Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.9.b:3.9.b Recht op stukken II: mogelijke relativering
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.9.b
3.9.b Recht op stukken II: mogelijke relativering
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS609516:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
General Comment 2007/32, onderdeel 49.
In deze zin Jebbink 2008, p. 853.
Zie CRM 23 maart 1994, nr. 333/1988 (Hamilton/Jamaica).
Dat vond plaats in CRM 29 maart 1994, nr. 377/1989 (Currie/Jamaica).
CRM 23 maart 1994, nr. 333/1988 (Hamilton/Jamaica); zo ook CRM 29 maart 1994, nr. 377/1989 (Currie/Jamaica).
CRM 31 oktober 2002, nr. 864/1999 (Ruiz Adugo/Spanje).
CRM 29 juli 1998, nr. 813/1998 (Chadee/Trinidad & Tobago); zie ook CRM 13 juli 2015, nr. 1909/2009 (Fa’afete/Nieuw Zeeland).
CRM 25 juli 1995, nr. 606/1994 (Francis/Jamaica).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag is of het recht op stukken in alle zaken van toepassing is, of alleen als deze stukken daadwerkelijk nodig zijn voor uitoefening van het recht op beroep. Het General Comment schrijft weliswaar voor dat de verdachte toegang moet hebben tot vonnis en proces-verbaal beschikbaar, “necessary to enjoy the effective exercise of the right to appeal”,1 maar die zinsnede kan op twee manieren worden gelezen. Moet de zinsnede zo worden begrepen dat het CRM het recht op stukken in alle zaken van toepassing acht omdát dergelijke stukken noodzakelijk zijn voor de effectieve uitoefening van het recht op beroep?2 Of is het recht op stukken alleen van toepassing indíén deze stukken volgens nationaal procesrecht of in feite noodzakelijk zijn voor effectieve uitoefening van het recht op beroep?
Verschillende oordelen van het Comité bieden steun aan de laatste lezing. In Hamilton/Jamaica gaat het om een ter dood veroordeelde die een laatste beroep wenste in te stellen bij de hoogste rechter, het Judicial Committee of the Privy Council (JCPC). De klager heeft die wens door de afwezigheid van een schriftelijk vonnis niet kunnen verwezenlijken. Het JCPC heeft namelijk in eigen zaken overwogen dat, hoewel strikt genomen niet verplicht, het in de praktijk toch noodzakelijk is “to have the reasons of the Court of Appeal at the hearing of the application for special leave to appeal, as without them it is not usually possible to identify the point of law or serious miscarriage of justice of which the appellant complains”.3 Als een gemotiveerd vonnis niet beschikbaar wordt gesteld, kan het JCPC dus haast niet anders dan toegang tot beroep afwijzen.4 Het CRM acht artikel 14 lid 3 en 5 IVBPR geschonden, “having noted that the failure to issue a reasoned written judgement has effectively prevented the availability of a further remedy”.5
Aldus lijkt belang toe te komen aan de wijze waarop een zaak of vonnis in beroep wordt beoordeeld. Is voor die beoordeling kennisneming van de bestreden uitspraak niet nodig, dan hoeft die uitspraak mogelijk ook niet beschikbaar te zijn. Deze nuance sluit aan bij de gedachte achter het recht op stukken, namelijk het garanderen van een effectief beroep. Als immers een beroepsmogelijkheid ook zonder de beschikbaarheid van bestreden uitspraak en proces-verbaal effectief kan zijn, waarom dan de beschikbaarheid van deze stukken vereisen?
Deze denkwijze vindt nadere bevestiging in enkele zaken waarin het recht op stukken pas geschonden is als daadwerkelijk nadeel wordt ondervonden én aannemelijk gemaakt. In de reeds genoemde zaak Ruiz Adugo/Spanje, waarin werd geklaagd over de afwezigheid van een letterlijk transcript van de terechtzitting, overweegt het Comité dat de klager “has not demonstrated in what way he was caused harm by the absence of such a document” en acht het de klacht ongegrond.6 Hieruit kan worden afgeleid dat als niet blijkt van enig nadeel, bijvoorbeeld omdat tijdens de behandeling in beroep klachten mogen worden aangevuld of de beroepsrechter in sterke mate ambtshalve onderzoek verricht, de afwezigheid van bepaalde processtukken geen schending van het recht op beroep behelst. Van de verdachte lijkt bovendien te mogen worden verwacht dat hij zijn nadeel aannemelijk maakt. Ook de zaak Chadee/Trinidad & Tobago wijst in die richting. In die zaak deed het CRM de klacht over bespoediging van de beroepsprocedure namelijk af door te overwegen dat “that it has not been shown that the period of time in the instant case was insufficient to prepare the appeal by defence counsel”.7 De vraag is wel of de hier geciteerde stelplicht niet simpelweg een kwestie is van gedingvoering bij het CRM zelf. Mogelijk is het nadeel in de klachtprocedure bij het Comité gewoonweg niet aannemelijk geworden. Bovendien bestaan er oordelen van het CRM waarin het concrete nadeel geen rol van betekenis speelt.8
Samengevat heeft de verdachte na een veroordeling in eerste aanleg recht op toegang tot een tijdig beschikbaar gesteld schriftelijk en gemotiveerd vonnis of aantekening daarvan, inclusief een proces-verbaal van de zitting. In verschillende zaken kan evenwel ruimte voor relativering van dat recht op stukken worden ontwaard. Mogelijk is de beschikbaarheid van dergelijke stukken alleen vereist áls zij voor de effectiviteit van het beroep noodzakelijk zijn. Of stukken daarvoor noodzakelijk zijn, hangt onder meer af van in hoeverre de beroepsrechter ambtshalve het bestreden vonnis beoordeelt en of hij de partijen daarover hoort.9 Daarover nu meer.