Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/3.6.3.1
3.6.3.1 De stichting is geen uiterste wilsbeschikking
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232369:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. M.E. Koppenol-Laforce, Het Haagse trustverdrag (diss. Rotterdam, Recht en Praktijk nr. 101), Deventer: Kluwer 1997, p. 157, waar zij schrijft dat de statuten van de stichting niet worden beschouwd als uiterste wilsbeschikking.
Om de uiterste wilsbeschikking van oprichting van een stichting binnen het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen te krijgen, is artikel 4:135 BW overbodig in verband met het bepaalde in artikel 2:4 BW, zie 1.1.1.1.
HR 11 maart 1932, NJ 1932/p. 698, m.nt. E.M. Meijers (Paul Tétar van Elvenfonds).
En bij leven een schenking, zo bleek in 2.2.2.1.
Titel 4.5 BW heeft als opschrift ‘Onderscheiden soorten van uiterste wilsbeschikkingen.’ Een van de afdelingen uit deze titel is afdeling 4.5.4 met als opschrift ‘Stichtingen’. Artikel 4:135 BW is de enige bepaling van deze afdeling. Door de plaats in de wet wordt de suggestie gewekt dat de stichting een uiterste wilsbeschikking kan zijn. Dit is echter niet het geval.1 De stichting is een rechtspersoon. De oprichting van een stichting kan wel bij uiterste wilsbeschikking plaatsvinden, maar dat maakt de bij dode opgerichte stichting als zodanig nog niet tot uiterste wilsbeschikking.2
Vóór de invoering van de Wet op stichtingen lag dit anders. De afzondering van het vermogen ten behoeve van een bepaald doel onder een bestuur vormde het in leven roepen van de stichting, zo oordeelde de Hoge Raad nog in het Paul Tétar van Elvenfonds-arrest uit 1932. Deze vermogensafzondering en het instellen van een bestuur daarover, vormde één uiterste wilsbeschikking. In het Paul Tétar van Elvenfonds-arrest is dat ook goed terug te zien. De uiterste wilsbeschikking gemaakt door mevrouw Van Duuren, weduwe Pitlo, eerder weduwe Paul Tétar van Elven luidde:
‘Mijn geheele vermogen, voor zoover ik daarover niet anders heb beschikt, bestem ik tot het in het leven roepen (zooals ik doe bij deze) van een stichting, genaamd ‘Museum Paul Tétar van Elven’, welke stichting gehouden zal zijn, alle schulden, lasten, rechten en kosten mijner nalatenschap te voldoen op dezelfde wijze als ware zij door mij tot erfgename benoemd, onder de last tot nakoming der door mij gemaakte bijzondere beschikkingen.’3
Die bijzondere beschikking was het in leven roepen van de stichting Paul Tétar van Elvenfonds, waarover nader in het volgende onderdeel.
Als gevolg van dit arrest kon het in leven roepen van een stichting bij dode tot de invoering van de Wet op stichtingen wel worden beschouwd als een uiterste wilsbeschikking.4 Dit gegeven maakt een onderzoek naar de oorsprong van artikel 4:135 lid 1 BW interessant.