Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/6.5.2
6.5.2 Is een alternatieve benadering aangewezen?
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS394946:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
BGH 10 februari 1971, NJW 1971, 799: ‘In einem derartigen Falle erfüllt der erweiterte Eigentumsvorbehalt die Aufgabe, die im allgemeinen einer Sicherungsübereignung zukommt, denn er dient der dinglichen Sicherung von Forderungen, die nicht den Sicherungsgegenstand betreffen.’ Zo ook Gravenhorst 1971, p. 495-496, Gottwald & Adolphsen 2000, p. 1048, Jaeger/Jacoby 2014, § 107 InsO, Rn. 82, MünchKomm- InsO/Ganter 2013, § 51 InsO, Rn. 80, Gottwald/Huber 2015, § 36, Rn. 39 en Braun/Kroth 2017, § 103 InsO, Rn. 33.
Bork 1997, p. 78 en Jaeger/Jacoby 2014, § 107 InsO, Rn. 82. Zo ook voor het Nederlandse recht Meijers 1936, p. 242 en Asser/Beekhuis 3-I 1980, p. 171. Illustratief voor deze benadering is dat sommigen zelfs aannemen dat de verkoper geen Absonderungsrecht verkrijgt wanneer de curator van de koper de koopprijs voldoet, omdat na faillissement ingevolge § 91 InsO geen Absonderungsrecht verkregen kan worden op in de boedel vallende vermogensbestanddelen. Zo bijv. Serick 1982, p. 692-695, Jaeger/Henckel 2004, § 51 InsO, Rn. 29 en Gottwald/Huber 2015, § 36, Rn. 40. Daartegen: W. Marotzke, Gegenseitige Verträge im neuen Insolvenzrecht, Neuwied: Luchterhand 2001, p. 176-180, MünchKomm-InsO/Ganter 2013, § 47 InsO, Rn. 93 en Gottwald/Adolphsen 2015, § 43, Rn. 32.
Zie bijv. expliciet Braun 1980 die op p. 175 opmerkt dat partijen verschillende zelfstandige overeenkomsten op grond van de partijautonomie kunnen samenvoegen, in die zin dat ze een eenheid vormen en hetzelfde lot delen, maar op p. 185-186 vanwege de ‘Funktionsgleichheit’ tussen zekerheidsoverdracht en verbreed eigendomsvoorbehoud niettemin aanneemt dat dit niet kan bewerkstelligen dat een tekortkoming in de nakoming van de ene overeenkomst een grond voor ontbinding van de andere overeenkomst oplevert. Zie evenwel ook hiervoor in voetnoot 59.
Zie uitgebreid hoofdstuk 5, paragraaf 5.6.
Zie bijv. Serick 1982, p. 63: ‘Der Lieferant ist kraft des Kaufvertrages nach Zahlung der zunächst kreditierten und gesicherten Kaufpreisforderung verpflichtet, die Ware in das Vermögen des Käufers überzuführen. Die Erweiterungsklausel bewirkt nun, daû der Vorgang nur wirtschaftlich, nicht aber rechtlich vollzogen wird.’ Vgl. ook Serick 1993, p. 228: ‘Der Übergang von Vorbehalts- zu Sicherungseigentum nach Eintritt des Erweiterungsfalles ist unter wirtschaftlichem Aspekt evident.’ Zo ook Bork 1997, p. 78: ‘Beim einfachen Eigentumsvorbehalt wäre er jetzt Eigentümer, und auch beim erweiterten Eigentumsvorbehalt steht ihm das Eigentum jetzt zu, jedenfalls nach dem kaufvertraglichen Element des Vertrages.’ Vgl. ook Gottwald & Adolphsen 2000, p. 1048 die opmerken dat de voorwaarde in vervulling is gegaan en Jaeger/Henckel 2004,§ 51 InsO, Rn. 28 die stelt dat de koper eigenaar is geworden en de verkoper nog slechts een zekerheidsrecht heeft op een aan de koper toebehorende zaak.
Serick 1982, p. 67 e.v.
Serick 1982, p. 77 en p. 83.
Serick 1982, p. 77.
Serick 1982, p. 78.
