Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/8.4.3
8.4.3 De opdrachtovereenkomsten tussen de assurantietussenpersoon en zijn cliënten
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949799:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Meijer 2016, p. 161-168.
Zie onder meer Cherednychenko 2021, p. 567-602.
De Jong 2011, p. 125; Van Velzen 2016, p. 116; De Jong, Nederlands Tijdschrift voor Handelsrecht 2019-2/3, p. 112-122; De Jong, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2020/2, p. 4.
Zie voor wat betreft levensverzekeringen art. 4:20 lid 3 onder a Wft en art. 4:20 lid 3 onder b Wft juncto art. 73 Bgfo. In art. 73 lid 1 Bgfo is bepaald dat een levensverzekeraar gedurende de looptijd van een overeenkomst de cliënt onder meer de volgende informatie verstrekt: “(a) iedere wijziging van zijn handelsnaam of handelsnamen, statutaire naam, rechtsvorm of adres”. Art. 73 lid 1 onder a Bgfo kan naar mijn mening in beperkte zin uitgelegd worden, in die zin dat gesteld kan worden dat deze bepaling uitsluitend ziet op een wijziging van de statutaire naam van de levensverzekeraar die de verzekeringsovereenkomst is aangegaan. Bij een portefeuilleoverdracht van een levensverzekeraar aan een andere levensverzekeraar is daarvan strikt genomen geen sprake. Voor wat betreft natura-uitvaartverzekeringen baseer ik dit standpunt op art. 4:20 lid 3 onder a Wft en art. 4:20 lid 3 onder b Wft juncto art. 74 Bgfo.
Idem voor een juridische fusie en een juridische splitsing.
Voor schadeverzekeringen is alleen art. 4:20 lid 3 Wft van belang. Het Bgfo bevat voor schadeverzekeraars geen bepaling zoals art. 73 en 74 Bgfo. Art. 75 Bgfo regelt namelijk alleen een specifieke informatieverstrekking door een schadeverzekeraar met zetel buiten Nederland die de branche Aansprakelijkheid Motorrijtuigen uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.
Zie voor een recente uiteenzetting over de privaatrechtelijke zorgplicht van financiële instellingen onder meer Cherednychenko 2021, p. 567-602. Zij bespreekt wat de bijzondere zorgplicht van financiële instellingen naar haar mening eigenlijk inhoudt, hoe deze bijzondere zorgplicht zich verhoudt tot haar bestuursrechtelijke “pendanten” en wat de civielrechtelijke consequenties kunnen zijn van schending van de bijzondere zorgplicht.
Art. 7:401 BW: “De opdrachtnemer moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen.”
Hoge Raad 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122, NJ 2003/375, m.nt. M.M. Mendel (Brals/Octant).
De Jong 2011, p. 75-77; De Jong, Nederlands Tijdschrift voor Handelsrecht 2019-2/3, p. 112-122; De Jong, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2020/2, p. 4-14.
R.o. 3.4.1.
Zie hoofdstuk 3.4.1. Daar schreef ik ook dat dezelfde bevindingen over de rechten en verplichtingen die overgaan gelden indien een schadeverzekeraar kiest voor de civielrechtelijke route van contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW indien hij rechten en verplichtingen krachtens schadeverzekering wenst over te dragen en indien een herverzekeraar rechten en verplichtingen uit herverzekering overdraagt via deze civielrechtelijke route. Indien een verzekeraar de civielrechtelijke route kiest, moet hij de medewerking vragen van de polishouders. Naar mijn mening is er dan geen rol voor de assurantietussenpersoon om zijn cliënten te informeren dat er een portefeuilleoverdracht plaatsvindt. Hij heeft dan echter juist wel een rol indien zijn cliënten vragen hebben over de brief of e-mail die zij van de verzekeraar ontvingen. Mijns inziens dient hij zijn cliënten er dan in ieder geval uitdrukkelijk op te wijzen dat DNB geen rol heeft bij een dergelijke overdracht.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 september 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8472 (De Graaf van Vilsteren). Deze uitspraak had betrekking op gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verzekerde.
