Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/2.3.3.2
2.3.3.2 Gevaarlijke intenties met alledaagse en maatschappelijk waardevolle middelen
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715514:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Machielse 2016, par. 6.
Vgl. ook de wetgever: Kamerstukken II 2004/05, 30164, nr. 3, p. 49.
HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213 (Samir A.), r.o. 3.7.
Pelser 2020, par. 8.
Hof ’s-Gravenhage 18 november 2005, ECLI:NL:GHSGR:2005:AU6181 (Samir A.), r.o. 9.6.5-9.6.6. Op die manier gaf het hof – in lijn met de liberale interpretatie van het daadstrafrechtbeginsel – een zelfstandige betekenis aan de gedraging, los van de intenties van de verdachte.
Prakken & Roef 2004, p. 211, 242 en 243-244.
Reijntjes 2004, par. 3; Fletcher 2000, p. 199-200. Vgl. ook: Kelk/De Jong 2019, p. 447. Daar staat overigens los van dat als de samenleving eenmaal heeft besloten een gedraging strafbaar te stellen, de burger vanuit communitaristisch perspectief in beginsel de plicht heeft zich aan die regel te houden. Zie daarover §1.4.2 en §3.3.1.
Fletcher 2000, p. 143.
Prakken & Roef 2004, p. 245-246.
HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9358 (Handleiding). Zie ook: Kelk/De Jong 2019, p. 447; Buruma 2006, p. 817; Reijntjes 2004, par. 1.
HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9358 (Handleiding), r.o. 3.5.
Concl. A-G N. Jörg, ECLI:NL:PHR:2004:AN9358, bij HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9358 (Handleiding), par. 13-14. Tegen die interpretatie van het arrest van de Hoge Raad pleit, zoals Sikkema opmerkt, dat de Hoge Raad schrijft dat zowel het handelen als het opzet van de verdachte niet strekte ter voorbereiding van een misdrijf. Blijkbaar ziet de Hoge Raad ook in de gedraging dus een probleem.
Het verbieden van gedragingen met niet-alledaagse en maatschappelijk weinig nuttige middelen zal binnen een communitaristisch strafrecht eenvoudiger zijn dan het verbieden van gedragingen met alledaagse en nuttige middelen. Toch is het binnen een communitaristisch strafrecht niet uitgesloten dat ook gedragingen met voorwerpen die naar hun aard alledaags en/of maatschappelijk nuttig zijn, worden verboden. Het voorhanden hebben van alledaagse, ongevaarlijke voorwerpen doorgaans op zichzelf geen onrust veroorzaken, maar dat kan veranderen als ook rekening wordt gehouden met de intentie van de verdachte.1 Het pakken van een broodmes (zelfs in de keuken) krijgt een heel andere interpretatie als de verdachte kort daarvoor heeft geroepen dat hij zijn vrouw dood gaat steken. Bij een delict als financiering van terrorisme zal de subjectieve intentie van de verdachte de gedraging zelfs vrijwel volledig inkleuren. Geld dat is bestemd voor de financiering van terrorisme ziet er immers niet anders uit dan geld om boodschappen mee te doen.2 Ook de Hoge Raad wijst op het belang van de intentie bij de interpretatie van voorbereidingshandelingen:
“[bij] de beantwoording van de vraag of […] voorwerpen […], afzonderlijk of gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm “kennelijk bestemd” zijn tot het begaan van het misdrijf […], kan […] niet worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had.”3
De intentie van de dader moet volgens de Hoge Raad dus worden meegewogen in het vaststellen van de bestemming van de voorbereidingsmiddelen.4 Daarom casseerde de Hoge Raad ook het oordeel van het hof in de zaak tegen Samir A., waarin het Hof enerzijds aangaf overtuigd te zijn van de terroristische intenties van de verdachte, maar anderzijds de door de verdachte verrichte voorbereidingshandelingen als zo onbeholpen, primitief en oppervlakkig beoordeelde dat daar binnen afzienbare termijn geen reële dreiging van uit kon gaan.5 Het ligt dan wel voor de hand om – in lijn met de opmerking van de minister – hoge eisen te stellen aan het bewijs van die intentie om te voorkomen dat het strafrecht in een idee-strafrecht verandert.6 Die vanuit liberaal perspectief op het eerste gezicht wat paradoxale logica is alleen te begrijpen als de subjectieve en objectieve zijde van het delict als communicerende vaten worden gezien.
Vanuit liberaal oogpunt blijkt uit het voorgaande het failliet van het daadstrafrechtbeginsel. Er wordt een gedraging strafbaar gesteld die als zodanig geen gevaar in het leven roept, maar slechts fungeert als bewijs voor de intentie: een Gesinnungsstrafrecht.7 Vanuit communitaristisch oogpunt valt op die liberale redenering wel het nodige af te dingen. Zo is nog altijd een gedraging vereist; er worden als zodanig geen intenties strafbaar gesteld. Het verzamelen van onderdelen voor een bom is bovendien reeds naar zijn aard niet bepaald een neutrale gedraging. Dat kan ook volgen uit de bredere context van de gedraging. Het aanschaffen van kunstmest is op zichzelf wellicht evenmin strafrechtelijk relevant als het aanschaffen van ammoniak of spiritus, maar gezamenlijk beschouwd vormt de aankoop van deze producten een veel minder gebruikelijke gedraging. En het overmaken van geld is wellicht een neutrale gedraging, maar het overmaken van geld aan een terroristische organisatie is dat niet evident. Bovendien volstaat niet iedere gedraging; daaruit moet wel een zodanige intentie van de dader kunnen worden afgeleid dat de gedraging als geheel onrust veroorzaakt. De enkele bewustheid van de aanwezigheid van (ongevaarlijke) voorwerpen zal bijvoorbeeld niet volstaan: pas als de dader ook het opzet heeft om de middelen te gebruiken, kan een dergelijke gedraging onrust veroorzaken.8 De criminele indruk die een gedraging wekt, zal in zijn algemeenheid bovendien lager zijn naarmate de gedraging zich vroeger in de voorfase bevindt.9 De intentie perkt dan de aansprakelijkheid in en voorkomt dat het bezit van ieder middel, dat in theorie geschikt is om als voorbereidingsmiddel te dienen, strafbaar wordt.10 Dat kan worden geïllustreerd aan de hand van een zaak waarin een man een handleiding voor het plegen van overvallen op geldtransporten meerdere maanden (kennelijk ongebruikt) in zijn jaszak had laten zitten.11 De Hoge Raad komt niet tot een veroordeling voor voorbereiding van een overval, omdat uit die gedraging niet kan worden afgeleid dat de verdachte opzet had op enig strafbaar feit.12 Dat terwijl de gedraging – zoals A-G Jörg benadrukte – strikt genomen wel aan de (lage) eisen van artikel 46 Sr voldeed.13 Vanuit communitaristisch oogpunt kan echter goed worden volgehouden dat de gedraging, in zijn volledige context beschouwd, te weinig vrees oproept dat de verdachte daadwerkelijk van plan was een misdrijf te plegen.