Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/3.10.2:3.10.2 Het verleden, de Wet economische mededinging (WEM)
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/3.10.2
3.10.2 Het verleden, de Wet economische mededinging (WEM)
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS582388:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De individuele onverbindendverklaring (die naast de generieke onverbindendverklaring bestond) is later vervangen door een verklaring van strijd met het algemene belang.
Zie bijvoorbeeld Mok 2004, p. 34-36, p. 53, 56; De Bree 2006, p. 206.
De Bree 2006, p. 206.
De Bree 2006, p. 206.
Mok 2004, p. 34-36; Quaedvlieg 2001, p. 53 e.v.; De Bree 2006, p. 206.
Mok 2004, p. 35.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot 1998 was overtreding van de Wet economische mededinging (wEM) een economisch delict. De WEM uit 1956 was gericht tegen misbruik van concurrentiebeperkend gedrag, waarbij de betrokken gedragingen op verenigbaarheid met het algemeen belang werden getoetst. Het niet-aanmelden van een vastgelegd kartel en het handelen in strijd met een onverbindendverklaring door de Minister van Economische Zaken ten aanzien van een kartel (wegens strijdigheid met het algemeen belang) was een strafbaar feit.1
De strafrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht onder de WEM is nooit echt succesvol geweest.2 Dit valt te verklaren door het feit dat de strafrechtelijke handhaving niet werd gehanteerd als belangrijk instrument van wettelijk beleid.3 Het ging niet zozeer om handhaving maar om regulering.4
Mok karakteriseert de WEM als een door de centrale overheid (minister) toegepaste 'instrumentenwet' (een complete wet die de overheid instrumenten biedt om beleid te voeren), welke wet in beginsel een misbruiksysteem volgde met civielrechtelijke uitgangspunten (een mededingingsregeling in de WEM was een verbintenisscheppende rechtshandeling).5 Als gevolg van onverbindendverklaring en schorsing werd de civielrechtelijke werking van een mededingingsregeling weggenomen. Mok wijst er dan ook op dat strafrechtelijk gehandhaafde verboden secundair waren.6 Met de invoering van de Mededingingswet is afscheid genomen van de strafrechtelijke handhaving op grond van de WEM. Er werd door de wetgever primair gekozen voor bestuursrechtelijke handhaving van de Mededingingswet. Zie voor de verschillen tussen de Mededingingswet en de WEM ook § 5.2.2.