Zie voor recente beschouwingen over de privaatrechtelijke zorgplicht van financiële instellingen onder meer Cherednychenko 2021, p. 567-602. Er zijn meerdere arresten van de Hoge Raad waarin de verhouding tussen de privaatrechtelijke zorgplicht en publiekrechtelijke regels aan de orde komt. In Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815 (De Treek/Dexia) stelt de Hoge Raad dat de opvatting dat, kort gezegd, de civielrechtelijke zorgplicht niet verder kan reiken dan de gedragsregels die in publiekrechtelijke regelgeving zijn neergelegd, onjuist is (r.o. 4.11.5). Dit arrest ging over de zorgplicht van een aanbieder van effectenleaseproducten. In Hoge Raad 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1107 (SNS/Stichting Gedupeerden Overwaardeconstructie W&P) stelt hij dat de civielrechtelijke zorgplicht (in dit geval: van een kredietaanbieder) verder kan reiken dan de gedragsregels die in publiekrechtelijke regelgeving of in zelfregulering zijn neergelegd (r.o. 4.2.5). Hij herhaalt dit in Hoge Raad 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2298 (Hypinvest/X c.s.) (r.o. 3.4.2). Op grond van deze jurisprudentie kan ook voor wat betreft de verhouding tussen de privaatrechtelijke en publiekrechtelijke zorgplicht van een assurantietussenpersoon worden aangenomen dat zijn privaatrechtelijke zorgplicht tot verdergaande verplichtingen kan leiden dan zijn publiekrechtelijke zorgplicht. Zie hierover De Jong, Nederlands Tijdschrift voor Handelsrecht 2019-2/3, p. 112-122; De Jong, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2020/2, p. 4.
Zie voor een overeenkomstige redenering overweging 5.19 van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening nr. 2021-0044 d.d. 29 november 2021: “Daarbij acht de Commissie van Beroep van belang dat pas vanaf 18 juli 2015 de verplichting voor verzekeraars in het leven is geroepen om zich in te spannen jegens cliënten met een beleggingsverzekering om hen een weloverwogen keuze te laten maken over de voortzetting, wijziging of stopzetting van die verzekering (art. 81b Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen). Tegen deze achtergrond kan niet worden aangenomen dat op een tussenpersoon (zoals de (voormalig) adviseur) al (ruim) vóór 2015 een algemene verplichting rustte om klanten met een beleggingsverzekering (spontaan) te adviseren over de mogelijkheden om de verzekering te wijzigen of stop te zetten.”
Van Velzen 2016, p. 112-134; Van der Woude, Van Orsouw en Overes, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2017/6, p. 32-43; De Jong, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2020/2, p. 4-14; Bruins Slot, Maandblad voor Vermogensrecht 2020/3, p. 114-121; Van der Goes, Tijdschrift voor Pensioenvraagstukken 2021/1, p. 21-30. Vriesendorp-van Seumeren 1989, p. 221-224 bevat een uiteenzetting over de werkzaamheden van de tussenpersoon na het sluiten van de verzekeringsovereenkomst. Zij gaat daar achtereenvolgens in op de verplichting tot het doorgeven van mededelingen afkomstig van de verzekerde en bestemd voor de verzekeraar, aspecten van premie-incasso en de verplichting van de tussenpersoon met betrekking tot de schadeafwikkeling.
Zie de conclusie van procureur-generaal F.F. Langemeijer onder 2.2 en de bijbehorende voetnoot (ECLI:NL:PHR:2011:BQ7062) voor Hoge Raad 2 september 2011. Zie ook de conclusie van procureur-generaal A. Hammerstein onder 2.2 en de bijbehorende voetnoot (ECLI:NL:PHR:2012:BV6693) voor Hoge Raad 13 april 2012. In Hoge Raad 13 april 2012, ECLI:NL:HR: 2012:BV6693 (r.o. 3.6) bleek de Hoge Raad deze opvatting te delen. Zie over deze opvatting onder meer Van Velzen 2016, p. 123; De Jong, Aansprakelijkheid, Verzekering & Schade 2020/2, p. 6 en De Jong, VAST 2020/N-0048 onder 7.Ook meer in het algemeen wordt ten aanzien van de civiele zorgplicht van financiële instellingen aangenomen dat deze in beginsel afhangt van de concrete omstandigheden van het geval. Zie hierover onder meer Cherednychenko 2021, p. 567-602.
