Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.3.3.2
5.3.3.2 Beletten en geheim houden van antwoorden
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Sinds de inwerkingtreding van de Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen (Wet van 18 juli 2009, Stb. 209, 317) klopt de tekst van artikel 190 lid 3 Sv overigens niet meer. Het verwijst naar bepaalde gegevens in het eerste lid, terwijl die gegevens daar niet meer worden genoemd, maar naar artikel 27a lid 1 Sv zijn overgeheveld.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3 (MvT), p. 91-92.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3 (MvT), p. 91-92.
De officier van justitie heeft geen bevoegdheid om getuigen te beletten vragen te beantwoorden. In HR 8 september 1998, NJ 1998, 879 had de officier van justitie zowel bij een verhoor door de rechter-commissaris als ter zitting aan verbalisanten opgedragen om vragen niet te beantwoorden. Het gerechtshof zag hierin zo’n ernstige strijd met de beginselen van een goede procesorde dat het het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaarde. De Hoge Raad bekrachtigde deze beslissing.
Zie voor een overzicht van gevallen waarin de Hoge Raad al dan niet een goede reden aannam Naeyé 1987.
Zie HR 10 december 1985, NJ 1986, 462, r.o. 5.2, HR 27 oktober 1992, NJ 1993, 209 en HR 15 maart 1994, NJ 1994, 745, r.o. 6.4-6.5. Zie ook Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3 (MvT), p. 18.
Deze reden is te beperkt geformuleerd. Vragen die niet rechtstreeks verband houden met het ten laste gelegde feit kunnen immers wel heel relevant zijn voor de beslissingen van de rechter. Zij kunnen bijvoorbeeld van belang zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring.
Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3 (MvT), p. 123. Artikel 273 lid 2 Sv luidde: ‘Hij draagt zorg dat geene vragen worden gedaan welke de strekking hebben antwoorden te doen geven welke niet de vrije uitdrukking zijn van de gedachten van hem tot wien de vraag is gericht’.
HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4512. Zie ook HR 28 juni 1983, NJ 1983, 798, r.o. 4.2 en HR 22 september 1981, NJ 1981, 648, r.o. 6 sub d.
HR 9 maart 2004, NJ 2004, 263; HR 6 oktober 1998, NJ 1998, 913, r.o. 4.7; onderdeel 4a van de noot van Melai onder HR 14 mei 1974, NJ 1974, 468. Wanneer reeds op voorhand niet aannemelijk is dat een getuigenverhoor zal bijdragen aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv, zal op die grond het getuigenverzoek kunnen worden afgewezen. Zie daarover Naeyé 1987, p. 466.
HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4383. Op grond van dit arrest menen Spronken & Fernhout in Melai/Groenhuijsen e.a., art. 293 (aant. 5) dat de Hoge Raad ook buiten het beslismodel van de artikelen 348 en 350 Sv vragen relevant kan achten. Mijns inziens blijkt dit uit het arrest niet. Het hier bedoelde gegeven was immers van belang voor de beantwoording van de bewijsvraag.
HR 28 juni 1983, NJ 1983, 798, r.o. 4.2-4.3. In r.o. 4.4 overwoog de Hoge Raad dat – mede tegen de achtergrond van artikel 6 lid 3 sub d EVRM – het beletten van de antwoorden een schending van de beginselen van een goede procesorde opleverde.
HR 9 maart 2004, NJ 2004, 263. In deze zaak oordeelde de Hoge Raad dat het onderzoek ter terechtzitting nietig was, omdat een belangrijk beginsel van een behoorlijke procesorde was geschonden. Wanneer vragen worden belet die worden gesteld om de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring te onderzoeken, is geen sprake van een effectieve uitoefening van het ondervragingsrecht.
HR 16 november 1999, NJ 2000, 214, r.o. 4.3. Het oude artikel 288 is de voorganger van het huidige artikel 293 Sv.
EHRM 26 februari 2013, appl.no. 50254/07 (Papadakis/Macedonië), § 94: ‘he was effectively deprived of a real chance of challenging the reliability of the decisive evidence against him’.
Zie daarover onderdeel 17 van de conclusie van AG Fokkens bij HR 30 november 1999, NJ 2000, 345.
Vgl. de conclusie van AG Meijers bij HR 24 juni 1986, NJ 1987, 196.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3 (MvT), p. 21. Daar kan tegenin worden gebracht dat een procedure bij de rechter-commissaris waarbij andere procesdeelnemers niet welkom zijn en waarvan niet alle resultaten wereldkundig worden gemaakt, evenzeer als een geheim traject kan worden beschouwd.
