Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.6.3.4
7.6.3.4 Alternatieven op wetgevingsniveau
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661557:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie Scheltema 2020b, p. 17-18 ‘(…) Zolang het om een ongeschreven beginsel gaat, komt de twijfel eerder op of de rechter tot een dergelijk oordeel mag komen. Dan wordt er gesproken van het contra legem toepassen van het beginsel. Die terminologie is niet meer van toepassing bij een door de wetgever gecodificeerd beginsel: dan gaat het om twee bepalingen in de wet die in een concreet geval met elkaar in strijd komen. Dan is het een kwestie van wetsinterpretatie aan welke bepaling de voorrang moet worden gegeven. Contra legem toepassing is dan niet aan de orde.’ Vgl. voorstel Raad van State om het vertrouwensbeginsel te codificeren vanwege het belang voor belastingplichtigen (zie Kamerstukken II 2005/2006, 30322, nr. 5, p. 6-7 en nr. 7, p. 29-30). In de literatuur zie Kortmann 2019b, p. 683-693 (en aangehaalde literatuur); De Vos 2011, p. 246-247; Gribnau 2000, p. 16-22. Zie ook de aangehaalde literatuur, evenals voor- en nadelen van codificatie van o.a. het vertrouwensbeginsel, in Nagelhout en Van Wordragen 2021, par. 6.
Brief staatssecretaris Toeslagen en Douane Van Huffelen van 29 juni 2021, nr. 2021-0000126162, V-N 2021/31.17, p. 8 (streven is een consultatievoorstel uitgeven in het voorjaar van 2022) en bijlage actiepunt 36 op p. 8-9; Kamerstukken II 2021/2022, 35925 VI, nr. 2, p. 17. Zie ook Baron & Poelmann 2021b; Nagelhout en Van Wordragen 2021.
Zie Scheltema 2021, p. 819.
Aan codificatie van het vertrouwensbeginsel zijn overigens zowel voordelen als nadelen verbonden (bijvoorbeeld enerzijds democratische legitimatie, leidraadfunctie en symboolfunctie, anderzijds een risico van rigiditeit); zie een overzicht van in de literatuur naar voren gebrachte gezichtspunten in Nagelhout en Van Wordragen 2021, par. 6.
Ter afronding wijs ik op alternatieven die zich richten op het wetgevingsniveau. Op deze plaats bedoel ik niet zozeer vereenvoudiging van wetgeving (paragraaf 7.6.2.e), maar het – onder andere door Scheltema bepleite1 – voorstel om het vertrouwensbeginsel te codificeren. Inmiddels is de overheid overigens voornemens de codificatie van algemene beginselen van behoorlijk bestuur op te pakken.2 Codificatie vormt een intern-juridische oplossing die het conflict tussen wetstoepassing en vertrouwen kan wegnemen (rechtsgelijkheid). Ik acht codificatie van het vertrouwensbeginsel een gewenste stap en zie daarvoor specifiek in de context van dit onderzoek twee argumenten.
In de eerste plaats leidt codificatie van het vertrouwensbeginsel ertoe, zoals Scheltema al inzichtelijk maakte, dat bij de vraag of bij de burger gewekte verwachtingen bescherming verdienen, een discussie over contra legem-toepassing van het vertrouwensbeginsel niet langer nodig is. Immers, als het vertrouwensbeginsel (ook) een wettelijke norm is, leidt toepassing van het vertrouwensbeginsel niet langer tot contra legem-toepassing van dat beginsel.3 Dan gaat het niet langer om de vraag of een strikte wetstoepassing moet wijken voor het vertrouwensbeginsel, maar is de vraag welke van beide wettelijke regelingen voorrang krijgt (gelijkheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel). Ten tweede komt codificatie van het vertrouwensbeginsel tegemoet aan het gebrek aan democratische legitimatie van voorlichting (democratiebeginsel). Dat lost het hiaat in de democratische legitimatie van (een lagere) heffing op grond van door voorlichting gewekte verwachtingen op. Overigens zal ook na codificatie van het vertrouwensbeginsel een afweging nodig blijven tussen het belang van toepassing van de ene wetsbepaling (fiscale regel) en de andere (het vertrouwensbeginsel).4 De toegevoegde waarde van het voorstel is dat het inkleuring geeft aan de te maken afwegingen.
Uit het bovenstaande volgt dat de besproken alternatieven niet de voorkeur verdienen en dat het herijkingsvoorstel een betere oplossing vormt. Wel geeft een aantal genoemde alternatieven inspiratie voor aanbevelingen (zie hoofdstuk 8).