Zie hoofdstuk 1.5 van dit proefschrift. Op grond van art. 3:120 lid 7 Wft kunnen de bij de overdracht door een schadeverzekeraar betrokken verzekeringnemers gedurende drie maanden na de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie over de overdracht is geplaatst de schadeverzekering schriftelijk opzeggen met ingang van de dag na afloop van deze termijn.
Zie over deze gedragscode hoofdstuk 1.5 en 8.2.4.
Hoge Raad 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122, NJ 2003/375, m.nt. M.M. Mendel (Brals/Octant).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2021-0131, d.d. 10 februari 2021 over het oversluiten van een overlijdensverzekering.
Ik laat hier verder onbesproken dat een geschil tussen de cliënt en de tussenpersoon ook zou kunnen gaan over de adviesvergoeding die door de tussenpersoon in rekening werd gebracht. Zie voor een voorbeeld hiervan de uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2019-934 d.d. 19 november 2019. De cliënt betoogde met betrekking tot advies over het oversluiten van een hypothecaire geldlening dat het onnodig en ondeugdelijk was. De consument betoogde dat de enige partij die daarvan beter zou zijn geworden de adviseur was, “die immers een flinke adviesvergoeding in rekening heeft geprobeerd te brengen”. De adviseur trok vervolgens zijn factuur in, wat er toe leidde dat de geschillencommissie kon concluderen dat de cliënt geen schade had geleden.
Met betrekking tot de juridische relatie tussen de assurantietussenpersoon en zijn cliënten zijn er in ieder geval drie aspecten die bespreking behoeven in relatie tot de overdracht van een portefeuille met verzekeringsovereenkomsten door de verzekeraar bij wie de cliënten van de assurantietussenpersoon verzekerd zijn.
Ten eerste. Leidt de portefeuilleoverdracht tot veranderingen in de opdrachtovereenkomst tussen de assurantietussenpersoon en zijn cliënt?
Het antwoord op die vraag is nee. Indien een verzekeraar zijn portefeuille overdraagt, heeft dat geen gevolgen voor de overeenkomsten van opdracht gesloten tussen de assurantietussenpersoon en zijn cliënten. De verzekeringsovereenkomst en de opdrachtovereenkomst staan los van elkaar. De juridische relatie tussen de assurantietussenpersoon en de cliënt blijft gewoon bestaan.
Ten tweede. Zijn assurantietussenpersonen uit hoofde van hun publiekrechtelijke of privaatrechtelijke zorgplicht verplicht om hun cliënten op de hoogte te stellen van een portefeuilleoverdracht door een verzekeraar?
Net als de zorgplicht van de verzekeraar1 en andere financiële instellingen2 is de zorgplicht van de assurantietussenpersoon zowel in het publiekrecht geregeld (in de Wet op het financieel toezicht) als in het privaatrecht (in het Burgerlijk Wetboek).3
Ik bespreek eerst de publiekrechtelijke zorgplicht. Uit de Wft vloeit naar mijn mening geen verplichting voor assurantietussenpersonen voort om hun cliënten op de hoogte te stellen van een portefeuilleoverdracht door een verzekeraar. De algemene zorgplicht voor financiëledienstverleners is vastgelegd in art. 4:24a lid 1 Wft: hij moet op zorgvuldige wijze de gerechtvaardigde belangen van de consument in acht nemen. Gedurende de looptijd van de overeenkomst inzake een financieel product moet een financiëledienstverlener op grond van art. 4:20 lid 3 Wft de cliënt tijdig informatie verstrekken over wezenlijke wijzigingen in de informatie die hij voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst heeft verstrekt, voor zover deze wijzigingen redelijkerwijs relevant zijn voor de cliënt en bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere onderwerpen. In hoofdstuk 1.4 heb ik uiteengezet dat het verdedigbaar is dat hetgeen is bepaald in art. 4:20 lid 3 Wft voor een levensverzekeraar en voor een natura-uitvaartverzekeraar4niet de verplichting meebrengt om elke cliënt op de hoogte te stellen van een portefeuilleoverdracht.5 Hetzelfde geldt naar mijn mening in het geval van een portefeuilleoverdracht door een schadeverzekeraar.6 In die redenering past het niet om aan te nemen dat een assurantietussenpersoon op grond van art. 4:20 lid 3 Wft dan wel verplicht zou zijn om zijn cliënten te informeren over een portefeuilleoverdracht door de verzekeraar waarmee de cliënten van de assurantietussenpersoon een verzekeringsovereenkomst hebben gesloten.
