Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/7.3.2.a
7.3.2.a De algemene uitkoopregeling (art. 2:92a/201a BW)
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS601105:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 19 april 1990, NJ 1990/546 (Thomassen). In vergelijkbare overwegingen o.m. OK 15 juli 1999, Ondernemingsrecht 2002, p. 54 (P&C Groep); OK 29 mei 1997, NJ 1998/468 (Joh. Wolff & CO); OK 29 mei 1997, TVVS 1997, p. 284 (Groenendijk Yellowcabin Europe); OK 15 november 1990, NJ 1991/176 (Baronie-De Heer); OK 27 september 1990, rolnr. 95/89, n.g. (Schokbeton Holding).
Maeijer onder NJ 1990/546 en NJ 1991/176; Van Dort (1991), p. 210; Van den Ingh (1991), p. 222; Handboek (1992), p. 328. Instemmend met deze rechtspraak (zonder motivering): Slagter (1991a), p. 49; Van Vliet (1999), p. 48.
De OK overweegt hiertoe in ro. 3.1: ‘De Ondernemingskamer acht termen aanwezig haar vorenbedoelde rechtspraak, die in de rechtsgeleerde literatuur niet onbestreden is gebleven, te herover-wegen.’
OK 15 juli 1999 (ro. 2.2), NJ 1999/742; JOR 1999/199 (Flexovit). De OK merkt voorts nog op dat het dagvaarden van de certificaathouders ook bezwaren oplevert, zoals mogelijke vertraging, extra kosten en andere complicaties in de procedure.
Zie OK 21 februari 2012 (ro. 3.8), JOR 2012/144 (Crucell), met betrekking tot houders van ADS’s (hierna sub d); OK 22 september 2009, JOR 2009/288 (Grolsch); OK 28 oktober 1999, Ondernemingsrecht 2002, p. 56 (Molenschot); OK 15 juli 1999, Ondernemingsrecht 2002, p. 54 (P&C Groep).
In het geval een vordering op grond van de algemene uitkoopregeling ex art. 2:92a/ 201a BW ziet op aandelen waarvoor certificaten zijn uitgegeven, is de uitkoper niet gehouden de certificaathouders op enige manier in de procedure te betrekken. Hij kan volstaan met het dagvaarden van enkel de aandeelhouder ten titel van beheer, veelal een stichting administratiekantoor. Dit is vaste rechtspraak sinds 1999.
Voor die tijd diende de uitkoper behalve het administratiekantoor, ook de certificaathouders te dagvaarden en te vorderen dat zij werden veroordeeld ‘te gehengen en te gedogen dat de van het administratiekantoor gevorderde overdracht wordt geëffectueerd’.1 De gedachte was dat door de toewijzing van de vordering de certificaathouders hun financieel-economisch belang bij de aandelen verloren. De strekking van de uitkoopregeling bracht volgens de OK mee dat zij in het geding werden betrokken, om zich onder meer over de aan de aandelen toe te kennen waarde te kunnen uitlaten. In de literatuur bestond veel kritiek op deze rechtspraak, omdat de wet noch de parlementaire geschiedenis verplicht tot het in rechte betrekken van certificaathouders.2
In 1999 gaat de OK ‘om’ in de uitkoopprocedure inzake Flexovit.3 De uitkoper is niet langer gehouden de certificaathouders mede te dagvaarden. Dit blijkt volgens de OK allereerst uit de tekst van de wet. Daarnaast kan de gedwongen overdracht van aandelen ook plaatsvinden zonder dat de certificaathouders zijn veroordeeld deze te gehengen en gedogen, omdat de overdracht haar grondslag vindt in de rechterlijke beslissing die in zoverre de administratievoorwaarden doorbreekt. Voorts gaat het argument dat de certificaathouder de mogelijkheid moet hebben zijn economisch belang te behartigen evenmin op, aldus de OK. Het administratiekantoor is namelijk verplicht de belangen van de certificaathouders naar beste vermogen te behartigen en bovendien stelt de OK de uitkoopprijs zelfstandig vast. Tot slot kan een certificaathouder op grond van art. 217 Rv altijd zelf in de procedure tussenkomen.4
De beslissing van de OK inzake Flexovit acht ik juist. Er bestaat geen reden voor het mede in rechte betrekken van de certificaathouders. Hoewel de uitkoper niet verplicht is tot het oproepen van de certificaathouders, staat het hem wel vrij om dit toch te doen en te vorderen dat de certificaathouders de gedwongen overdracht van aandelen gehengen en gedogen.5 Dit geldt ook ten aanzien van andere met certificaten vergelijkbare instrumenten (§ 7.3.2 sub d).