Serick 1982, p. 689: ‘Sie [die Sicherungsabrede; toevoeging EFV] nimmt nach Tilgung der ursprünglich gesicherten Kaufpreisforderung die Vorbehaltssache aus dem Konnex des (…) Kaufes (…) endgültig heraus und stellt sie in einem neuen Zusammenhang. Er bewirkt, daû an die Stelle des Kaufes die Sicherungsabrede und an die Stelle des Aussonderungsrechtes das Absonderungsrecht tritt.’
Enigszins verwarrend is dat volgens Serick de verplichting tot overdracht op zichzelf nog wel blijft bestaan, hoewel de zaak ‘aus dem Konnex des Kaufes’ wordt gehaald. Zie bijv. Serick 1982, p. 82 en p. 85. In ieder geval vervalt deze verplichting volgens hem (Serick 1982, p. 686) op het moment dat de verkoper bevoegd wordt om tot executie over te gaan: ‘der Eintritt des Verwertungsfalles [befreit] den Verkäufer endgültig von seiner Pflicht, die Sache nach Bedingungseintritt dem Käufer zu übereignen (…) und [hat] sein Recht zur Realisierung der pfandrechtsartigen Berechtigung an eigener Sache (…) entstehen lassen.’ Vgl. ook Serick 1993, p. 126.
Zie hierover bijv. R. Serick, Eigentumsvorbehalt und Sicherungsübertragung. Band II. Die einfache Sicherungsübertragung, Heidelberg: Recht und Wirtschaft 1965, p. 75-77 en p. 95 e.v., Wieling 2006, p. 827-828 en Staudinger/Wiegand 2017, Anh zu §§ 929 ff, Rn. 211 e.v. Vgl. voor het Nederlandse recht H.A. van Nierop, ‘Fiduciaire Rechtshandelingen’, WPNR 1913 (2272-2274), i.h.b. p. 325-328 en p. 346-348, Rutten 1947, p. 344-345, Meijers 1948, p. 89-90 en Veenhoven 1955, p. 15-17.
HR 3 januari 1941, NJ 1941, 470 m.nt. P. Scholten (Hazerswoude/Los).
Vergelijkbaars geldt naar Duits recht. Een verplichting tot afdracht van overwaarde wordt afgeleid uit de doelgebondenheid van de zekerheidseigendom: de zekerheidseigenaar is slechts eigenaar teneinde de eigendom als zekerheid voor de voldoening van een vordering te benutten. Daaruit volgt dat eventuele overwaarde toekomt aan de zekerheidsgever, omdat het doel (voldoening van de vorderingen) bereikt is. Zie bijv. BGH 18 februari 1992, NJW 1992, 1620. Vgl. uit de literatuur o.m. Bülow 2012, p. 436 en MünchKomm-BGB/Oechsler 2017, Anh. zu § 929-936 BGB, Rn. 52.
Illustratief in dit verband is dat in BGH 9 juli 1986, NJW 1986, 2948 wordt aangenomen dat de Erfüllungsfunktion (d.w.z.: de gerichtheid van de koopovereenkomst op eigendomsverkrijging) van de koopovereenkomst vervalt op het moment dat de koper de koopprijs heeft betaald. Dit is nodig om te bewerkstelligen dat de verkoper wanneer hij de verkochte zaak vervolgens executeert, niet tekortschiet in de nakoming van de koopovereenkomst. Vgl. ook Serick 1982, p. 78 en p. 686 die evenwel aanneemt dat de Erfüllungsfunktion pas verloren gaat op het moment dat de verkoper overgaat tot executie (zie ook hiervoor in voetnoot 76). Hij meent dan ook dat het oordeel van het BGH te verstrekkend is. Zie Serick 1993, p. 126 en p. 228-229.
Vgl. Serick 1982, p. 79: ‘Einmal wird deutlich, daû der Käufer im Zusammenhang mit dem Verlust seines Anwartschaftsrechtes anläûlich der Verwertung für eine persönliche Schuld letztlich mit eigenen Vermögenswerten verhaftet bleibt.’
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.5.