Naast de Wft-zorgplicht is er ook een privaatrechtelijke zorgplicht, dus een zorgplicht op grond van het Burgerlijk Wetboek.7 Ook op grond van deze privaatrechtelijke zorgplicht zijn assurantietussenpersonen naar mijn mening in beginsel niet verplicht om hun cliënten op de hoogte te stellen van een portefeuilleoverdracht door een verzekeraar. Mijns inziens zijn daarvoor vier argumenten aan te voeren. Deze leiden samen tot deze conclusie.
1. Bij de uitvoering van zijn werkzaamheden is de assurantietussenpersoon krachtens de wet (art. 7:401 BW)8 gehouden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. Het arrest Brals/Octant uit 20039 wordt als richtinggevend beschouwd voor de uitleg hiervan.10 De kernoverweging daarin luidt als volgt:
“Een assurantietussenpersoon dient tegenover zijn opdrachtgever de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat – kort gezegd – de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben.”11
Een portefeuilleoverdracht volgens de regels in de Wft heeft in beginsel echter juist géén gevolgen voor de dekking. Er is immers naar mijn mening sprake van een contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW. Bij contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW wordt algemeen aangenomen dat de contractuele rechtsverhouding in zijn geheel overgaat. Alle nevenrechten en verweermiddelen zoals wilsrechten komen daarna toe aan de overnemende partij.12 Op grond van een recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden13 kan worden aangenomen dat ook volgens de huidige inzichten de invulling van de werkzaamheden van de assurantietussenpersoon nog steeds gerelateerd is aan de dekking van de verzekeringsovereenkomsten:
“In beginsel heeft de assurantietussenpersoon de taak de verzekerde opmerkzaam te maken op de gevolgen voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen als hem feiten bekend zijn geworden of bekend behoorden te zijn die daarop van invloed kunnen zijn. Dat zal met name van belang zijn bij gewijzigde omstandigheden die tot gevolg hebben dat schades die voorheen verzekerd waren niet langer of in mindere mate voor vergoeding in aanmerking komen.”
2. Daarbij komt dan ook dat het gaat om een portefeuilleoverdracht met de instemming van DNB, waarbij DNB alleen instemt met de portefeuilleoverdracht, indien de verkrijgende verzekeraar voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en er bij DNB “geen bedenkingen bestaan tegen de overdracht” (art. 3:118 Wft). De assurantietussenpersoon zou zo kunnen redeneren dat als DNB instemt met de overdracht, dat er dan geen reden is waarom hij de polishouders zou moeten informeren of waarschuwen. Overigens is het wel zo dat DNB “alleen” naar de belangen van het collectief van polishouders kijkt, en niet naar de specifieke belangen van individuele polishouders. Het is wel de taak van een assurantietussenpersoon om de individuele belangen van zijn opdrachtgever(s) in beschouwing te nemen (zie ook het voorbeeld hierna over beleggingsverzekeringen).
3. Ten derde is meen ik het volgende relevant. Op zich wordt wel aangenomen dat de privaatrechtelijke zorgplicht van een assurantietussenpersoon tot verdergaande verplichtingen kan leiden dan de publiekrechtelijke zorgplicht van de assurantietussenpersoon.14 Maar dat er geen publiekrechtelijke voorschriften zijn op grond waarvan de verzekeraar en de assurantietussenpersoon de individuele polishouder over de portefeuilleoverdracht moeten informeren, is meen ik toch een indicatie dat we kunnen aannemen dat de privaatrechtelijke zorgplicht dan wat dat betreft ook niet tot een verplichting leidt.15
4. Ik heb overigens ook geen juridische literatuur over de privaatrechtelijke zorgplicht van assurantietussenpersonen tijdens de looptijd van verzekeringsovereenkomsten,16 of jurisprudentie daarover, kunnen vinden waarin wordt gesteld dat de assurantietussenpersoon wel steeds de Staatscourant moet raadplegen of portefeuilleoverdrachten gaan plaatsvinden of hebben plaatsgevonden, en dan zijn cliënten daarover moet informeren.
