Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.6.2.5
4.6.2.5 Evaluatie
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661415:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. in de zaak BNB 2008/200, punt 31 van het cassatieberoepschrift, waarin belanghebbende betoogt dat hij er erop mocht vertrouwen ‘dat hetgeen in de Handleiding stond juist was (hetzij als uitleg, hetzij als goedkeuring)’. Vgl. de bestuursrechtelijke uitspraak Rechtbank Oost-Brabant van 17 december 2021, nr. 20/1357, V-N 2022/8.22.29, AB 2022/59, r.o. 5.3.
Belastingdienst, Bedrijfsplan 2003-2007, p. 3-5: ‘Effectief toezicht begint volgens ons bij adequate vormen van dienstverlening aan het publiek.’
Duidelijk is dat de belastingrechter waarde toekent aan de (veronderstelde) bedoeling van de Belastingdienst bij de kwalificatie van uitingen (paragraaf 4.3.2, 4.4.2, 4.5.2). Daar is juridisch wat voor te zeggen, gezien het belang van terughoudende contra legem-wetstoepassing. Echter, de vraag is of bij de (veronderstelde) intentie voldoende rekening wordt gehouden met de indruk van de burger van die informatie en zijn perspectief op de materie. De rechter houdt daarmee in ieder geval niet voldoende rekening, wanneer als enkel wordt gerefereerd aan het soort uiting (‘het is beleid’, ‘het is slechts voorlichting’, het is een uiting in het kader van de ‘voorlichtende taak’). Dat is immers – zeker in grensgevallen – een juridische constructie achteraf.
Bovendien, een algemener punt: als de Belastingdienst voorlichting geeft en daarbij informatie geeft over het belastingrecht, waarom is wat er staat, dan niet wat het recht (kennelijk) inhoudt?1 Waarom zou de burger daarop niet gewoon mogen afgaan?
De analyse maakt dus duidelijk dat het inhoudelijk gezien (dus los van de bedoeling van de Belastingdienst) niet zo eenvoudig is om precies te bepalen wanneer uitingen al dan niet ‘in het kader van de voorlichtende taak’ zijn gedaan. Het uitlichten van die taak veronderstelt dat een scheiding gemaakt zou kunnen worden tussen enerzijds uitingen die de Belastingdienst doet in het kader zijn voorlichtende taak en anderzijds in het kader van zijn heffings- en toezichtstaak. Die aanname is echter niet goed houdbaar, aangezien voorlichting de uitvoering van alle taken van de Belastingdienst dient (paragraaf 2.3.3).2