Zoals in hoofdstuk 5, paragraaf 5.8.1 is uiteengezet, zou overwaarde die het gevolg is van het feit dat de koper reeds een gedeelte van de koopprijs heeft betaald ook in de benadering waarbij de voorbehouden eigendom na voldoening van de verschuldigde tegenprestatie niet als zekerheidseigendom wordt behandeld, namelijk overeenkomstig de ontbindingsregels dienen te worden gerestitueerd. Een verschil wordt nog gevormd door het feit dat deze restitutieregels bij ontbinding (afgezien van goederenkredietovereenkomsten, zie art. 7:84 lid 1 jo. art. 7:92 lid 1 jo. art. 7:98 BW) van regelend recht zijn, terwijl een verplichting tot afdracht van overwaarde bij zekerheidseigendom als een dwingendrechtelijke regel zou hebben te gelden.
Waarbij overigens kan worden aangetekend dat het hier al met al om een tamelijk bescheiden probleem gaat, namelijk de situatie dat (i) de koper de volledige koopprijs reeds heeft voldaan en (ii) de zaak bovendien in waarde stijgt. Het gros der zaken pleegt niet in waarde te stijgen, terwijl het bovendien niet erg aannemelijk is dat de koper zal tekortschieten in de nakoming van zijn verplichtingen, indien nakoming voor hem dergelijke gunstige gevolgen heeft.
Vgl. Scheltema 1938, p. 422-423, Veenhoven 1955, p. 14-21, Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 117-125 en Struycken 2007, p. 490. Voor het verbreed eigendomsvoorbehoud in het kader van huurkoop gold dit daarentegen ook onder het oude recht – althans sinds 1936 – al niet. Volgens art. 1576p lid 2 BW (oud) kon de eigendom namelijk ook worden voorbehouden voor andere vorderingen dan de koopprijs, terwijl de wetgever geen verplichting tot executie had voorgeschreven, maar veeleer leek uit te gaan van de gedachte dat ook dan de onderliggende koopovereenkomst kon worden ontbonden. Vgl. Meijers 1936, p. 257, voetnoot 2. Zie ook punt 67 van de conclusie van A-G Huydecoper voor HR 9 november 2012, NJ 2013, 510 (ABN AMRO Lease/Ontvanger), die terecht opmerkt dat uit het bestaan van art. 7:93 lid 2 BW (voorheen: art. 1576x BW (oud)) lijkt te moeten worden afgeleid dat de wetgever niet uitging van executie van de verkochte zaak, omdat het anders zinledig zou zijn om de waarde van de zaak eerst vast te stellen.
Waarbij bovendien geldt dat de wetgever bij de herziening van het Duitse faillissementsrecht de Duitse rechtspraak uitdrukkelijk heeft bevestigd, door in de toelichting uit te spreken dat de verkoper bij een verbreed eigendomsvoorbehoud slechts een Absonderungsrecht heeft. Zie BT-Drucks. 12/2443, p. 125.
Integendeel, zie bijv. de notitie van W. Snijders d.d. 16 oktober 1985, te raadplegen in het Nationaal Archief te Den Haag via archiefinventarisnummer 2.09.75 en inventarisnummer 744: ‘Buiten de gevallen van artikel 3.4.2.5b [= art. 3:92 BW; toevoeging EFV] dient voorts wèl het toeëigeningsverbod van artikel 3.9.1.7 te gelden, alsook de andere bijzondere regels betreffende pand.’
Zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.11.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.5.1.
Men zou deze kwestie ook geheel anders kunnen benaderen, zoals het Duitse recht doet. Het verbreed eigendomsvoorbehoud wordt vanaf het moment dat de koper de koopprijs volledig heeft voldaan en de eigendomsovergang dus nog enkel afhankelijk is van de voldoening van andere vorderingen, beschouwd als een vorm van zekerheidseigendom. Dit heeft tot gevolg dat de verkoper in faillissement niet meer het recht heeft om de verkochte zaak als eigenaar op te vorderen, maar slechts met voorrang wordt voldaan uit de opbrengst van de zaak.1 Bij een uitoefening van het eigendomsvoorbehoud zal hij zich dienen te houden aan de (executie)regels die gelden voor zekerheidseigendom.2 Aan die benadering ligt ten grondslag dat het eigendomsvoorbehoud na voldoening van de verschuldigde tegenprestatie verandert van functie. De voorbehouden eigendom zou gelijkenis vertonen met de zekerheidsoverdracht, omdat de eigendom nog slechts tot zekerheid dient van vorderingen, die geen verband houden met de koopovereenkomst.3 Door sommigen wordt er bovendien op gewezen dat de verbreding van het eigendomsvoorbehoud per saldo niets meer is dan een ‘verkorte’ zekerheidsoverdracht, waardoor het niet nodig is dat de zaak eerst in het vermogen van de koper terechtkomt en vervolgens wordt terugoverdragen.4 In dat kader wordt bovendien geconcludeerd dat de verbreding van het eigendomsvoorbehoud niet tot gevolg heeft dat de verschillende overeenkomsten, waaruit vorderingen voortvloeien waarvoor het eigendomsvoorbehoud is voorbehouden ‘ingesamt zu einem einheitlichen Schuldverhältnis zusammengefaût’ worden.5 Het lijkt er bovendien op dat de hierboven genoemde gelijkenis met de zekerheidsoverdracht eraan in de weg zou staan dat partijen bewust wel een dergelijke uitgebreide wederkerigheidsband zouden scheppen.6 Erg uitdrukkelijk komt dit alles niet aan de orde in de literatuur.
