Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.8.8.4
6.8.8.4 Stuiting van de verjaringstermijn
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS394870:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 30 december 2009, AB 2010, 283, m.nt. J.E. van den Brink en W. den Ouden (gemeente Middelharnis), r.o. 2.7.3.4. Zie ook ABRvS 30 december 2009,113 2010/45. In deze uitspraak wordt niet aan de stuitingsregels toegekomen, nu vaststond dat de vordering nog niet was verjaard toen de intrekkingsbesluiten werden genomen. Zie voor een CBbuitspraak waarin de verjaring is gestuit CBb 29 september 2004, LJN AR3524 (Meating Export B.V.). Zie ook CBb 17 december 2004, LJN AR8433 waarin het CBb tot het oordeel kwam dat de vermeende stuitingshandeling had plaatsgevonden toen de verjaringstermijn al was verstreken. In CBb 8 maart 2006, LJN AV5872 (Van Ingen) oordeelt het CBb dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd, nu de verjaring weliswaar op 19 september 1996 is gestuit, maar dat niet kan worden vastgesteld of nadien onderzoekshandelingen of daden van vervolging hebben plaatsgevonden op grond waarvan de verjaring opnieuw is gestuit. Het besluit tot intrekking en terugvordering van uitvoerrestituties dateerde namelijk van 2 augustus 2002.
Verder werken ook de Europese stuitingsregels direct door in de nationale rechtsorde. Deze regels kent de subsidietitel van de Awb niet. Volgens de Europese regels wordt de verjaring van de vervolging gestuit door elke onderzoekshandeling of daad van vervolging van de onregelmatigheid door de bevoegde autoriteit, mits deze de betrokkene ter kennis is gebracht. Uit het arrest Handlbauer volgt dat de aankondiging van een controle aan een eindontvanger van een Europese subsidie alleen dan een onderzoekshandeling of een daad van vervolging van de onregelmatigheid is die de verjaringstermijn kan stuiten, indien de handelingen waarop de verdenkingen van de onregelmatigheid betrekking hebben, daarin voldoende nauwkeurig zijn omschreven. De voormelde uitspraak van 30 december 2009 is op dit punt genuanceerd, gedegen en uitgebreid gemotiveerd, maar laat wel zien dat deze regels bijzonder nadelig kunnen uitpakken voor de ontvanger van de Europese subsidie, die naar Nederlands recht geen rekening zou hoeven houden met een intrekking en terugvordering van de vastgestelde subsidie.1 De ABRvS komt in de uitspraak van 30 december 2009 tot de conclusie dat de verjaring op 20 maart 2000, een paar dagen voordat de vordering zou verjaren, is gestuit. Dit is uiteraard erg vervelend voor de ontvanger van de Europese subsidie, die gedurende bijna vijf jaar er waarschijnlijk vanuit ging dat de subsidierelatie was afgerond. De stuiting is het gevolg van een onderzoek van de Europese Commissie waaruit bleek dat onregelmatigheden plaats hadden gevonden. De uitspraak laat derhalve de Europese dimensie zien waarmee de subsidieontvanger rekening dient te houden; niet alleen het nationaal uitvoeringsorgaan controleert, maar ook de Europese Commissie. De laatste controleert vaak veel later, ná de beschikking tot subsidievaststelling, hetgeen tot gevolg kan hebben dat al lang vastgestelde subsidiebedragen alsnog worden ingetrokken. Deze omstandigheid leidt er ook toe dat het zo kan zijn dat pas in 2009 in laatste instantie een rechterlijke uitspraak wordt gedaan over een subsidie die reeds in 1995 werd vastgesteld. Dit maakt de Europese subsidie er niet aantrekkelijker op.
Uit het oogpunt van rechtszekerheid voor de eindontvanger van de Europese subsidie verdient het de voorkeur om in een Wet inzake Europese subsidies neer te leggen dat de verjaringstermijn overeenkomstig artikel 3 van de Verordening nr. 2988/95 kan worden gestuit. De eindontvanger van de Europese subsidie is zich van de mogelijkheid van terugvorderingen tot ver na het moment van subsidievaststelling in dat geval beter bewust.