Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/7.1
7.1 Vertrouwen op gedragingen
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS452171:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Gaat het om de uitlevering van een onderdaan en geldt een terugleveringsgarantie, zie art. 4, tweede lid, UW, dan zal de sanctie slechts ten dele door de verzoekende staat worden ten uitvoer gelegd. In dat geval is wel weer sprake van vertrouwen op een verplichting, namelijk die om de veroordeelde terug te leveren zodat hij zijn straf in zijn thuisland kan uitdienen.
Zie nader m.n. par. 8.1.
Zie hoofdstuk 11.
Een belangrijke grens is het in de overnemende staat toepasselijke strafmaximum voor het delict waarvoor de justitiabele is veroordeeld. Gaat de in de overdragende staat opgelegde straf dat maximum te boven, dan zal de straf toch in die zin worden beperkt, zie H.D. Sanders, De tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen (diss. Tilburg), Antwerpen: Intersentia 2004, p. 136.
Zie bijv. de eerder besproken WOTS-verdragen met Venezuela (Trb. 1996, 297), Marokko (Trb. 1999, 198), Zambia (Trb. 2008, 4), Peru (Trb. 2011, 109), Brazilië (Trb. 2011, 136).
Trb. 2004, 216.
Kamerstukken I/II 2004/05, 29 807 (R 1769), A en nr. 1, p. 3.
Kamerstukken I/II 2004/05, 29 807 (R 1769), A en nr. 1, p. 4.
In elk geval wanneer de overdracht gegrond is op het EVOS, zie artikel 25 jo. 2 van dat verdrag.
De bepaling voegt daar nog aan toe dat die bewijskracht niet uitgaat boven die welke die ambtshandelingen in de vreemde staat hebben.
Zie HR 6 oktober 1987, NJ 1988, 399, r.o. 9.1.-9.3.
Zie bijv. art. 46, vierde lid, van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (Trb. 2005, 244): ‘Onverminderd het nationale recht kunnen de bevoegde autoriteiten van een Staat die partij is, zonder voorafgaand verzoek, informatie met betrekking tot criminele aangelegenheden zenden aan een bevoegde autoriteit in een andere Staat die partij is, indien zij aannemen dat deze informatie de autoriteit zou kunnen helpen bij het instellen of succesvol afsluiten van onderzoeken en strafrechtelijke procedures of zou kunnen leiden tot het formuleren van een verzoek krachtens dit Verdrag door de laatstgenoemde Staat die partij is.’
Zie over startinformatie in het strafproces: S. Brinkhoff, Startinformatie in het strafproces (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2014, v.w.b. startinformatie uit het buitenland deel IV in het bijzonder.
Opgemerkt moet worden dat mogelijke problemen rond die uitvoering veel minder snel fundamentele vragen op zullen roepen in de verzoekende staat nu de resultaten ervan geen rol spelen bij de berechting van een verdachte, maar enkel dienen ter zekerstelling van executie van een mogelijk op te leggen sanctie.
Zie art. 552n, eerste lid, Sv.
Het recht op een eerlijk proces vormt daarbij de bovengrens.
Bij overdracht van executie is de overdragende staat doorgaans de verzoekende staat. De uitvoering en beoordeling van dat verzoek in de aangezochte overnemende staat leveren geen of weinig te beoordelen resultaten voor de verzoekende staat op. Bij uitlevering is de situatie vergelijkbaar. Het uitleveringsverzoek leidt tot een beoordeling ervan in de aangezochte staat en eventueel tot een uitlevering, maar de verzoekende staat krijgt daardoor slechts de beschikking over de opgeëiste persoon. Uitleveringsverdragen bieden soms wel de mogelijkheid om met de uitlevering van de opgeëiste persoon meteen ook voorwerpen die onder hem in beslag zijn genomen over te dragen aan de verzoekende staat, maar die mogelijkheid is eigenlijk een aan de uitlevering gekoppelde vorm van kleine rechtshulp. Bij overdracht van strafvervolging is de overdragende staat veelal de verzoekende staat. De beoordeling van dat verzoek in de aangezochte en dus overnemende staat leidt tot een vervolging in die laatste staat en heeft verder geen tastbare gevolgen voor de overdragende staat (anders dan dat de vervolging uit handen is gegeven).