Het is in dat verband de vraag wat er na deze functieverandering van het eigendomsvoorbehoud gebeurt met de rechten en verplichtingen uit de koopovereenkomst. Zo wordt niet erg duidelijk in de Duitse literatuur waarom de verkoper bij een verbreed eigendomsvoorbehoud wel de bevoegdheid zou hebben om het eigendomsvoorbehoud uit te oefenen zonder ontbinding van de koopovereenkomst, terwijl hij een zodanige bevoegdheid bij een eenvoudig eigendomsvoorbehoud niet heeft (§ 449(2) BGB). Bovendien geldt ook hier dat de mogelijkheid van executie van de zaak zich moeilijk verdraagt met het feit dat de rechten en verplichtingen uit de koopovereenkomst zonder ontbinding in stand blijven.7 Het lijkt erop dat de koopovereenkomst en de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen bij het verbreed eigendomsvoorbehoud worden ‘weggepoetst’, om tegemoet te komen aan de economische werkelijkheid. Zo neemt een aantal auteurs aan dat de voldoening van de verschuldigde tegenprestatie weliswaar niet tot gevolg heeft dat de koper eigenaar wordt van de zaak, maar wel dat de zaak verhaalsrechtelijk gaat toebehoren aan de koper. Daarmee wordt de zaak na het intreden van het Erweiterungsfall (de voldoening van de verschuldigde tegenprestatie) in economisch opzicht beschouwd als een vermogensbestanddeel van de koper, waaraan de gedachte ten grondslag lijkt te liggen dat de koper de economische tegenwaarde voor de zaak reeds volledig heeft voldaan. In deze benadering heeft de verkoper in zekere zin aan zijn verplichting tot eigendomsverschaffing voldaan, omdat de zaak in economisch of verhaalsrechtelijk opzicht is gaan toebehoren aan de koper.8
Een uitgebreidere verklaring voor de verandering van functie van het eigendomsvoorbehoud na voldoening van de directe tegenprestatie wordt gegeven door Serick.9 In de eerste plaats wijst hij erop dat het eigendomsvoorbehoud na het Erweiterungsfall wel gelijkgesteld moet worden met zekerheidseigendom en door middel van executie moet worden uitgeoefend, omdat de koopovereenkomst niet meer kan worden ontbonden wanneer de koper zijn daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen volledig is nagekomen.10 Deze verklaring berust evenwel op een cirkelredenering, omdat het immers juist de vraag is of de verkoper de koopovereenkomst al dan niet nog kan ontbinden. Men zou namelijk evengoed kunnen betogen, zoals hiervoor is gedaan, dat uit het verbreed eigendomsvoorbehoud juist voortvloeit dat de verkoper de koopovereenkomst ook dan kan ontbinden, als de koper de overige vorderingen niet voldoet.
