Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/2.6.3
2.6.3 Ten behoeve van andere belastingplichtigen
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285599:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 20 januari 1917, houdende wijziging der Successiewet, Kamerstukken II 1916/17, 324, Stb. 1917, 189. Het eerdere wetsvoorstel, Kamerstukken II 1915/16, 210 werd op 29 november 1916 in de Eerste Kamer verworpen en in aangepaste vorm kort daarna opnieuw ingediend en aangenomen.
Art. 14c Ontwerp van wet, Kamerstukken II 1916/17, 324, nr. 2. Dit werd ongewijzigd overgenomen uit het eerdere wetsvoorstel (Kamerstukken II 1915/16, 210). De vernummering van art. 14c naar art. 36 vond plaats bij koninklijk besluit van 12 maart 1917, Stb. 1917, 236. Vergelijk: Adriani 1926, blz. 35.
MvT, Kamerstukken II 1915/16, 210, nr. 3, blz. 15. Deze verduidelijking was strikt theoretisch niet nodig omdat het gebruik al zou kunnen worden geschaard onder de hoofdregel (gevorderd voor de uitoefening van het ambt).
Kamerlid Diepen, Handelingen I 1916/17, blz. 318. Ook bij de behandeling van de OWB 1916 had Kamerlid Diepen bezwaren geuit tegen de dossierinzage.
Minister Treub, Handelingen I 1916/17, blz. 320. Het betrof de algemene geheimhoudingsbepaling van art. 16 Algemeene Instructie (1889) (I.M.).
Van Steenbergen 1920, blz. 28. Hij verwijst naar de gedrukte circulaire der administratie 1506, nr. 5 en de aanschrijving van 7 december 1917, nr. 102.
De ontheffing van art. 17, derde lid, Wet BDH 1934 was volgens Karmelk en Tekenbroek met name bedoeld was om de verkregen informatie uit de controle op het Zegelrecht dienstbaar te maken aan de heffing van de Wet BDH 1934 (Karmelk & Tekenbroek 1934 II, blz. 115 en MvT, Kamerstukken II 1933/34, 203, nr. 3, blz. 7).
Met de invoering van de Wet BDH 1934 werd het vermogen van instellingen van de doode hand (alle rechtspersonen en de niet rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen) onderworpen aan een equivalent van de vermogensbelasting (Wet van 5 oktober 1934, tot heffing van eene belasting naar het vermogen van instellingen van de doode hand, Kamerstukken II 1933/34, 203Stb. 1934, 528. Zie uitgebreider: Karmelk & Tekenbroek 1934 II, blz. 10).
Steinmetz 1934, blz. 108-110. Vergelijk: het betoog van Steinmetz in: Mostart & Spanjer 1934, blz. 30-37.
Vergelijk: de ophef in 1914 over het opvragen van informatie bij werkgevers over de inkomsten van hun werknemers waarbij is gezegd: “Zoo gebruikt men den patroon om als verklikker te spelen van zijn werklieden, ingeval er iets aan hun opgaaf ontbreekt” (Handelingen II 1913/14, blz. 2066).
Wet van 27 juli 1918, houdende wijziging van de wet van 27 september 1892 (Staatsblad nr. 223) op de vermogensbelasting, gelijk zij door opeenvolgende wetten is aangevuld en gewijzigd, Kamerstukken II 1917/18, 33, Stb. 1918, 504 (de vroegere stukken zijn gedrukt onder Kamerstukken II 1915/16, 205) en de Wet van 27 april 1904 tot aanvulling van de wet op de vermogensbelasting, Kamerstukken II 1903/04, 20, Stb. 1904, 80 (de vroegere stukken zijn gedrukt onder Kamerstukken II 1902/03, 186. Zie uitgebreider: Van Walsum 1905).
Zie: MvT (Wet VFN), Kamerstukken II 1950/51, 1967, nr. 3, blz. 4 waar over art. 10 Buitengewoon navorderingsbesluit wordt opgemerkt: “Laatstgenoemde regeling [art. 10 Buitengewoon navorderingsbesluit, VDS] gaat het verst en strekt zich naar het oordeel van de ondergetekende zelfs uit boven hetgeen in normale tijden noodzakelijk en toelaatbaar is. Immers, een ieder is zonder beperking verplicht om niet alleen voor zijn eigen belastingen, maar ook voor die van derden de gegevens te verschaffen, die de inspecteur verlangt”.
MvT (Wet VFN), Kamerstukken II 1950/51, 1957, nr. 3, blz. 3.
Wet van 23 april 1952 houdende bepalingen inzake vervanging van het fiscale noodrecht (Wet vervanging van het fiscale noodrecht), Kamerstukken II 1950/51, 1957, Stb. 1952, 191.