Zie daarover bijvoorbeeld HR 17 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8050 en – van vóór de inwerkingtreding van artikel 187d Sv –HR 15 maart 1994, NJ 1994, 745, HR 10 december 1985, NJ 1986, 462, r.o. 5.2, HR 5 oktober 1982, NJ 1983, 297 en HR 17 maart 1981, NJ 1981, 382.
In HR 2 maart 1982, NJ 1982, 460 had een politieman geweigerd de naam van een informant prijs te geven. Het gerechtshof had besloten de politieman niet te verplichten de vraag te beantwoorden. Volgens de Hoge Raad kwam dit neer op toepassing van de bevoegdheid tot het beletten van antwoorden. Hij vond de beslissing van het gerechtshof niet onbegrijpelijk. Zie ook HR 5 december 2000, NJ 2001, 206.
Zie hierover uitvoeriger Spronken & Fernhoutin Melai/Groenhuijsen e.a., art. 293 (aant. 6-7).
HR 17 maart 1981, NJ 1981, 382.
EHRM 23 oktober 2012, appl.no. 38623/03 (Pichugin/Rusland), § 204-205: geen goede reden; ECRM 19 oktober 1995, appl.no. 25206/94 (Hols/Nederland): wel een goede reden.
Zij kunnen op grond van de belangen genoemd in artikel 187d Sv worden uitgesloten van aanwezigheid bij het verhoor, volgens artikel 187 lid 2 Sv.
Wet van 28 september 2006, Stb. 2006, 460, i.w.tr. 1 november 2006.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3 (MvT), p. 19.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3 (MvT), p. 20.
Hierbij zou wellicht kunnen worden gedacht aan het beletten van antwoorden.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3 (MvT), p. 92.
ECRM 14 januari 1998, appl.no. 33127/96 (T.D./Nederland).
ECRM19 oktober 1995, appl.no. 25206/94 (Hols/Nederland);EHRM25 september 2001, appl.no. 44787/98 (P.G. & J.H./Verenigd Koninkrijk), § 70-71.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3 (MvT), p. 20.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3 (MvT), p. 20 en artikel 187d lid 2 Sv.
Het niet-onthulde antwoord zal vermoedelijk nooit van beslissende betekenis zijn. In EHRM 12 december 2013, appl.no. 19165/08 (Donohoe/Ierland) is de sole or decisive test toegepast in een zaak waarin was geklaagd over schending van het recht op disclosure of evidence. Zie daarover § 8.6.4 van hoofdstuk 1.
Algemeen
Artikel 190 lid 1 jo. 27a lid 1 Sv bepaalt dat de rechter-commissaris de getuige vraagt naar diens ‘naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisadministratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats’. Het derde lid bepaalt dat het vragen naar (één of meer van) deze gegevens achterwege gelaten kan worden ‘indien er gegrond vermoeden bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zal worden belemmerd.’1Artikel 290 lid 3 Sv bevat een soortgelijke bepaling voor het getuigenverhoor door de zittingsrechter. Hoewel deze bepalingen naar de letter van toepassing zijn op alle soorten getuigen, zijn zij vooral van belang bij anonieme getuigen, waarbij alle vragen die tot onthulling van de identiteit van de getuige zouden kunnen leiden, achterwege gelaten kunnen worden.2
Het achterwege laten van bepaalde vragen is een bevoegdheid die aan de rechter is toegekend als uitzondering op de verplichting om bepaalde in de wet genoemde vragen te stellen. Deze bevoegdheid heeft dus niet direct betrekking op vragen van de verdediging. Volgens de laatste volzin van de artikelen 190 lid 3 Sv en 290 lid 3 Sv neemt de rechter-commissaris respectievelijk de zittingsrechter echter ‘de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om onthulling van dit gegeven te voorkomen.’ De rechter-commissaris beschikt over twee mogelijkheden om te voorkomen dat bepaalde gegevens openbaar worden: hij kan beletten dat de getuige antwoord geeft op een gestelde vraag (art. 187b Sv) en hij kan antwoorden die door de getuige zijn gegeven geheim houden voor de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman (art. 187d Sv). Het laatste is uiteraard slechts nuttig wanneer de getuige is gehoord buiten aanwezigheid van de officier en de verdediging. Wanneer de rechter-commissaris kan kiezen tussen beide mogelijkheden, verdient het beletten van een antwoord volgens de memorie van toelichting bij de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden de voorkeur boven het geheimhouden van het antwoord.3
Beletten van antwoorden