Een volgend, enigszins occult argument voor de behandeling van het verbreed eigendomsvoorbehoud als zekerheidseigendom leidt Serick af uit de Rechtsnatur van de voorbehouden eigendom, die volgens hem wordt gekenmerkt door een ‘dem gewöhnlichem Eigentum unbekannte Elastizität.’11 Op grond van deze elasticiteit is de voorbehouden eigendom volgens hem voldoende elastisch om een functieverandering te ondergaan als gevolg van de voldoening van de tegenprestatie:
‘Der neuen Ausrichtung des Vorbehaltseigentums, die diese funktionelle Verlagerung zum Sicherungseigentum hin mit sich gebracht hat, wird bei der Normenanwendung auf das Vorbehaltseigentum dadurch Rechnung getragen, daû nicht mehr – wie vor Eintritt des Erweiterungsfalles – das Eigentum, sondern jetzt die pfandrechtsartige Berechtigung des Lieferanten, und zwar an eigener Sache, im Blick auf den neuen Sicherungszweck die Regel bildet.’12
Ook hier wordt echter nauwelijks verklaard waarom een dergelijke elasticiteit onderdeel zou uitmaken van de voorbehouden eigendom en wat deze gedaanteverwisseling van het eigendomsvoorbehoud uitlokt. Het lijkt erop dat ook Serick hiervoor impliciet teruggrijpt op de vermeende functionele gelijkenis met de zekerheidseigendom. Na voldoening van de verschuldigde tegenprestatie staat volgens hem niet zozeer het behoud van eigendom centraal, maar vooral het zekerheidselement. Na voldoening van de verschuldigde tegenprestatie, aldus nog steeds Serick, treedt in de plaats van de koopovereenkomst een Sicherungsabrede op grond waarvan de verkoper ten titel van zekerheid gerechtigd is de verkochte zaak te executeren om zich uit de opbrengst te voldoen voor de overige vorderingen.13 Met andere woorden: de partijafspraak tussen verkoper en koper wordt aldus uitgelegd dat de koopovereenkomst na voldoening van de verschuldigde tegenprestatie uit beeld geraakt, terwijl daarvoor in de plaats een Sicherungsabrede komt, op grond waarvan de verkoper als zekerheidseigenaar de bevoegdheid heeft de verkochte zaak te executeren en zich uit de opbrengst te voldoen.14 Waarom een dergelijke Sicherungsabrede echter noodzakelijkerwijs onderdeel uitmaakt van het verbreed eigendomsvoorbehoud, wordt ook bij Serick niet erg duidelijk.
Vermoedelijk moet dit alles worden teruggevoerd op het karakter van de zekerheidseigendom, waarmee het verbreed eigendomsvoorbehoud vanwege de vergelijkbare functie wordt gelijkgesteld. Een essentieel onderdeel van zekerheidseigendom vormt de doelgebondenheid van de eigendom van de zekerheidseigenaar. Hij is eigenaar met het uitsluitende doel om de in de zaak besloten waarde te benutten als zekerheid voor de voldoening van een of meer vorderingen. Vanwege deze doelgebondenheid moet de zekerheidseigenaar rekening houden met de belangen van de zekerheidsgever, waardoor zijn aanspraken worden beperkt.15 Deze beperking is ingegeven door de doelgebondenheid van de zekerheidseigendom: de zekerheidseigenaar heeft slechts belang bij de eigendom voor zover dit nodig is om zijn vorderingen daaruit te voldoen. Verdergaande aanspraken heeft de zekerheidseigenaar niet. Zo werden de pandrechtbepalingen onder het oude recht overeenkomstig toegepast op de zekerheidsoverdracht vanwege het feit dat ‘een vermogensdeel, dat, na overdracht uit het vermogen van den schuldenaar in het vermogen van den schuldeischer, bestemd is om een ander deel van dit laatste vermogen – de ondanks die overdracht bestaan gebleven vordering – te waarborgen en om eventueel na verzilvering van zijn waarde die vordering te bevredigen, dezelfde functie vervult als een aan den schuldeischer door den schuldenaar in onderpand gegeven goed en redelijkerwijs op dezelfde wijze als zoodanig onderpand behandeld moet worden bij de afweging van de belangen, ter gelegenheid van den samenloop van crediteuren bij faillissement of surséance van betaling, van den gewaarborgden schuldeischer tegenover die van de concurrente crediteuren.’16 De overeenkomstige toepassing van de pandregels lijkt derhalve ingegeven door de doelgebondenheid van de zekerheidseigendom.17
