Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.2.3.2
12.2.3.2 Overschrijding van het fatale moment en sanctie
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940474:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 december 1990, BNB 1991/176, r.o. 4.9.4. Aldus ook Den Boer in zijn noot bij het arrest (onvoldoende mededeling betekent vernietiging van de boete). Zie ook HR 5 september 2003, BNB 2003/349. Dat deze vaste jurisprudentie nog steeds wordt gevolgd, moge blijken uit Rb Zeeland-West-Brabant 8 december 2015, V-N 2016/18.21.5, r.o. 2.9 (verkeerde adressering van de mededeling leidt tot vernietiging), alsmede uit Rb Zeeland-West-Brabant 1 maart 2017, V-N 2017/28.21.7, r.o. 2.26.
HR 12 maart 1997, BNB 1997/146 (geen ambtshalve grond voor cassatie, zie par. 5.h.2 en 5.h.3 van de aangehechte Hofuitspraak).
HR 20 december 1989, BNB 1990/102 (bezwaar), HR 19 december 1990, BNB 1991/176 (beroep). Zie ook Rb Den Haag 31 mei 2018, V-N 2018/46.2.8, r.o. 36.
Zie voor een mogelijke verklaring (en steun) voor deze strenge opstelling, Feteris 2002, p. 209-210 en p. 225.
EHRM 25 maart 1999 (Pélissier en Sassi/Frankrijk), nr. 25444/94, Reports of Judgments and Decisions 1999-II, par. 54, EHRM 25 juli 2000, nr. 23969/94 (Mattoccia), par. 60. Zie voorts Feteris 2002, p. 208-209.
Zie Feteris 2002, p. 208-209, met uitgebreide verwijzingen. Zie ook paragraaf 12.2.6 hierna.
Zie Feteris 2007, p. 370, noot 303 voor verwijzingen, alsmede de noot van Van Leijenhorst bij HR 5 september 2003, BNB 2003/349, ook voor verwijzingen.
Aantekening bij HR 10 juni 1992, FED 1992/669 (punt 8, slot). Bevestigd in zijn noot bij HR 12 maart 1997, BNB 1997/146 (punt 6).
Conclusie A-G Van Soest bij HR 10 juni 1992, FED 1992/669 (par. 7).
Inhoudende dat de gevolgen een schending van het mededelingsvereiste afhankelijk zijn van de omstandigheid dat de boeteling is geschaad in zijn verdediging (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 93).
Het opleggen van de aanslagen en boetes werd bovendien gevolgd door versnelde invordering, HR 28 april 1999, BNB 2000/207. Feteris merkt op dat de Hoge Raad in dit arrest lijkt uit te gaan van het moment waarop de boeteling de kennisgeving en de motivering ontvangt, Feteris 2002, noot 22 op p. 208.
Laat staan kan reageren, vgl. inzake de kennisgevingsplicht paragraaf 12.2.7.3 en het aldaar besproken arrest HR 30 juni 2017, V-N 2017/34.12.
Is het fatale moment eenmaal verstreken, dan is de Hoge Raad streng. Informatie over de gronden waarop de boete berust, die de belastingplichtige ontvangt nadat de boete aan hem is opgelegd, blijft buiten beschouwing. Een te late mededeling brengt bovendien algeheel verval van de boete mee.1 Te laat is daarbij ook echt te laat: zelfs als de mededeling nog op dezelfde dag, maar ruim een uur na het opleggen van de boete wordt gedaan, kan de boete niet in stand blijven.2 Het maakt niet uit of de alsnog gedane mededeling nog in bezwaar plaatsvindt (bijvoorbeeld in de beslissing op bezwaar) of pas in beroep (bijvoorbeeld in het verweerschrift): in beide gevallen is het fatale tijdstip immers reeds overschreden.3
Opvallend bij deze strenge opstelling van de Hoge Raad, is dat het antwoord op de vraag of de boeteling ook daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad, niet relevant is.4 Het EHRM weegt die omstandigheid namelijk wél mee: hij pleegt de waarborgen van art. 6 EVRM te bezien tegen de achtergrond van de overkoepelende norm van de ‘fair hearing’.5 De mededeling van de uiteindelijke beschuldiging kan daarom volgens het EHRM in de loop van het proces nog worden gecompleteerd, aangevuld of zelfs gewijzigd, zolang de beschuldigde maar de gelegenheid krijgt om daar adequaat op te reageren.6 In de literatuur is de strenge opstelling van de Hoge Raad dan ook bekritiseerd.7 Zo meende Wattel,8 in navolging van A-G Van Soest,9 dat er – in lijn met het EHRM – een toets moet plaatsvinden aan de achterliggende rechtsnorm van het recht op een behoorlijke verdediging. Ook als blijkt dat de boeteling daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad, zou als sanctie – behalve algehele vernietiging – eveneens matiging van de boete in aanmerking moeten kunnen komen. Ook de Vierde Tranche Awb-wetgever heeft zich op een dergelijk standpunt gesteld.10
De strenge opstelling van de Hoge Raad werkt ook de andere kant op. Zo kon het door de beugel dat de inspecteur een controlerapport met daarin de gronden voor de boete overhandigde aan belanghebbende, terwijl hij onmiddellijk daaropvolgend de aanslagen en boetebeschikkingen uitreikte.11 De mededeling mag dus kennelijk zó kort vóór de boeteoplegging plaatsvinden, dat de boeteling voorafgaand aan die oplegging in redelijkheid geen kennis meer kan nemen van de gronden.12 De mededeling mag alleen niet na de boeteoplegging plaatsvinden. De ratio achter de tijdigheidseis is in dit verband echter dat de boeteling, door vroegtijdig verweer te voeren, nog kan trachten te voorkomen dat überhaupt een boete aan hem wordt opgelegd.13 De Hoge Raad bewaakt deze mogelijkheid dus niet, hetgeen evenmin in lijn is met art. 6 EVRM.
De opvatting van de Hoge Raad heeft wel de charme van de eenvoud: het fatale moment van de boeteoplegging is voor alle betrokkenen goed bepaalbaar. Voor zover die uitleg verder gaat dan noodzakelijk, maar in het voordeel van de boeteling is, levert dat uiteraard ook geen problemen op.