De artikelen 187b lid 1 en 293 lid 1 Sv bepalen dat de rechter-commissaris respectievelijk de zittingsrechter kan beletten dat een vraag van de officier van justitie, de verdachte of diens raadsman wordt beantwoord.4 Hij zal hiervoor wel een goede reden moeten hebben.5 Bovendien zal hij een belangenafweging moeten maken: het belang bij het achterwege blijven van een antwoord moet zwaarder wegen dan het belang van de verdediging.6 In de wet worden geen gronden genoemd die het beletten van een antwoord rechtvaardigen. Bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafvordering van 1921 overwoog de Minister van Justitie hierover:
‘Redenen voor het beletten, dat aan bepaalde vragen gevolg worden gegeven, kunnen b.v. zijn dat de vraag geen verband houdt met het telastegelegde,7 door den getuige reeds is beantwoord, van opzettelijk beleedigenden of krenkenden aard is, tegen het instructieve voorschrift van art. 273, tweede lid, ingaat enz.’8
Uit deze bewoordingen blijkt reeds dat van limitatieve gronden voor het beletten van antwoorden geen sprake is. Een in de praktijk vaak gebruikte en door de Hoge Raad geaccepteerde grond voor het beletten van antwoorden is het ontbreken van relevantie. De Hoge Raad hanteert als criterium of het antwoord van de getuige relevant is voor enige door de rechter te nemen beslissing.9 Praktisch zal het erop neerkomen dat de antwoorden van de getuige zullen moeten kunnen bijdragen aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.10 Of dat het geval is, zal soms mede moeten worden beoordeeld tegen de achtergrond van door de verdediging ingenomen standpunten. In een zaak uit 2011 stond een verdachte terecht wegens ontucht. Hij had het standpunt ingenomen dat die ontucht op bepaalde getoonde foto’s weliswaar te zien was, maar dat hij zelf niet de man op de foto was. De raadsman van de verdachte vroeg ter zitting aan de getuige of de verdachte de man op de foto was. Het antwoord op deze vraag werd echter belet. Het gerechtshof overwoog daarbij dat het de foto’s niet voor het bewijs zou gebruiken en vragen daaromtrent daarom niet relevant zouden zijn. De Hoge Raad vond deze motivering niet begrijpelijk. Het antwoord van de getuige was immers relevant voor het antwoord op de vraag of de verdachte zich aan de ten laste gelegde gedragingen schuldig had gemaakt.11 Ook wanneer een vraag slechts tot doel heeft aan te tonen dat bepaald bewijsmateriaal op onrechtmatige wijze is verkregen, kan het antwoord op die vraag van belang zijn voor de beslissing van de rechter. In NJ 1983, 798 had het gerechtshof de beantwoording van vragen over de verkrijging van bewijsmateriaal belet, omdat de in de vragen genoemde feiten en omstandigheden volgens het gerechtshof niet aannemelijk waren. De Hoge Raad meende dat de verdachte door het stellen van deze vragen nu juist de aannemelijkheid ervan wilde aantonen. De antwoorden hadden daarom niet mogen worden belet.12 Vragen die tot doel hebben de onbetrouwbaarheid van de getuige aan te tonen, kunnen eveneens zo relevant zijn dat de antwoorden daarop niet mogen worden belet.13
De wijze waarop vragen zijn gesteld, kan van belang zijn bij de beslissing een antwoord te beletten. In NJ 2000, 214 had het gerechtshof overwogen ‘dat het hof op de voet van het bepaalde in artikel 288 van het Wetboek van Strafvordering zal beletten dat aan insinuerende, suggestieve, niet ter zake doende en/of in het algemeen geformuleerde vragen door de verdediging gedaan, door de getuige gevolg wordt gegeven.’ Vervolgens waren daadwerkelijk antwoorden belet op vragen die te algemeen waren gesteld. De Hoge Raad meende dat de vragen ‘zo algemeen zijn gesteld dat het vereiste verband tussen die vragen en het door het Hof met het oog op zijn te nemen beslissingen te verrichten onderzoek ontbreekt. Aldus verstaan geven ’s Hofs oordelen, die in het licht van het verhandelde ter terechtzitting niet onbegrijpelijk zijn, niet blijk van miskenning van het bepaalde in art. 288 Sv (oud) en de in het middel genoemde verdragsbepalingen.’14 In deze zaak had het gerechtshof nog een andere reden aangevoerd om de vragenijver van de raadsman in te perken. De desbetreffende getuige was overgekomen uit Engeland en was maar tot een bepaalde tijd beschikbaar, kennelijk omdat hij weer naar Engeland terug moest reizen. Mede omdat ook de officier van justitie en de verdachte nog in de gelegenheid moesten worden gesteld om binnen de beschikbare tijd vragen te stellen, werd de raadsman het woord ontnomen. Tegen de achtergrond van het arrest Papadakis kan worden betwijfeld of dat gerechtvaardigd was.15