De gelijkschakeling tussen verbreed eigendomsvoorbehoud en zekerheidseigendom in Duitsland lijkt ook te volgen uit deze doelgebondenheid en lijkt vooral ingegeven door de wens om zo aan de belangen van de koper en diens overige schuldeisers tegemoet te komen. Deze gelijkschakeling lijkt men te bereiken door een normatieve uitleg van de afspraken tussen verkoper en koper, welke uitleg tot gevolg heeft dat de koopovereenkomst in het geheel buiten beschouwing wordt gelaten.18
Voor deze benadering valt veel te zeggen, omdat zij rekenschap geeft van het feit dat de zaak bij een verbreed eigendomsvoorbehoud in economisch opzicht al toebehoort aan de koper, omdat hij de tegenwaarde voor de zaak reeds volledig heeft voldaan.19 In hoofdstuk 3 is betoogd dat de omstandigheid dat de verkoper na voldoening van de directe tegenprestatie eigenaar blijft van de verkochte zaak zich niet goed laat rechtvaardigen, omdat daardoor de gewoonlijk met voldoening van de tegenwaarde van de zaak intredende eigendomsverkrijging wordt uitgesteld.20 Daarmee wordt onder meer de neutraliteit van het eigendomsvoorbehoud doorbroken. Met het verbreed eigendomsvoorbehoud reserveert de verkoper de tegenwaarde van de zaak – de reeds volledig betaalde koopprijs – voor zijn eigen verhaal, zodat hij bij ontbinding van de koopovereenkomst kan overgaan tot verrekening met de overige vorderingen waarvoor de eigendom is voorbehouden.
Bij deze kwestie staat men derhalve op een tweesprong. Enerzijds kan men vasthouden aan de inbedding van het verbreed eigendomsvoorbehoud in de koopovereenkomst, zodat de conclusie noodzakelijkerwijze is dat geen sprake is van een vorm van zekerheidseigendom. Anderzijds kan men de gehele koopovereenkomst tussen partijen na voldoening van de verschuldigde tegenprestatie,gelet op de economische realiteit, buiten beschouwing laten, waardoor de mogelijkheid wordt geopend om de voorbehouden eigendom als zekerheidseigendom te gaan behandelen. Het verschil tussen de beide benaderingen heeft met name gevolgen voor de vraag naar afdracht van eventuele overwaarde, die het gevolg is van een tussentijdse waardestijging van de verkochte zaak.21 Zoals in hoofdstuk 5 is uiteengezet, komt dergelijke overwaarde bij het (eenvoudig) eigendomsvoorbehoud toe aan de verkoper, omdat de verkoper altijd eigenaar is gebleven. In de benadering waarin het verbreed eigendomsvoorbehoud een vorm van zekerheidseigendom is, ligt het daarentegen voor de hand dergelijke overwaarde te laten toekomen aan de koper, omdat de zaak door voldoening van de volledige tegenwaarde van de zaak in economisch opzicht aan hem is gaan toebehoren. Het komt bij de keuze derhalve met name aan op de vraag of het gewenst is rekening te houden met de belangen van de koper, in die zin dat hij na voldoening van de verschuldigde tegenprestatie in economisch opzicht wordt beschouwd als eigenaar van de zaak. Als gevolg daarvan zou overwaarde als gevolg van waardestijging aan hem moeten worden afgedragen.22
Welke weg moet hierbij nu worden ingeslagen? Uiteindelijk is de behandeling van de voorbehouden eigendom na voldoening van de directe tegenprestatie als zekerheidseigendom naar mijn mening niet aangewezen, als gevolg waarvan ook een overeenkomstige toepassing van de rechtspraak met betrekking tot de zekerheidsoverdracht niet aan de orde komt. Daarvoor is van belang dat de zekerheidsoverdracht zich onder het oude recht buitenwettelijk heeft ontwikkeld, zodat de wetgever in 1838 met die latere ontwikkeling vanzelfsprekend geen rekening kon houden en dus geen bijzondere regels voor de zekerheidsoverdracht kon geven. Het kwam derhalve uitsluitend aan op de rechter om de zekerheidsoverdracht nader vorm te geven, in welk verband de overeenkomstige toepassing van de bepalingen met betrekking tot het pandrecht in beeld kwam.23 Deze nadere vormgeving van de zekerheidsoverdracht door de rechter was daarmee geboden omdat niet kon worden teruggegrepen op een standpunt van de wetgever. Vergelijkbaars geldt voor het Duitse recht, waarin de zekerheidsoverdracht en het verbreed eigendomsvoorbehoud zich buitenwettelijk hebben ontwikkeld, waardoor het evenzeer aankwam op de rechter om nader vast te stellen welke regels van toepassing zijn op het verbreed eigendomsvoorbehoud.24