Inherente onderdelen van het strafproces
Bij interstatelijke strafrechtelijke samenwerking zijn in alle gevallen gedragingen van de ene staat in het geding waarop de andere staat vertrouwt. In elk geval kan gewezen worden op de gedragingen die onlosmakelijk verbonden zijn met een bepaalde vorm van rechtshulp.
Uitlevering
Uitlevering kan plaatsvinden ter fine van vervolging of van executie van straf of maatregel. De aangezochte staat vertrouwt indien uitlevering wordt toegestaan ter vervolging op de berechting die in de verzoekende staat nog zal plaatsvinden, en de eventueel daaropvolgende tenuitvoerlegging van de straf of maatregel.1 Anders gezegd: de uitlevering vindt plaats voorafgaand aan de eigenlijke strafrechtelijke procedure die in volle omvang in de staat waaraan wordt uitgeleverd zal plaatsvinden. Dit betekent ook dat de uitleveringsrechter niet treedt in de inhoudelijke beoordeling van de strafzaak. Die beoordeling is immers voorbehouden aan de zittingsrechter in de vreemde staat. Dit zal betekenis hebben voor de beoordeling van het beschikbare bewijs in de uitleveringsprocedure2 en bijvoorbeeld ook voor het oordeel over mensenrechtenverweren.3
Indien uitlevering wordt toegestaan ter executie van een sanctie geldt het vertrouwen vooral de wijze waarop de (vrijheidsbenemende) sanctie ten uitvoer zal worden gelegd. De opgeëiste persoon is bij deze vorm van uitlevering in de ontvangende staat veroordeeld tot een vrijheidsbenemende sanctie en de uitleverende staat stelt de opgeëiste persoon in handen van de ontvangende staat die daarna de zeggenschap heeft over de tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde sanctie. Het vertrouwen dat de uitleverende staat hier in de ontvangende staat stelt betreft de meer juridische aspecten van de tenuitvoerlegging van de sanctie, zoals de toepassing van regelingen van voorwaardelijke invrijheidstelling, maar ook de meer praktische aspecten, zoals de detentieomstandigheden waarin een veroordeelde terechtkomt.
Wanneer sprake is van een verstekveroordeling wordt de uitlevering ter executie onder omstandigheden enkel toegestaan wanneer de verzoekende staat de garantie geeft dat de opgeëiste persoon gebruik zal kunnen maken van een rechtsmiddel tegen de veroordeling (zoals verzet of hoger beroep). In dat geval is de uitlevering vergelijkbaar met uitlevering ter vervolging, in elk geval op dit punt: het vertrouwen richt zich dan (ook) weer op de berechting die nog zal plaatsvinden in de verzoekende staat, althans voor zover de veroordeelde ervoor kiest daarvan gebruik te maken.
