Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/4.5.5
4.5.5 Lidmaatschapsverplichtingen
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250363:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Rensen 2005, p. 11 en Asser/Rensen 2-III 2017/60, in algemene zin over de toetreding tot een vereniging.
Zie art. 2:34a BW.
Asser/Rensen 2-III 2017/57.
Asser/Rensen 2-III 2017/221.
Asser/Rensen 2-III 2017/283.
Beckman 1995a, p. 551-552. Zie ook Houwen 1997, p. 82, die dit standpunt impliciet lijkt te onderschrijven.
Beckman 1995a, p. 552.
Zie Asser/Rensen 2-III 2017/16 in algemene zin over de toetreding van een lid bij de oprichtingshandeling van de vereniging, respectievelijk Assink/Slagter 2013/83 en Asser/Rensen 2-III 2017/60 in algemene zin over de toetreding van een lid tot een bestaande vereniging.
Rensen 2005, p. 50 en Asser/Rensen 2-III 2017/51.
Houwen 1997, p. 82.
Asser/Rensen 2-III 2017/241.
Beckman 1995a, p. 552-553.
Zie § 4.5.4.b.
Een 403-maatschappij kan lid worden van een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij bij de oprichtingshandeling of door later toe te treden.1 Aan dit lidmaatschap zijn doorgaans verplichtingen verbonden jegens de vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij. Het is de vraag of dergelijke verplichtingen van de 403-maatschappij onder de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid vallen.
Ik maak een onderscheid tussen twee soorten lidmaatschapsverplichtingen. Ten eerste de verplichtingen die bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap zijn verbonden,2 zoals de verplichting tot het betalen van contributie of dat de leden na afloop van het boekjaar een eventueel verlies van de vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij moeten aanvullen.3 Ten tweede de verplichtingen van een lid uit een zakelijke overeenkomst met de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij. Dit zijn overeenkomsten die samenhangen met het doel van de coöperatie of de onderlinge waarborgmaatschappij, om te voorzien in de stoffelijke behoeften van de leden krachtens overeenkomst, respectievelijk het sluiten van verzekeringsovereenkomsten met de leden.4 Rensen noemt als voorbeeld dat een kredietcoöperatie een geldleningsovereenkomst met haar leden sluit, of dat een productverwerkende coöperatie koopovereenkomsten aangaat met haar leden.5 Bij dit laatste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een zuivelcoöperatie die melk afneemt bij boeren. Bij een onderlinge waarborgmaatschappij geldt dat het lidmaatschap een gevolg is van de verzekeringsovereenkomst.6
Het zal niet verbazen dat de schulden die voortvloeien uit een zakelijke overeenkomst die de 403-maatschappij is aangegaan met de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij, onder de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid vallen.7 Er is geen reden om een onderscheid te maken tussen dergelijke overeenkomsten en andere zakelijke overeenkomsten die de 403-maatschappij aangaat met een andere partij dan de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij. Ook de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij moet worden gecompenseerd voor het niet kunnen inzien van de jaarrekening van de 403-maatschappij.
Het is echter de vraag of ook de verplichtingen die bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap zijn verbonden onder de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid vallen. Met Beckman beantwoord ik deze vraag bevestigend.8 Het toetreden als lid bij de vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij is een rechtshandeling van de 403-maatschappij.9 Door de toetreding is de 403-maatschappij van rechtswege gehouden tot de verplichtingen jegens de vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij die het lidmaatschap met zich brengt.10 Naar mijn mening vloeien deze verplichtingen daarom voort uit de rechtshandeling waarbij de 403-maatschappij lid is geworden. Dat de rechtsverhouding tussen de 403-maatschappij en de vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij mede wordt beheerst door de statuten maakt dit niet anders.