Desalniettemin zijn er naar mijn mening wel degelijk situaties te bedenken waarbij het op grond van zijn privaatrechtelijke zorgplicht als een verplichting voor de assurantietussenpersoon beschouwd kan worden om een cliënt erop te wijzen dat een portefeuilleoverdracht plaatsvindt. Anders gezegd, er bestaat onder omstandigheden wel een dergelijke verplichting uit hoofde van de privaatrechtelijke zorgplicht van de assurantietussenpersoon. De reikwijdte van de privaatrechtelijke zorgplicht van een assurantietussenpersoon is “afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met name van de aard en inhoud van de opdracht en de belangen van de cliënt voor zover kenbaar voor de tussenpersoon”.17
Een eerste voorbeeld dat ik in dit kader kan bedenken houdt verband met hoofdstuk 3.5 van dit proefschrift. Ik kwam daar tot de conclusie dat het zeer de vraag is of buitencontractuele vorderingen van een polishouder jegens de overdragende verzekeraar na een portefeuilleoverdracht van de verzekeringsportefeuille kunnen worden uitgeoefend tegen de nieuwe verzekeraar. Een rechtsverhouding op grond van onrechtmatige daad, ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling komt naar mijn mening niet in aanmerking voor contractsoverneming. Dat speelt met name bij beleggingsverzekeringen. Met name bij beleggingsverzekeringen komt het voor dat polishouders menen op grond van deze rechtsgronden rechtsvorderingen te hebben jegens een levensverzekeraar. Deze rechtsvorderingen kunnen zij alleen instellen jegens de overdragende verzekeraar. Dit brengt mij tot de opvatting dat het uit de privaatrechtelijke zorgplicht van een assurantietussenpersoon voortvloeit dat hij de polishouders van beleggingsverzekeringen waarvan hij weet dat zij daarmee ontevreden zijn schriftelijk ervan op de hoogte moet stellen indien hun verzekeraar een advertentie heeft geplaatst met betrekking tot een portefeuilleoverdracht. Het is immers goed mogelijk dat zij die advertentie niet zelf in de Staatscourant of een dagblad hebben gezien. De dekking van hun verzekeringsovereenkomst is dan voorafgaand en na de portefeuilleoverdracht wel gelijk, maar hun rechtspositie verschilt wel degelijk. Er is dan sprake van een belang van de polishouder dat “kenbaar” is voor de assurantietussenpersoon. In deze situatie lijkt mij verdedigbaar dat de assurantietussenpersoon die nalaat zijn cliënt van de portefeuilleoverdracht op de hoogte te stellen in strijd handelt met zijn zorgplicht.
Een tweede (actueel) voorbeeld zou het volgende kunnen zijn. Het zou kunnen zijn dat een cliënt bij het sluiten van de verzekering heeft aangegeven dat hij alleen verzekerd wil zijn bij een verzekeraar met een bepaald duurzaamheidsbeleid. In het geval van een portefeuilleoverdracht, een juridische fusie of een juridische splitsing kan ik mij dan voorstellen dat er pro-actief een rol is weggelegd voor de assurantietussenpersoon om te onderzoeken wat het duurzaamheidsbeleid is van de verkrijgende verzekeraar en wat de eventuele implicaties daarvan zijn voor de verzekeringsovereenkomst.
Ten derde. Kunnen handelingen van assurantietussenpersonen in het geval van een portefeuilleoverdracht door een verzekeraar in strijd zijn met hun zorgplicht?
Ik ben van mening dat handelingen van assurantietussenpersonen in het geval van een portefeuilleoverdracht van een verzekeraar onder omstandigheden in strijd kunnen zijn met hun privaatrechtelijke zorgplicht. Dat zou met name het geval kunnen zijn in situaties waarin een assurantietussenpersoon zijn cliënt aanspoort om een schadeverzekeringsovereenkomst op te zeggen met gebruikmaking van art. 3:120 lid 7 Wft, en om deze verzekering vervolgens over te sluiten naar een andere verzekeraar.