Overdracht van executie
De (verdere) toekomstige tenuitvoerlegging van straf of maatregel vormt het object van het vertrouwen van de overdragende staat bij het instrument van overdracht van executie, terwijl de overnemende staat bij dat rechtshulpinstrument spiegelbeeldig vertrouwt op de eerdere berechting en veroordeling en strafoplegging in de overdragende staat. Daarbij is wel van belang welke procedure in de overnemende staat van toepassing is. Indien dat de exequaturprocedure is, dan is minder concreet sprake van vertrouwen dat een bepaalde straf ten uitvoer zal worden gelegd dan bij de voortgezette tenuitvoerlegging. In dat laatste geval wordt de straf in beginsel niet omgezet en werkt het vertrouwen betrekkelijk sterk.4 De overdragende staat gaat er in een dergelijk geval van uit dat de overnemende staat geen wijziging zal aanbrengen in de opgelegde straf en die volledig ten uitvoer zal leggen, zij het dat de regeling van voorlopige of voorwaardelijke invrijheidstelling van de overnemende staat van toepassing is. Anders geformuleerd is het object van het vertrouwen, de strafoplegging, voor zover daarvan sprake is, en de tenuitvoerlegging daarvan, vastomlijnd en is de ruimte voor de overnemende staat zeer beperkt. Bij de exequaturprocedure is de door de vreemde rechter opgelegde straf enkel een eerste richtsnoer. De exequaturrechter in de overnemende staat is tot op grote hoogte vrij in de ‘vertaling’ van de straf. Geformuleerd in termen van het vertrouwen dat een bepaalde, specifieke uitkomst zal worden bewerkstelligd, is in dit geval eigenlijk nauwelijks sprake van vertrouwen. In meer abstracte zin is bij toepasselijkheid van de exequaturprocedure juist sprake van veel meer vertrouwen. Waar bij voortgezette tenuitvoerlegging de uitkomst min of meer ‘voorgeprogrammeerd’ is, is die bij de exequaturprocedure niet op voorhand gegeven. Het vergt daarom veel meer vertrouwen van de overdragende staat om de exequaturrechter die verantwoordelijkheid te gunnen, al is niet te eenvoudig te concretiseren op welk resultaat dan wordt vertrouwd, anders dan een prudente of juiste omzettingsbeslissing. Tegen deze achtergrond verwondert het niet dat in de meeste WOTS-verdragen met staten die verder van het Nederlandse rechtssysteem afstaan, enkel de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging is opgenomen.5 Het WOTS-verdrag met Thailand6 is in dit verband een kras voorbeeld van een zeer beperkt vertrouwen op het gebied van de tenuitvoerlegging van de straf. In artikel 3, onderdeel e, is opgenomen dat overdracht niet mag plaatsvinden dan nadat de ‘tenuitvoerleggingsdrempel’ die in een van beide staten geldt, is verstreken. Deze bepaling ziet op de voorwaarde naar Thais recht dat de bij een veroordeling tot levenslang wegens drugsdelicten ten minste acht jaren van de straf in Thailand zijn ondergaan. Bij andere delicten waarvoor een levenslange gevangenisstraf is opgelegd is dat vier jaar en bij tijdelijke vrijheidsstraf geldt een ‘tuldrempel’ van een derde van de straf met een maximum van vier jaar.7 Op deze wijze garandeert Thailand dat een voor de Thaise autoriteiten bevredigend deel van de straf hoe dan ook wordt uitgezeten. In de praktijk betekent het dat na overbrenging nog slechts een beperkt of, met name bij drugsdelicten, zelfs helemaal geen strafrestant overblijft.8
Het vertrouwen kan evenwel ook omgekeerd werken. Is er in meer algemene zin over en weer sterker vertrouwen in het strafklimaat van de samenwerkende staten, dan kan toepasselijkheid van de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging weer duiden op sterker onderling vertrouwen. Dit voorbeeld illustreert dat het vertrouwen op verschillende gedragingen kan zijn gericht, retrospectief op de strafoplegging en prospectief op de verdere tenuitvoerlegging van de straf, en dat deze verschillende vormen van vertrouwen elk op een eigen manier kunnen doorwerken in de details van een verdrag.
Overdracht van strafvervolging
Bij overdracht van strafvervolging vertrouwt de overdragende staat prospectief op de verdere vervolging en mogelijke berechting die in de overnemende staat zullen plaatsvinden. De berechting bestaat uit de vaststelling van de feiten, de toepassing van het materiële strafrecht en het strafprocesrecht op de casus en, eventueel, het opleggen van een sanctie. Bij overdracht van strafvervolging vertrouwt de overdragende staat wanneer de overnemende staat geen originaire rechtsmacht heeft en die dus vanwege de overname verkrijgt, er bovendien op dat de straf zal worden beperkt tot het toepasselijke strafmaximum in de overdragende staat, aangezien in een dergelijk geval dat strafmaximum verdragsrechtelijk gemaximeerd is.9 De vervolging bestaat in elk geval uit de vervolgingsbeslissing, maar eventueel ook (en bij de doorgaans zwaardere zaken waarvoor de weg van internationale rechtshulp wordt bewandeld ligt dat ook voor de hand) voorlopige hechtenis.
