Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/7.2.3
7.2.3 Van Smallsteps tot Heiploeg
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708358:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Thans richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassingen van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen.
Voordat de faillissementsuitzondering in 1998 werd opgenomen in de OVO-richtlijn, volgde dit uit het Abels-arrest, HvJ EG 7 februari 1985, NJ 1985/900.
Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2014/15, 34218, nr. 3, p. 33-35; Verburg, FIP 2014/361; Van Zanten, ArbeidsRecht 2013/47 en Tollenaar, TvI 2011/23, par. 6.7.
Voor zover ik heb kunnen nagaan is dit als eerste opgeworpen in Van der Pijl, ArbeidsRecht 2013/38. Zie verder o.a. de reactie van de NOvA op het voorontwerp WCO I van 21 januari 2014 (te raadplegen via www.internetconsultatie.nl/wet_continuiteit_ondernemingen_i); Beltzer, O&F 2015, afl. 1 en Hufman & Zaal, TAP 2014/98.
HvJ EU 22 juni 2017, NJ 2017/369.
Rechtbank Midden-Nederland 24 februari 2016, JOR 2016/147.
HvJ EU 22 juni 2017, NJ 2017/369.
Volgens Pannevis wordt de pre-pack, hoewel aanzienlijk minder dan voorheen, nog steeds toegepast. Zie Polak/Pannevis 2022, par. 28.1.2.
Zie hierover en ook over verschillende visies over de reikwijdte van Smallsteps in de literatuur De Kloe, MvO 2019, afl. 3/4, par. 3.3.
Bijlage bij Kamerstukken I 2018/19, 34218, L. Ook te raadplegen via www.internetconsultatie.nl/overgang_van_onderneming_in_faillissement.
Hoewel de vraag is opgeworpen of het voorontwerp daadwerkelijk in overeenstemming is met de richtlijn. Daarmee ontstaat mogelijk nieuwe onduidelijkheid. Zie bijvoorbeeld Boot & Ipenburg, TvO 2020, afl. 1 en J. van der Pijl, annotatie onder HvJ EU 16 mei 2019, JAR 2019/170 (Plessers/Prefaco). Zie ook de reactie van F. de Leo van 3 juni 2019 op het consultatiedocument (te raadplegen via www.internetconsultatie.nl/novelle_wet_continuiteit_ondernemingen_i).
De conceptnovelle en de concept memorie van toelichting zijn te raadplegen via www.internetconsultatie.nl/novelle_wet_continuiteit_ondernemingen_i.
Concept memorie van toelichting novelle WCO I, p. 5. Kritisch hierover Van Galen, Ondernemingsrecht 2022/24.
Zie hierover met het oog op de novelle Van Zanten, TvI 2021/29.
Concept memorie van toelichting novelle WCO I, p. 4 en 5.
HR 29 mei 2020, NJ 2020/235 (Heiploeg).
I.M.A. Lintel & T.T. van Zanten, annotatie onder HR 17 april 2020, TvI 2020/35 (Heiploeg), par. 5.
P.R.W. Schaink, annotatie onder HR 17 april 2020, JOR 2020/162, par. 7. Zie ook Schaink, TvO 2022, afl. 3.
Deze twee voorwaarden worden ook genoemd door J. van der Pijl in zijn annotatie onder HvJ EU 28 april 2022, JAR 2022/127 (Heiploeg).
Aan deze voorwaarde wordt meer aandacht besteed in Hoogendoorn, FIP 2022/193.
HvJ EU 28 april 2022, JAR 2022/127 (Heiploeg), r.o. 53.
HvJ EU 28 april 2022, JAR 2022/127 (Heiploeg), r.o. 54 en 55.
Aldus ook J. van der Pijl in zijn annotatie onder HvJ EU 28 april 2022, JAR 2022/127 (Heiploeg). Verburg meent dat de overweging van het Hof van Justitie ook zo kan worden uitgelegd dat de pre-pack in de Heiploegzaak toch onder de faillissementsuitzondering valt als de wettelijke regeling (kennelijk voordat een eindoordeel is gewezen) alsnog tot stand komt. Zie L.G. Verburg, annotatie onder HvJ EU 28 april 2022, TvI 2022/23 (Heiploeg), par. 28-30. Ik vind dat een vergezochte uitleg, mede omdat het Hof het belang van een duidelijk regeling koppelt aan de rechtszekerheid. Die rechtszekerheid kan niet achteraf worden geboden.
