Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/7.5.2
7.5.2 De beginselplicht tot handhaving naar Nederlands recht
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS449959:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Damen e.a. 2013, p. 732, Vermeer 2011, p. 59-60 en Schlössels en Zijlstra 2010, p. 974.
Zie bijvoorbeeld art. 122 leden 1 en 2 Provinciewet (college van gedeputeerde staten), art. 125 leden 1 en 2 Gemeentewet (college van burgemeester en wethouders), art. 61 leden 1 en 2 Waterschapswet (dagelijks bestuur van het waterschap), art. 5.15 Wabo (de betrokken minister) en art. 18.6a Wm (bestuur van de emissieautoriteit).
Zie Damen e.a. 2013, p. 733 en Vermeer 2011, p. 60 (beide met verwijzing naar de eerste uitspraken waarin de beginselplicht naar voren kwam). Later is het CBB in het kader van bepaalde wetten ook van een beginselplicht tot handhaving uitgegaan (zie bijvoorbeeld: CBB 4 april 2007, r.o. 6.4, ECLI:NL:CBB:2007:BA4917; CBB 20 augustus 2010, r.o. 7.2.1, ECLI:NL:CBB:2010:BN4700; CBB 15 juni 2011, r.o. 5.6.1-5.6.3, ECLI:NL: CBB:2011:BQ8708).
Zie Damen e.a. 2013, p. 733, Vermeer 2011, p. 61 en 65 en Schlössels en Zijlstra 2010, p. 977-978.
ABRvS 11 juli 2012, r.o. 2.5, ECLI:NL:RVS:2012:BX1022. Zie eerder ook bijvoorbeeld: ABRvS 30 juni 2004, r.o. 2.2, ECLI:NL:RVS:2004:AP4683; ABRvS 11 mei 2005, r.o. 2.3.2, ECLI:NL:RVS:2005:AT5360; ABRvS 13 augustus 2008, r.o. 2.5, ECLI:NL:RVS:2008:BD 9958. Sinds 2011 voegt de ABRvS aan de standaardformulering soms toe dat in gevallen waarin het bestuursorgaan een redelijk te achten handhavingsbeleid voert (bijvoorbeeld inhoudend dat het bestuursorgaan de overtreder in bepaalde gevallen eerst waarschuwt en gelegenheid biedt tot herstel voordat het een handhavingsbesluit voorbereidt) het zich in beginsel aan dit beleid dient te houden (zie bijvoorbeeld ABRvS 5 oktober 2011, r.o. 2.3, ECLI:NL:RVS:2011:BT6683 en ABRvS 7 augustus 2013, r.o. 5.3, ECLI:NL:RVS:2013:616).
Zie ook Damen e.a. 2013, p. 735, Vermeer 2011, p. 60-61 en Albers en Heinen 2008, p. 677.
Zie ook Damen e.a. 2013, p. 735 en Albers en Heinen 2008, p. 676. Zie ook Michiels 2012, p. 169, die opmerkt dat de beginselplicht de overheid wel enige ruimte, maar niet heel veel ruimte laat om overtredingen niet te sanctioneren.
Van zo’n concreet zicht op legalisatie was bijvoorbeeld sprake in ABRvS 7 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB7301 en ABRvS 11 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013: 1140.
Overigens valt een concreet zicht op legalisatie mijns inziens zonder meer onder de situatie dat sprake is van onevenredigheid tussen het door handhaving gediende belang en het daardoor geschade belang. Zo ook Schlössels en Zijlstra 2010, p. 976 en Vermeer 2011, p. 60.
Van onevenredigheid vanwege de geringe ernst van de overtreding was bijvoorbeeld sprake in ABRvS 19 januari 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS3204 (een hekwerk dat zonder vergunning en in strijd met de planvoorschriften te hoog was gebouwd maar dat verzoeker niet in zijn belangen schaadde) en ABRvS 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:328 (een ondergrondse afvalcontainer was in afwijking van de omgevingsvergunning 19 cm te dicht bij een monumentaal pothuis geplaatst). Overigens mag niet van handhaving worden afgezien uitsluitend omdat het een overtreding van een geringe ernst betreft. Steeds zal beoordeeld moeten worden of handhaving vanwege de geringe ernst van de overtreding onevenredig is in verhouding tot de belangen die door handhaving worden geschaad (zie ABRvS 21 juli 2010, r.o. 2.5, ECLI:NL:RVS:2010:BN1943).