De overnemende staat wordt op zijn beurt (retrospectief) geconfronteerd met eerdere vervolgingsdaden en opsporingshandelingen door de overdragende staat. Bij overname van strafvervolging is het Wetboek van Strafvordering uitgesproken over het vertrouwen dat kan worden gesteld in door de autoriteiten van de verzoekende staat voorafgaand aan de overname van de strafvervolging verrichte ambtshandelingen: artikel 552gg bepaalt in het eerste lid dat die de bewijskracht hebben die toekomt aan stukken betreffende overeenkomstige door Nederlandse ambtenaren verrichte handelingen.10 Deze bepaling komt overeen met artikel 26, eerste lid, EVOS. Het gaat om vertrouwen dat in die ambtshandelingen kan worden gesteld, omdat het uiteindelijk aan de zittingsrechter is om de bewijswaarde van een dergelijke ambtshandeling af te wegen. Artikel 552gg Sv dwingt derhalve niet tot het toekennen van bewijswaarde aan de ambtshandelingen van autoriteiten uit de vreemde staat. Het biedt echter wel de mogelijkheid om die ambtshandelingen gelijk te schakelen met bijvoorbeeld een ambtsedig procesverbaal en behelst dus in abstracto een vorm van retrospectief op die ambtshandeling, een gedraging, gericht vertrouwen.11
In het vorige hoofdstuk, paragraaf 6.1, passeerde al de revue de onttrekking aan het verkeer bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, aanhef en onder 4 Sr na een eerdere vervolging in het buitenland. Dit is een hybride vorm van rechtshulp, tussen overdracht van strafvervolging en overdracht van executie in. In geval van een dergelijke onttrekking is er zelfs een vonnis van een vreemde rechter waarin is vastgesteld dat een strafbaar feit heeft plaatsgevonden en waaruit kan worden afgeleid dat het aan het verkeer te onttrekken voorwerp daarmee in verband heeft gestaan. Op dat vonnis wordt dan vertrouwd door de overnemende staat.12
Kleine rechtshulp
Bij kleine rechtshulp is het beeld geschakeerder. Bij de varianten van kleine rechtshulp die de vergaring van bewijsmateriaal ten doel hebben, geldt het vertrouwen vooral de opsporing die op verzoek van de ene staat door de andere staat zal plaatsvinden. Voorbeelden zijn het verrichten van een doorzoeking en de inbeslagneming van hetgeen wordt aangetroffen of het horen van getuigen. Kleine rechtshulp vindt in voorkomende gevallen ook zonder verzoek plaats. Min of meer ongevraagd, in elk geval zonder formeel verzoek, worden de resultaten van opsporingsonderzoek dan doorgespeeld aan de autoriteiten van een andere staat, in de regel omdat duidelijk is dat die resultaten ook voor die staat van belang zijn of kunnen zijn. Soms biedt een verdrag daar een expliciete grondslag voor,13 maar ook zonder verdragsgrondslag is dergelijke ongevraagde ‘samenwerking’ mogelijk. Notoire voorbeelden betreffen cd-roms of andere gegevensdragers met informatie over bijvoorbeeld zwartspaarders uit andere landen. Dergelijk materiaal wordt door de staat waar de cd-rom wordt aangetroffen soms doorgespeeld naar het land van herkomst van (de groep) zwartspaarder(s), terwijl dat land op dat moment misschien nog helemaal niet weet dat een strafbaar feit is gepleegd, laat staan dat het een rechtshulpverzoek heeft gedaan. In dat geval is van belang of die resultaten in de ontvangende staat zelf ook als bewijs worden gebruikt of slechts als start- of sturingsinformatie ten behoeve van verder onderzoek.14 Op deze vraag wordt in hoofdstuk 11 nader ingegaan, maar de toets van opsporingsresultaten uit het buitenland die als startinformatie worden gebruikt is marginaler dan wanneer die resultaten direct als bewijs in een rechtsgeding worden ingebracht.
