegdheid de vordering zelf te innen. De lastgever die niet meer bevoegd is tot het afdwingen van de betaling van zijn vordering, kan die vordering ook niet meer in verrekening brengen."
De privatieve last komt bij de behandeling van de verrekeningsregels voor de fiscus nog aan de orde.8
Uitstel van betaling of executie ontneemt in beginsel, voor de duur van het uitstel, de afdwingbaarheid aan de vordering waarvoor uitstel is verleend. Op grond van artikel 6:131 lid 2 BW wordt verrekening desondanks door de wetgever toegestaan.9 Deze bepaling vormt derhalve een uitzondering op het afdwingbaarheidsvereiste.10