Voor het Nederlandse verbreed eigendomsvoorbehoud zoals dat is neergelegd in artikel 3:92 lid 2 BW, geldt dit alles niet. Deze mogelijkheid van verbreding van het eigendomsvoorbehoud berust op een uitdrukkelijke keuze van de wetgever. Hij heeft het eigendomsvoorbehoud ook in de verbrede variant beschouwd als ‘echte’ eigendom en rept in de parlementaire geschiedenis met geen woord over een gelijkstelling met zekerheidseigendom of een verplichting tot afdracht van overwaarde.25 Bij de invoering van de mogelijkheid van verbreding van het eigendomsvoorbehoud heeft de wetgever gekozen voor een pragmatische aanpak, waarbij er simpelweg voor is gekozen om een verruiming van het aantal vorderingen toe te laten, zonder een nader onderscheid te maken tussen het eenvoudig en verbreed eigendomsvoorbehoud.26
Daarvoor pleiten ook de beweegredenen van de wetgever om de verbreding van het eigendomsvoorbehoud mogelijk te maken. De aanleiding voor de mogelijkheid van een verbreding van het eigendomsvoorbehoud waren de moeilijkheden die zouden kunnen ontstaan bij de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud, omdat het noodzakelijk zou zijn een directe koppeling aan te brengen tussen de verkochte zaak en de nog openstaande vordering.27 Deze problemen zouden in volle omvang terugkeren indien op het eenvoudig en verbreed eigendomsvoorbehoud een verschillend regime van toepassing zou zijn, omdat het dan weer noodzakelijk zou zijn om aan te tonen of de verschuldigde tegenprestatie al dan niet volledig is voldaan.
In deze benadering moet ook het verbreed eigendomsvoorbehoud worden bezien tegen de achtergrond van de onderliggende koopovereenkomst, zodat het verbreed eigendomsvoorbehoud geen andere functie heeft dan het eenvoudig eigendomsvoorbehoud. Omdat de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud nog altijd dient te geschieden door middel van de ontbinding van de koopovereenkomst, verwordt de voorbehouden eigendom na voldoening van de verschuldigde tegenprestatie niet tot een vorm van zekerheidseigendom. De functie van het eigendomsvoorbehoud is er nog altijd in gelegen dat aldus de rechten van de verkoper bij ontbinding worden gewaarborgd, zij het dat het verbreed eigendomsvoorbehoud leidt tot een ruimere wederkerigheidsband en daarmee tot een ruimere ontbindingsmogelijkheid.
Zoals uit het voorgaande kan worden afgeleid, staat er de lege ferenda evenwel niets aan in de weg om het verbreed eigendomsvoorbehoud – net als in Duitsland – wél te behandelen als zekerheidseigendom. Noodzakelijk daarvoor zou in de eerste plaats zijn dat het Nederlandse recht (weer) een onderscheid zou maken tussen ‘werkelijke’ eigendom en zekerheidseigendom, waaraan (de strekking van) artikel 3:84 lid 3 BW momenteel in de weg staat. Bovendien zou men, op vergelijkbare wijze als in Duitsland, door middel van normatieve uitleg een (andere) invulling moeten geven aan de partijafspraken, in die zin dat de koopovereenkomst volledig buiten beschouwing wordt gelaten na voldoening van de verschuldigde tegenprestatie. Dat kan leiden tot een vergaande inbreuk op de tussen partijen gesloten afspraken. Zoals hiervoor is gebleken, heeft de keuze voor een van beide benaderingen vooral gevolgen voor het bestaan van een verplichting tot afdracht van overwaarde. Zoals in de volgende paragraaf zal blijken, kan aan de wens om rekening te houden met de omstandigheid dat de koper de verschuldigde tegenprestatie volledig heeft voldaan, als gevolg waarvan overwaarde aan hem zou (moeten) toekomen, ook op andere, meer subtiele wijze rekening worden gehouden dan door een volledige herkwalificatie van de rechtsverhouding tussen partijen.