HvJ EU 28 april 2022, JAR 2022/127 (Heiploeg), r.o. 62.
Van Galen, Ondernemingsrecht 2022/55, par. 7. Hoogendoorn stelt dat dit dan wel een voorlopig oordeel moet zijn, omdat het liquidatiedoel mede afhankelijk is van de tenuitvoerlegging van de liquidatie. Zie Hoogendoorn, FIP 2022/193.
Aldus specifiek ten aanzien van de pre-pack L.G. Verburg, annotatie onder HvJ EU 28 april 2022, TvI 2022/23 (Heiploeg), par. 31.
Korte aantekening vergadering commissie Justitie & Veiligheid 18 juni 2019, www.eerstekamer.nl/korteaantekening/20190618_j_v?dossier=vjulnplqjqxe (laatst geraadpleegd: 30 augustus 2022).
Hoogendoorn, FIP 2022/193. Zie ook Hiebendaal & Rikkert, Bb 2022/60.
HR 4 oktober 2019, NJ 2019/461 (Ruwaard van Puttenziekenhuis), r.o. 3.2.2.
Een belangrijke eigenschap van een doorstart tijdens faillissement is dat de wettelijke regeling omtrent overgang van onderneming (hierna: OVO en OVO-regeling), die is gebaseerd op de Europese OVO-richtlijn,1 niet van toepassing is in faillissement op grond van artikel 7:666 BW, de implementatie van artikel 5 lid 1 van de OVO-richtlijn.2 Over het algemeen werd ervan uitgegaan dat de OVO-regeling ook niet van toepassing was op een pre-pack.3 Toch werden ook voordat het Smallsteps-arrest in 2017 werd gewezen door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie of Hof) met name vanuit arbeidsrechtelijke hoek vraagtekens geplaatst bij deze aanname.4 Dat die aanname niet zonder meer juist was, blijkt evident uit het Smallsteps-arrest5 dat het Hof van Justitie wees als antwoord op prejudiciële vragen van de rechtbank Midden-Nederland.6
Het Hof van Justitie overweegt in Smallsteps dat een procedure aan drie voorwaarden moet voldoen om onder de faillissementsuitzondering van artikel 5 lid 1 van de OVO-richtlijn te vallen. In de eerste plaats moet sprake zijn van een faillissementsprocedure of een soortgelijke procedure. Ten tweede moet deze procedure zijn ingeleid met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder. Tot slot moet de procedure onder toezicht van een overheidsinstantie staan. Aan de eerste voorwaarde is voldaan, maar aan de tweede en derde voorwaarde (in beginsel) niet.7 Het antwoord op de vraag of het Smallsteps-arrest met zich bracht dat de OVO-regeling op (alle) pre-packs van toepassing was, werd in de literatuur verschillende beantwoord. Hoe dan ook leidde het Smallsteps-arrest en de onduidelijkheid die hierdoor was ontstaan tot het opdrogen8 van de pre-packpraktijk.9 Het arrest heeft er daarnaast voor gezorgd dat de behandeling van de WCO I sinds 2017 is aangehouden in de Eerste Kamer.10
Om de pre-pack uit het slop te halen zijn twee conceptvoorstellen voorgelegd ter internetconsultatie. Het eerste is het in mei 2019 gepubliceerde voorontwerp voor de Wet overgang van onderneming in faillissement, op basis waarvan de OVO-regeling in aangepaste vorm van toepassing wordt op iedere overgang van onderneming die plaatsvindt tijdens het faillissement van de vervreemder.11 Met de Wet overgang van onderneming in faillissement zou onzekerheid over de toepassing van de OVO-regeling worden weggenomen, omdat de OVO-regeling op basis van het voorontwerp simpelweg van toepassing is.12 Het tweede conceptvoorstel is het voorontwerp voor een novelle op de WCO I dat in mei 2021 is gepubliceerd.13 Met de novelle is de WCO I uitsluitend bedoeld voor het gecontroleerd afwikkelen van activiteiten waarmee maatschappelijke belangen zijn gediend. Opvallend is dat de pre-pack daarmee in ieder geval in eerste instantie uitsluitend is gericht op het voorkomen van maatschappelijke schade en ‘persoonlijk leed voor betrokkenen’,14 terwijl uit hoofdstuk 3 blijkt dat nog veel discussie bestaat over het antwoord op de vraag of en in welke mate de curator rekening moet houden met belangen van maatschappelijke aard.15 De gedachte is dat het maatschappelijk gezien wenselijk is dat in dergelijke gevallen een beoogd curator kan worden aangewezen, ook zolang nog geen volledige duidelijkheid bestaat over toepassing van de OVO-regeling in faillissement.16