Houwen is het niet eens met bovenstaand standpunt.11 Hij meent dat dit een te ruime uitleg is van de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid die niet strookt met de strekking van de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij. Hij legt echter niet uit waarom het in strijd zou zijn met de strekking van de 403-aansprakelijkheid als de moedermaatschappij aansprakelijk is voor de statutaire lidmaatschapsverplichtingen van de 403-maatschappij tegenover de vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij. Ik zie niet in waarom deze statutaire lidmaatschapsverplichtingen op dit punt zouden verschillen van andere verplichtingen die uit een rechtshandeling van de 403-maatschappij voortvloeien. Voor een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij – en indirect voor de leden daarvan – kan het van belang zijn om de jaarrekening van de 403-maatschappij in te zien. Als deze mogelijkheid ontbreekt, moet de vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij mijns inziens worden gecompenseerd voor het gebrek aan inzicht. Ik geef hieronder twee voorbeelden met betrekking tot een coöperatie.
Ten eerste is het mogelijk dat een coöperatie op grond van art. 2:60 BW in de statuten heeft opgenomen dat als een lid uittreedt, hij uittreedgeld moet betalen aan de coöperatie.12 Een zuivelcoöperatie kan bijvoorbeeld een verplichting tot het betalen van uittreedgeld in de statuten hebben opgenomen om het verlies in omzet op te vangen dat ontstaat doordat een lid na zijn uittreden geen melk meer levert aan de coöperatie. Daarnaast kunnen de leden van een coöperatie statutair verplicht zijn om gezamenlijk ieder boekjaar een eventueel verlies van de coöperatie aan te vullen. In dergelijke situaties is het voor de coöperatie – en indirect voor de leden – van belang dat de jaarrekening van de 403-maatschappij kan worden ingezien om (mede) aan de hand daarvan te schatten of de 403-maatschappij in staat is om aan deze verplichtingen te voldoen. De coöperatie kan in financiële moeilijkheden komen als de 403-maatschappij niet aan haar verplichtingen voldoet, en dit kan weer tot extra aansprakelijkheid leiden voor de overige leden van de coöperatie – bijvoorbeeld omdat zij zelf extra moeten bijbetalen om het verlies van de coöperatie aan te vullen. Als de coöperatie niet de mogelijkheid heeft om de jaarrekening van de 403-maatschappij in te zien en (mede) aan de hand daarvan te schatten hoe groot het risico is dat deze niet aan haar lidmaatschapsverplichtingen zal voldoen, moet de coöperatie hiervoor naar mijn mening worden gecompenseerd met een aanvullende vordering op de moedermaatschappij van wie zij de geconsolideerde jaarrekening wel kan inzien. Hetzelfde geldt voor een vereniging of onderlinge waarborgmaatschappij waarvan de 403-maatschappij lid is.
Tot slot wijs ik nog op de mogelijkheid dat een 403-maatschappij op grond van art. 2:55 lid 1 BW bij de ontbinding van de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij waarvan zij lid is, of tot minder dan een jaar geleden lid was, aansprakelijk is voor (een statutair vastgesteld deel van) het tekort van de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij. Beckman is van mening dat deze aanzuiveringsplicht voortvloeit uit art. 2:55 lid 1 BW en daarom niet onder de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid valt.13 Dit lijkt mij echter geen juist oordeel. Ik wijs erop dat een 403-maatschappij op grond van art. 2:55 lid 1 BW niet aansprakelijk is tegenover de crediteuren van de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij, maar tegenover de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij zelf. Ik maak op dit punt een vergelijking met de aansprakelijkheid van een 403-maatschappij ex art. 2:9 BW als bestuurder van een andere rechtspersoon. Ik heb eerder opgemerkt dat deze aansprakelijkheid mijns inziens voortvloeit uit de rechtshandeling waarbij de 403-maatschappij het bestuurderschap heeft aanvaard, omdat het een interne aansprakelijkheid betreft tegenover de wederpartij bij deze rechtshandeling: de door haar bestuurde rechtspersoon.14 Hetzelfde geldt bij de aansprakelijkheid op grond van art. 2:55 lid 1 BW. Ook dat betreft een interne verplichting tegenover de wederpartij bij de rechtshandeling waarbij de 403-maatschappij lid is geworden van de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij. In beide gevallen is de directe ontstaansgrond van de schuld weliswaar de wet – op grond van de wet is de 403-maatschappij onder bepaalde omstandigheden als bestuurder of lid aansprakelijk –, maar de schuld vloeit voort uit de eerdere rechtshandeling van de 403-maatschappij.