Het recht van assurantietussenpersonen om afsluitprovisie te ontvangen voor hun bemiddeling bij het sluiten van schadeverzekeringen leidde in het verleden, in combinatie met het in de Wft opgenomen recht om in geval van portefeuilleoverdracht door een schadeverzekeraar deze verzekeringen op te zeggen, tot bepaald gedrag van bepaalde assurantietussenpersonen. Verzekeraars liepen bij een portefeuilleoverdracht het risico dat bepaalde assurantietussenpersonen daarin aanleiding zagen polishouders aan te sporen hun schadeverzekering op te zeggen met gebruikmaking van art. 3:120 lid 7 Wft18 (of de daarmee overeenkomende bepaling in eerdere toezichtwetten) en om een andere schadeverzekering af te sluiten. Daarna genoten de assurantietussenpersonen dan afsluitprovisie. De invoering van de “Gedragscode geïnformeerde verlenging en contractstermijnen bij particuliere en zakelijke schade- en inkomensverzekeringen 2020”19 (en voorlopers daarvan) van het Verbond van Verzekeraars heeft voor steeds meer schadeverzekeringen geleid tot kortere contractstermijnen en kortere opzegtermijnen. Dat assurantietussenpersonen verzekeringnemers vooral in hun eigen belang aansporen gebruik te maken van de mogelijkheden van art. 3:120 lid 7 Wft zal daarom waarschijnlijk nog maar in beperkte mate voorkomen. In welke mate dit wel in de praktijk voorkomt kan ik niet onderzoeken, maar dat dit soms toch voorkomt, daar twijfel ik niet aan.
In het geval dat een assurantietussenpersoon een cliënt adviseert om gebruik te maken van de mogelijkheid die door art. 3:120 lid 7 Wft wordt geboden om op te zeggen zonder dat er door het oversluiten van de verzekeringsovereenkomst een verbetering van de positie van de cliënt plaatsvindt, doet zich naar mijn mening in beginsel een situatie voor waarin een assurantietussenpersoon in strijd handelt met zijn privaatrechtelijke zorgplicht jegens de cliënt. Op grond van het hiervoor al genoemde arrest Bruls/Octant uit 200320 moet een tussenpersoon tegenover zijn opdrachtgever (dus: de verzekeringnemer) de zorg betrachten van een redelijk bekwaam en een redelijk handelend assurantietussenpersoon. Indien de assurantietussenpersoon met een advies om over te sluiten niet aan die norm voldoet, is hij jegens de cliënt aansprakelijk voor daardoor door de cliënt geleden schade. Er zijn diverse uitspraken van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening waarin wordt aangenomen dat die norm (uiteraard) ook geldt bij het oversluiten van verzekeringen.21 Dergelijke uitspraken hebben bijvoorbeeld betrekking op hersteladviezen ten aanzien van beleggingsverzekeringen en het oversluiten van hypothecaire geldleningen in verband met dalende rente. Die norm zou bij oversluiten in geval van een portefeuilleoverdracht ook geschonden kunnen worden.
Aansprakelijkheid kan vanzelfsprekend alleen leiden tot een verplichting tot het vergoeden van schade als er daadwerkelijk schade is geleden. Maar dat is niet geheel denkbeeldig. Die schade zou zich met name22 kunnen voordoen als er zich na het “oversluiten” onverhoopt in het leven van de cliënt een gebeurtenis voordoet waarvoor de “oude” polis wel dekking bood, maar de “nieuwe” polis niet. Voor een voorbeeld waaruit blijkt dat sommige gebeurtenissen onder de ene polis wel gedekt zijn, maar onder een andere polis niet, hoeven we alleen maar te denken aan de overstromingen in de zomer van 2021 in Limburg. Bij een deel van de ondernemers was er sprake van een verzekerde gebeurtenis (onder hun met Nederlandse verzekeraars gesloten polissen), maar een aantal ondernemers kwam tot de ontdekking dat hun polissen (met bepaalde buitenlandse verzekeraars) daarvoor geen dekking boden.