Relevantie van een antwoord kan niet alleen ontbreken wanneer het antwoord op de vraag niet van belang kan zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv, maar ook wanneer min of meer dezelfde vragen al eerder zijn gesteld en door de getuige zijn beantwoord.16 Ook kan relevantie mogelijk ontbreken wanneer de rechter zich terecht voldoende ingelicht acht om de beslissingen op de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv te kunnen nemen.17
Artikel 187d lid 1 Sv noemt bepaalde belangen die kunnen rechtvaardigen dat antwoorden van een getuige geheim blijven. Ter bescherming van deze zelfde belangen kan de rechter-commissaris bepalen dat de verdediging en de officier van justitie een getuigenverhoor niet mogen bijwonen. Het ligt voor de hand dat om dezelfde reden de rechter-commissaris zou kunnen besluiten dat de verdediging weliswaar het verhoor mag bijwonen, maar de beantwoording van bepaalde vragen wordt belet. Dat is immers een voor de verdediging minder ingrijpende beperking, aangezien zij het verhoor kan bijwonen, de vragen zelf kan stellen en de wél gegeven antwoorden zelf uit de mond van de getuige kan horen. Desondanks wees de Minister van Justitie deze mogelijkheid af in de memorie van toelichting bij de wet die artikel 187d Sv invoerde. Het beletten van antwoorden was door de NVvR aangevoerd als alternatief voor artikel 187d Sv. De Minister meende dat door het beletten van antwoorden de rechter-commissaris de mogelijkheid wordt onthouden van alle feiten kennis te nemen, terwijl juist de wens bestond ‘geheime trajecten uit te bannen’.18 Deze reactie kan worden verklaard tegen de achtergrond van het rapport van de Commissie-Van Traa, waarvan de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden een direct uitvloeisel was. In de praktijk wordt de bevoegdheid tot het beletten van antwoorden, onder goedkeuring van de Hoge Raad, wél gebruikt om de belangen genoemd in artikel 187d lid 1 Sv te beschermen.19
Toestaan om vraag niet te beantwoorden
Verwant aan het beletten van een antwoord is het op verzoek van de getuige toestaan aan die getuige dat hij een vraag niet beantwoordt. Er is dan formeel weliswaar geen sprake van het beletten van een antwoord, maar het resultaat is hetzelfde: de getuige geeft ongestraft geen antwoord op de vraag terwijl hij zich niet met succes kan beroepen op een verschoningsrecht. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan AIVD-ambtenaren of politieambtenaren die geen gevoelige informatie willen verstrekken omdat bijvoorbeeld lopend of toekomstig onderzoek daardoor zou worden geschaad.20 Omdat via de achterdeur toch een soort verschoningsrecht voor de getuige wordt gecreëerd, wordt wel gesproken van een incidenteel verschoningsrecht.21 Het toekennen van een écht verschoningsrecht aan een politieman die de identiteit van een informant weigerde te onthullen werd door de Hoge Raad overigens niet geaccepteerd.22
In bepaalde gevallen zal het ehrm er vermoedelijk mee akkoord gaan dat een rechter een getuige zonder verschoningsrecht toestaat vragen niet te beantwoorden. Daarvoor moeten dan echter goede redenen bestaan, die de rechter ook moet noemen in de motivering van zijn beslissing.23
Geheimhouding van antwoorden
Artikel 187d Sv staat de rechter-commissaris toe een door een getuige gegeven antwoord niet in het proces-verbaal van verhoor op te nemen. Het betreft hier antwoorden die zijn gegeven buiten aanwezigheid van de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman.24 De antwoorden worden niet alleen aan deze personen onthouden, maar ook aan de zittingsrechter. Het geheimhouden van antwoorden is slechts toegelaten
‘indien er gegrond vermoeden bestaat dat door de openbaarmaking van dit gegeven:
de getuige ernstige overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig zal worden belemmerd,
een zwaarwegend opsporingsbelang wordt geschaad, of
het belang van de staatsveiligheid wordt geschaad.’