In het verlengde van de hiervoor geschetste ontwikkeling van het gebruik van fiscale gegevens voor andere belastingwetten werd in dezelfde periode de verandering zichtbaar van het enkelvoudig gebruik van fiscale gegevens ten behoeve van één belastingplichtige naar het gebruik van gegevens van de ene belastingplichtige ten behoeve van de belastingheffing van andere belastingplichtigen. In 1917 werd het recht van schenking in de SW 1859 opgenomen.1 Ter bevordering van de nalevering van de wet dienden zowel de schenker als de begiftigde aangifte te doen. Ingeval afzonderlijk aangifte werd gedaan mochten de aangiftegegevens van de ene partij gebruikt worden bij de andere partij.2 In de memorie van toelichting werd uitdrukkelijk opgemerkt dat – ingeval geen gelijkluidende aangiften werden gedaan of verzuimd werd aangifte te doen – de fiscus niet tot geheimhouding verplicht was:3 het was logischerwijs de bedoeling dat “(…) bij besprekingen met de nalatige dus van die aangifte [van degene die wel aangifte had gedaan, VDS] gebruik worden gemaakt”.
Bij de behandeling in de Eerste Kamer van de Zegelwet 1917 – waarin géén geheimhoudingsbepaling was opgenomen – werden bezwaren geuit tegen de in art. 18 Zegelwet 1917 opgenomen inzageverplichting.4 Minister Treub geloofde wel dat de verplichte dossierinzage onaangenaam zou zijn, maar relativeerde dit door aan te geven dat de ambtenaren der registratie tot geheimhouding verplicht waren.5 Deze inzageverplichting was bedoeld: “om een behoorlijke naleving der Zegelwet te verzekeren, maar moet niet leiden tot nasporingen omtrent de grootte van vermogens”.6 Mocht bij een controle blijken dat andere belastingwetten niet behoorlijk werden nageleefd, dan kon de inspecteur van die wetenschap passend gebruik maken.7 In de Wet BDH 1934 was geen specifieke ontheffing opgenomen voor het gebruik van de gegevens voor andere (fiscale) doelen.8 Steinmetz trekt hieruit de conclusie dat inzage in boeken en bescheiden diende ter controle van de belastingplichtige zelf en niet van andere belastingplichtigen.9 Hij stelt dat belangstelling voor andere gegevens even begrijpelijk als ongepast is. Steinmetz geeft aan dat de inspecteur in een moeilijke positie terechtkomt ingeval hij toevallig informatie over derden inziet. Naar zijn mening kan de inspecteur in verband met zijn geheimhoudingsplicht hier niet over spreken of de informatie als bewijsmiddel gebruiken.10
In 1918 werden de regels van de in 1904 ingevoerde navorderingsmogelijkheden in de Wet VB 1892 herzien.11 Bij het voornemen tot het opleggen van een navorderingsaanslag had de inspecteur de verplichting om de belastingplichtige in kennis te stellen van de gronden hiervoor. Deze verplichting heft volgens Adriani de geheimhouding op ingeval het feit afkomstig is uit een aangifte van een andere belastingplichtige.12 In de Wet VB 1892 werd daarvoor een ontheffing opgenomen om – in afwijking van hetgeen in de RW 1917 en de SW 1859 was bepaald – uittreksels uit de registers en afschriften uit memorien van aangifte te gebruiken voor de kennisgeving van het voornemen tot het opleggen van een navorderingsaanslag.13 In par. 33 van de Instructie Tabakswet (1921) werd specifiek de mogelijkheid genoemd om verhoudingscijfers van verschillende fabrieken met elkaar te vergelijken. Ingeval zou blijken dat door verschillende fabrieken afwijkende hoeveelheden sigaren konden worden verkregen uit dezelfde hoeveelheid ruwe tabak zouden de inspecteurs hieraan bijzondere aandacht schenken.
De in de vorige paragraaf genoemde informatieverplichting van art. 10 Buitengewoon navorderingsbesluit zag niet alleen op de eigen belastingheffing, maar ook op die van derden.14 Nadat de normale tijden waren teruggekeerd moesten de direct na de Tweede Wereldoorlog genomen ingrijpende fiscale maatregelen opnieuw tegen het licht worden gehouden. Hierbij diende het belang van een nauwkeurige belastingheffing afgewogen te worden tegen het belang van een zo gering mogelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.15 Dit resulteerde in 1952 in de Wet VFN waarbij de basis werd gelegd voor de algemene inlichtingen- en administratieplicht uit de huidige AWR.16 De informatieplicht ten behoeve van de belastingplicht van derden werd in art. 3 Wet VFN beperkt tot de administratieplichtigen.