Kleine rechtshulp kan verder ook de conservatoire inbeslagneming van voorwerpen betreffen met het oog op de executie van een sanctie. Het vertrouwen betreft dan de uitvoering van die inbeslagneming na het verzoek daartoe van de verzoekende staat.15 Ook de betekening van gerechtelijke stukken kan via kleine rechtshulp geschieden. In dat geval is doorgaans die toekomstige betekening op verzoek het object van het door de verzoekende staat in de aangezochte staat gestelde vertrouwen. Dat vertrouwen kan naderhand ook weer retrospectief werken: artikel 588, tweede lid, Sv, dat de betekening in het buitenland regelt, bepaalt in zijn slotzin: ‘Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat hiervan nog uit een afzonderlijke akte behoeft te blijken.’. Dit is een duidelijke uiting van een (sterk werkend) vertrouwensbeginsel, gebaseerd op de bewering van de autoriteiten van de vreemde staat betreffende een door hen uitgevoerde gedraging; in wezen is sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden dat de betekening heeft plaatsgevonden zoals gesteld.
Het verzoek als gedraging
Het verzoek dat de verzoekende staat heeft gedaan is telkens ook een gedraging waar het vertrouwen betrekking op heeft. De aangezochte staat ontvangt dat verzoek en vertrouwt er bij voorkeur op dat bijvoorbeeld het feitenexposé in dat verzoek waar is. Het verzoek is daarmee geen grond van vertrouwen maar object. In veel gevallen is de grond van het vertrouwen dan juist de samenwerkingsrelatie die, al dan niet belichaamd in een verdrag, met de verzoekende staat bestaat.
In de meeste gevallen gaat het bij het vertrouwen dat betrekking heeft op het verzoek zelf om de inhoud daarvan: de beweringen die de verzoekende staat daarin doet. Beweringen als object van vertrouwen komen in de volgende paragraaf nader aan de orde. Ook stukken die ten grondslag liggen aan een verzoek kunnen uitvloeisel zijn van een gedraging waarop eventueel vertrouwen gericht kan zijn. Deels vallen die samen met de hiervoor genoemde inherente gedragingen aan bepaalde vormen van rechtshulp. De uitkomst van de gedraging in het verleden in de verzoekende staat wordt dan weergegeven in en vormt de grond voor het verzoek. Denk aan een veroordelend vonnis bij overdracht van executie of uitlevering ter executie. Het bestaan van dat vonnis en de korte inhoud ervan (bewezen verklaarde feiten en opgelegde straf) worden weergegeven in het verzoek. Bij uitlevering ter vervolging kan het ook gaan om een nationaalrechtelijk aanhoudingsbevel, dat dan is uitgevaardigd (gedraging) door een rechterlijke autoriteit van de verzoekende staat.
De beoordeling van het verzoek als gedraging
Omgekeerd is de beoordeling van het verzoek door de autoriteiten in de aangezochte staat ook te zien als gedraging waarop mogelijk kan worden vertrouwd. Het kan dan gaan om een bestuurlijke beoordeling, door of vanwege het ministerie van Justitie of van Buitenlandse Zaken, maar ook om een magistratelijk oordeel. Voor veel, maar niet alle vormen van rechtshulp zal een veroorlovende rechterlijke beslissing nodig zijn. Dit geldt naar Nederlands recht in elk geval voor uitlevering en vormen van kleine rechtshulp waarvoor bepaalde dwangmiddelen moeten worden ingezet.16 De beoordeling van het rechtshulpverzoek zal vaak ook aspecten betreffen die in de verzoekende staat later weer in geding zullen komen. Zo dient ingevolge artikel 552p, tweede lid, Sv de raadkamer van de rechtbank verlof te verlenen voor afgifte van naar aanleiding van een rechtshulpverzoek vergaard materiaal. Daarbij dient de raadkamer het verdrag in acht te nemen en te toetsen of aan de voorwaarden voor rechtshulpverlening is voldaan. Vooral bij kleine rechtshulp is deze beoordeling van het rechtshulpverzoek in de aangezochte staat van belang omdat juist daar de uitvoering van een verzoek door die aangezochte staat resultaten oplevert die later in de verzoekende staat zullen worden gebruikt bij de (verdere) opsporing en berechting en dus in de verzoekende staat ook vragen kunnen oproepen. Zo kan de rechtmatigheid van de verkrijging bij de zittingsrechter van de verzoekende staat ter discussie worden gesteld.