Zie ABRvS 9 april 2008, r.o. 2.4.3, ECLI:NL:RVS:2008:BC9036.
Van zo’n incidentele overtreding was bijvoorbeeld sprake in ABRvS 4 augustus 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ6030 en (op het gebied van het economische recht) CBB 15 juni 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BQ8708.
Zie bijvoorbeeld: ABRvS 12 april 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AW1272; ABRvS 11 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH5552; ABRvS 11 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1018.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 15 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI1068 en ABRvS 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4425. Zie ook Damen e.a. 2013, p. 740-742 en Schlössels en Zijlstra 2010, p. 976.
De bevoegdheden van bestuursorganen om een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen zijn door de wetgever vaak als beleidsvrije bevoegdheden geformuleerd.1 De wetgever heeft namelijk doorgaans slechts bepaald dat het betreffende bestuursorgaan zo’n last ‘kan’ opleggen of ‘bevoegd’ is zo’n last op te leggen.2 Van een wettelijke verplichting tot het opleggen van zo’n last is dan ook geen sprake. Sinds eind jaren ’90 van de vorige eeuw is echter in de rechtspraak van de ABRvS de beginselplicht tot handhaving tot ontwikkeling gekomen.3 Zij geldt voor verschillende deelterreinen van het bestuursrecht, waaronder het omgevingsrecht.4 De beginselplicht houdt in dat het bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang of dwangsom op te leggen, bij een overtreding van een wettelijk voorschrift (of vergunningvoorschrift) van deze bevoegdheid gebruik moet maken, tenzij sprake is van een bijzondere omstandigheid. De standaardformulering van de ABRvS luidt in dit verband als volgt:
‘Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.’5
Met de aldus geformuleerde beginselplicht is de beleidsvrijheid van bestuursorganen ten aanzien van de vraag of zij bij een overtreding handhavend optreden niet geheel verdwenen, maar wel aanzienlijk beperkt.6 Het uitgangspunt is dat het bevoegde bestuursorgaan verplicht is tegen een overtreding handhavend op te treden, terwijl het afzien van handhaving de uitzondering moet zijn. Een bijzondere omstandigheid op grond waarvan van handhaving tegen een overtreding kan worden afgezien, doet zich dan ook niet vaak voor.7
Een bijzondere omstandigheid op grond waarvan van handhaving afgezien kan worden is (blijkens de geciteerde standaardoverweging) bijvoorbeeld de situatie waarin concreet zicht bestaat dat de overtreding gelegaliseerd wordt (bijvoorbeeld door verlening of wijziging van een vergunning).8 Van handhaving kan ook afgezien worden, indien sprake is van onevenredigheid tussen het door handhaving gediende belang en het daardoor geschade belang.9 Dat zal vooral het geval zijn als de overtreding van een geringe ernst is.10 Ook anderszins kan sprake zijn van onevenredigheid. In de zaak-Delfluent Services B.V. werd bijvoorbeeld door een afvalwaterzuiveringsinstallatie de geuremissienorm van de milieuvergunning overschreden. Handhavend optreden zou het stilleggen van de installatie impliceren en zou daarmee tot gevolg hebben dat ongezuiverd afvalwater op zee zou worden geloosd. De met handhaving gediende belangen van omwonenden van de installatie (minder stankoverlast) wogen volgens het college van gedeputeerde staten en de ABRvS dan ook niet op tegen de met handhaving geschade belangen (verontreiniging van de zee).11 Ook bij een incidentele overtreding zonder dat voor herhaling gevreesd hoeft te worden kan sprake zijn van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan van handhaving afgezien kan worden.12 Tot slot kunnen ook andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur met zich brengen dat sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan van handhavend optreden moet worden afgezien. Zo stond in sommige zaken het gelijkheidsbeginsel aan handhaving in de weg, omdat tegen de ene overtreding wel werd opgetreden maar tegen vergelijkbare andere overtredingen niet.13 Met een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel blijken burgers zich echter maar zelden met succes tegen handhaving te kunnen verzetten.14