Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/2.7.1
2.7.1 Europees geld, maar ook nationale cofinanciering
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS397300:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit geldt niet voor alle ELGF-subsidies. De bedrijfstoeslag wordt bijvoorbeeld geheel uit EU-middelen gefinancierd. Ook voor Europese subsidies die door de Europese Commissie of uitvoerende Europese agentschappen geldt het principe van cofinanciering. In artikel 109, eerste lid, van het Financieel Reglement wordt gesproken van het beginsel van medefinanciering. In artikel 5, derde lid, van de Verordening nr. 614/2007 (LIFE+) is bijvoorbeeld bepaald dat het maximumpercentage van de medefinanciering van subsidies voor het uitvoeren van acties 50% bedraagt van de in aanmerking komende kosten.
Zie bijvoorbeeld bijlage III bij de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen). Voor de armere lidstaten geldt dat 85% van het project door de EU mag worden gefinancierd. Zie ook artikel 70, derde lid, van de Verordening nr. 1698/2005 (ELFPO). Voor Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie geldt dat in de jaarlijkse programmagidsen is neergelegd per soort project of en zo ja hoeveel cofinanciering is vereist.
Voor het ELFPO geldt alleen het principe van complementariteit.
Zie artikel 5, eerste lid, van de Verordening nr. 1698/2005 (ELFPO); artikel 9, eerste lid, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen); artikel 6, eerste lid, van de Verordening nr. 1198/2006 (Europees Visserijfonds); artikel 7, eerste lid, van de Beschikking nr. 573/2007 (EVF); artikel 6, tweede lid, de Verordening nr. 1927/2006 (EGF).
Zie artikel 15, eerste lid, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen); zie artikel 6, eerste lid, van de Verordening nr. 1927/2006 (EGF). In de literatuur bestaat geen eenduidigheid met betrekking tot het onderscheid tussen het beginsel van complementariteit en het additionaliteitsbeginsel. Comijs maakt geen onderscheid tussen beide begrippen (Comijs 1998, p. 28). Volgens haar houdt complementariteit of additionaliteit in dat de EG-subsidies niet in de plaats dienen te komen van reguliere publieke uitgaven. Sutcliffe (2000) en Craig (2006, p. 73) noemen het beginsel van complementariteit niet eens; ik neem aan dat zij ervan uitgaan dat het beginsel opgaat in het beginsel van additionaliteit. Ik sluit evenwel aan bij Evans (Evans 1999, p. 5-6) en Geelhoed (Kapteyn, VerLoren van Themaat 2003, p. 868 en 869) die de beide beginselen wel onderscheiden. De hoofdreden daarvoor is dat ook in de Europese subsidieregelgeving de beginselen worden onderscheiden. Wel bestaat een nauwe samenhang tussen beide beginselen.
Dit geldt bijvoorbeeld voor de Europese EFRO-subsidies die in Nederland worden verstrekt door decentrale overheden. Zij zijn ook bevoegd de rijkscofinanciering te verstrekken. Zie hieromtrent de Regeling van de Minister van EZ van 12 november 2007, houdende de Rijkscofinanciering voor EFRO-programma's 2007-2013 voor doelstelling 2.
In deze paragraaf bespreek ik de meest relevante algemene kenmerken van de Europese subsidieregelingen die worden uitgevoerd door nationale uitvoeringsorganen. Een aantal kenmerken geldt niet voor alle Europese subsidieregelingen; dit zal dan worden vermeld.
Een eerste belangrijk kenmerk van Europese subsidieregelingen is dat zij worden gefinancierd vanuit de Europese begroting. In de meeste Europese subsidieregelingen is bepaald dat een Europese subsidie alleen mag worden verstrekt, indien sprake is van nationale cofinanciering.1 Het te subsidiëren project mag doorgaans niet voor meer dan 50% met Europees geld worden gefinancierd.2 De ratio hiervan is dat de EU geen Europese subsidies aan projecten wenst te besteden waarvoor nationale uitvoeringsorganen geen nationale subsidie over hebben.
Het principe van cofinanciering is gebaseerd op de beginselen van complementariteit en additionaliteit die zijn neergelegd in de Europese subsidieregelgeving aangaande de structuurfondsen, het ELFPO,3 het EGF, het Europees Visserijfonds en de migratiefondsen. Het beginsel van complementariteit houdt in dat de actie van de EU moet worden opgevat als aanvulling op nationale, regionale en plaatselijke acties die bijdragen tot de verwezenlijking van de prioriteiten van de EU.4 Het additionaliteitsbeginsel houdt in dat Europese subsidies niet in de plaats mogen komen van structurele overheidsuitgaven.5
Voor Europese subsidies die door nationale uitvoeringsorganen worden verstrekt, dient voordat de Europese subsidie wordt verstrekt vast komen te staan dat daar een toereikende nationale cofinanciering tegenover staat. Deze cofinanciering kan worden verstrekt door het nationale uitvoeringsorgaan zelf, maar kan ook afkomstig zijn van andere nationale autoriteiten, van de eindontvanger van de Europese subsidie zelf dan wel van private partijen. In veel gevallen is het nationale uitvoeringsorgaan bevoegd te beslissen over de Europese subsidie, de door hemzelf verstrekte cofinanciering, maar ook over de te verstrekken cofinanciering van andere nationale overheden.6