Het als eerste genoemde belang is vooral aan de orde wanneer de getuige anoniem moet blijven. Onthulling van bepaalde gegevens zou het leven of het welzijn van de getuige in gevaar kunnen brengen of zijn functioneren als bijvoorbeeld lid van een observatieteam onmogelijk maken. Het als tweede genoemde belang kan worden geschaad wanneer de getuige informatie heeft verstrekt over de toepassing van bepaalde opsporingsbevoegdheden. Zou deze informatie openbaar worden, dan zou het inzetten van bepaalde opsporingsmethoden minder succesvol kunnen worden. Het als laatste genoemde belang is bij de Wet afgeschermde getuigen ingevoerd, teneinde te voorkomen dat door het bekend worden van door aivd-ambtenaren verstrekte informatie de staatsveiligheid in gevaar zou worden gebracht.25
Omdat het onderzoek ter terechtzitting openbaar moet zijn, is een soortgelijke regeling voor de fase van het onderzoek ter terechtzitting niet mogelijk. Wanneer de zittingsrechter het noodzakelijk acht dat een getuige die mogelijk gevoelige informatie zou uiten, wordt gehoord, kan hij de rechter-commissaris op grond van artikel 316 lid 1 Sv verzoeken dit verhoor uit te voeren.26 Hij kan daarbij aangeven op welke wijze het onderzoek zou moeten worden uitgevoerd en zal dus kunnen bepalen dat de officier van justitie en de verdediging niet bij het verhoor aanwezig mogen zijn.
De memorie van toelichting maakt duidelijk dat de toepassing van artikel 187d Sv is beperkt tot de situatie waarin dat strikt noodzakelijk is.27 De rechter-commissaris zal zorgvuldig moeten toetsen of sprake is van een door het artikel beschermd belang. Als dit het geval is, zal hij zich ook moeten afvragen of dat belang ook kan worden gediend met minder ingrijpende maatregelen.28Artikel 187d lid 2 Sv verplicht de rechter-commissaris te motiveren waarom het zijns inziens strikt noodzakelijk is om de antwoorden geheim te houden. De memorie van toelichting vermeldt daaromtrent: ‘Deze motivering zal dikwijls niet uitgebreid kunnen zijn; de rechter-commissaris zal echter in ieder geval aan moeten geven welk belang vermelding van het antwoord belet.’29
Toetsing aan EVRM
De Straatsburgse instanties hebben tot nu toe geen bezwaar gehad tegen het beletten van antwoorden of het toestaan vragen niet te beantwoorden wanneer vragen niet relevant waren voor het nemen van een beslissing in de zaak30 of wanneer bepaalde belangen werden beschermd.31 Er bestaat geen aanleiding om te denken dat de in het Nederlandse strafrecht toegepaste gronden in een Straatsburgse procedure zouden worden afgekeurd. De rechter zal wel duidelijk moeten aangeven waarom in een specifieke situatie aanleiding bestond om een getuige een vraag niet te laten beantwoorden.
Het niet openbaar maken van bepaalde informatie kan het ondervragingsrecht aantasten wanneer deze informatie van wezenlijke betekenis is voor de positie van de verdediging. De memorie van toelichting bij artikel 187d Sv maakt echter duidelijk dat artikel 187d Sv niet zonder meer mag worden toegepast op ‘vragen die het bewijs betreffen’, omdat dergelijke vragen in beginsel altijd volledig ter zitting aan de orde moeten komen.32 In de Nederlandse procedure worden ook de officier van justitie en de zittingsrechter niet geïnformeerd over de door de getuige gegeven antwoorden. Het recht op equality of arms zal dan ook niet snel geschonden worden geacht door het geheimhouden van bepaalde informatie. Verder moet de rechter-commissaris volgens de memorie van toelichting onderzoeken of het niet onthullen van de informatie noodzakelijk was en zijn oordeel daarover motiveren.33 Al met al kan worden geconcludeerd dat het achterhouden van antwoorden op grond van artikel 187d Sv zelden of nooit tot een schending van artikel 6evrm zal leiden.34