Vanwege de onduidelijkheid die is ontstaan naar aanleiding van Smallsteps heeft de Hoge Raad in het kader van de doorstart van Heiploeg opnieuw prejudiciële vragen gesteld over de verhouding tussen de pre-pack en de OVO-regeling.17 De Hoge Raad geeft in het verwijzingsarrest duidelijk aan waarom de pre-pack naar zijn oordeel in het algemeen en in het bijzonder in het faillissement van Heiploeg is gericht op liquidatie van de vervreemder. De Hoge Raad stuurt hiermee aan op het oordeel dat de OVO-regeling toch niet van toepassing is op de pre-pack die aan de orde was bij Heiploeg.18
Hoewel een ander oordeel dan in het vijf jaar daarvoor gewezen Smallsteps-arrest niet voor de hand lag,19 lijkt het Hof van Justitie het oordeel in Smallsteps toch te nuanceren in het Heiploeg-arrest. Ook als een faillissement is voorbereid, kan liquidatie het hoofddoel zijn van de procedure. Om daartoe te concluderen moet in een specifieke situatie vaststaan (1) dat de vervreemder insolvent is, (2) dat het primaire doel van de procedure is om een zo hoog mogelijke uitkering voor de schuldeisers te verwezenlijken20 en (3) dat de tenuitvoerlegging van de liquidatie het mogelijk maakt dit doel te bereiken21.22 Om onder de faillissementsuitzondering van artikel 5 lid 1 van de richtlijn te kunnen vallen, moet de pre-pack wel zijn vastgelegd in ‘wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen’.23 Omdat Nederland op dit moment nog geen wettelijke regeling heeft voor de pre-pack, is de OVO-regeling vooralsnog van toepassing op de pre-pack.24 Het Hof oordeelt verder dat de Nederlandse pre-pack onder toezicht van een overheidsinstantie staat. Voor dit oordeel is met name van belang dat de rechtbank ertoe kan beslissen anderen dan de beoogd curator en beoogd rechter-commissaris tot respectievelijk curator en rechter-commissaris te benoemen. Dit is naar het oordeel van het Hof een vorm van toezicht op de beoogd curator en de beoogd rechter-commissaris.25
Het Heiploeg-arrest van het Hof van Justitie maakt twee dingen duidelijk. Het arrest maakt ten eerste duidelijk dat een wettelijke regeling voor de pre-pack noodzakelijk is om gebruik te kunnen maken van de faillissementsuitzondering van de richtlijn. In de tweede plaats moet per geval worden beoordeeld of het faillissement, al dan niet voorafgegaan door een stille voorbereidingsfase, liquidatie als primaire doel heeft. Dit zorgt voor onzekerheid bij de doorstarter, tenzij een oplossing wordt doorgevoerd om deze onzekerheid weg te nemen. Een oplossing zou kunnen zijn om de rechter die de procedure opent expliciet het doel van de procedure te laten vaststellen.26 Een andere oplossing kan zijn om de OVO-regeling van toepassing te laten zijn op alle doorstarts.27
Ondanks herhaaldelijk aandringen van de minister om de behandeling van het wetsvoorstel voort te zetten28 is de WCO I nog steeds aangehouden in de Eerste Kamer, laatstelijk omdat de commissie Justitie & Veiligheid de behandeling van de WCO I samen met het wetsvoorstel Wet overgang van onderneming in faillissement wil voortzetten.29 Uit alles blijkt dat het doel van de minister nog steeds is om de WCO I te verheffen tot wet. Vooralsnog is onduidelijk of dat (in eerste instantie) met een novelle zal zijn en of een voorstel voor een Wet overgang van onderneming in faillissement zal worden ingediend,30 maar voor de beantwoording van de vraag die centraal staat in dit hoofdstuk is dat niet relevant. Als uitgangspunt in dit hoofdstuk neem ik daarom de WCO I en de Praktijkregels beoogd curator van INSOLAD, waaraan naar het oordeel van de Hoge Raad op dit moment al ‘betekenis toekomt’.31 Voordat de zeggenschap van schuldeisers en andere belanghebbenden aan de hand van de WCO I en praktijkregels wordt geanalyseerd, wordt ingegaan op de voor- en nadelen van de pre-pack.