Eerder bleek al, en dit komt in hoofdstuk 11 uitgebreider aan de orde, dat Nederland als verzoekende staat niet treedt in de rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijsmateriaal in de andere staat indien die staat bij het EVRM is aangesloten, tenzij het recht op een eerlijk proces in het geding is. In een spiegelbeeldige situatie met eenzelfde terughoudende opstelling van de zittingsrechter in de vreemde staat, zou dat betekenen dat die zittingsrechter het in Nederland vergaarde bewijsmateriaal niet in volle omvang op de rechtmatigheid toetst en tot op grote hoogte17 dus vertrouwt op de rechterlijke controle in de aangezochte staat, in dit geval de verlofverlening door de raadkamer op grond van artikel 552p, tweede lid, Sv. Die kan in die situatie onder omstandigheden ook het door artikel 13 EVRM vereiste rechtsmiddel bieden tegen eventuele schendingen.18
Wat als de gedraging niet tegemoetkomt aan het daarin gestelde vertrouwen?
De hiervoor geschetste verdeling van gedragingen, die inherent is aan de diverse vormen van rechtshulp, impliceert ook dat de uitkomst van die gedraging niet op voorhand vast staat. Het punt is juist dat de staat waaraan (de functionaris aan wie) de gedraging wordt toevertrouwd de noodzakelijke beoordelingsruimte moet kunnen benutten. Dat betekent echter niet dat er geen grenzen zijn. Zo begeeft de berechting zich buiten het speelveld indien de uitkomst is dat de doodstraf wordt opgelegd. Hetzelfde geldt voor de omzetting van een straf via de exequaturprocedure waarbij de strafrechtelijke positie van de veroordeelde wordt verzwaard. Dergelijke problemen kunnen zich met name voordoen bij prospectief vertrouwen, vertrouwen gericht op een toekomstige gebeurtenis. Achteraf is daar in deze concrete zaak in juridisch opzicht weinig meer aan te doen. Wel zal een dergelijke beschaming van het vertrouwen aanleiding vormen om op diplomatiek niveau al het mogelijke in het werk te stellen om de uitkomst recht te zetten. Daarbij kan natuurlijk een rol spelen – noem het een pressiemiddel – dat de uitkomst in het ene geval door kan en zal werken in de beoordeling van toekomstige gevallen van samenwerking en uiteindelijk de verdragsrelatie kan raken.
Bij retrospectief vertrouwen, vertrouwen aangaande gedragingen in het verleden, hangt veel af van het tijdstip waarop blijkt dat de bewering omtrent die gedraging (want daar zal het dan vaak om gaan, bijvoorbeeld de weergave van het vonnis in het verzoek of de wijze waarop de opsporing heeft plaatsgevonden) onjuist was. Als dat tijdig gebeurt, kan die onjuistheid zelf in de procedure worden rechtgezet (het juiste vonnis wordt overgenomen, de juiste lezing van de gebruikte opsporingsmethode vormt de grondslag voor de rechtmatigheid ervan), maar daarnaast kan het degene die zich met zo’n onjuistheid (en dus beschaamd vertrouwen) geconfronteerd ziet, aanzetten tot een kritischer toetsing van ook andere aspecten. Waarom zouden die immers wel juist zijn weergegeven. Indien de onjuistheid pas achteraf blijkt, zal soms herstel in de concrete zaak mogelijk zijn, bijvoorbeeld door middel van en herzieningsprocedure. En voor het overige zal het, evenals hiervoor is geschetst, consequenties hebben voor toekomstige gevallen van samenwerking.