Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.4.5.6
4.3.4.5.6 Instemmingsvereiste Belastingdienst
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS494161:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 4.3.4.4.3.
Strikt genomen de Ontvanger van de Belastingdienst (vgl. art. 3 lid 1 Iw 1990).
Van Oers 2007a, p. 68.
Hierbij moet worden opgemerkt dat het ontbreken van een instemming van de Belastingdienst een cessie vanuit civieljuridisch perspectief niet ongeldig maakt. Wel zal de cessie zonder instemming van geen rechtsgevolgen hebben ten aanzien van de Belastingdienst (de debitor cessus), zodat het effect van de cessie volledig wordt weggenomen. Zie in dat verband Rechtbank Oost-Brabant 19 februari 2015, JOR 2015/124, m.nt. Tekstra. Aldus ook Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Invorderingswet, art. 24, aant. 15.13.
Vgl. art. 24 § 2 lid 3 Leidraad Invordering 1990 (oud). Dit betekent dat ingeval het (voorwaardelijk) recht op teruggaaf stil zou worden gecedeerd, de mededeling kan worden uitgesteld tot het moment dat partijen de levering aan de Belastingdienst willen tegenwerpen. Bij de levering van een toekomstige vordering wordt slechts ingestemd als het uit te betalen bedrag met voldoende bepaaldheid is omschreven (vgl. paragraaf 4.3.4.5.3). Zie paragraaf 12.16.3 van de Instructie Invordering en Belastingdeurwaarders (versie april 2017, te downloaden via www.download.belastingdienst.nl). Dit is een handboek voor medewerkers van de Belastingdienst die betrokken zijn bij de invordering. Vgl. Van Eijsden 1990/1485, p. 2.1.2.
Bij de beoordeling of met een cessie moet worden ingestemd mag geen rekening worden gehouden met materieel ontstane belastingschulden die nog niet zijn geformaliseerd. De Belastingdienst verrekent het uit te betalen bedrag met de belastingschulden die openstaan op het moment van formalisering van het uit te betalen bedrag (in de btw het moment waarop de teruggaafbeschikking wordt afgegeven). Anders dan de instemmingsregeling betreft de verrekening zelf een louter formele aangelegenheid. Zie uitvoerig art. 24 Leidraad Invordering 2008. In dezelfde zin: paragraaf 12.16 van de Instructie Invordering en Belastingdeurwaarders.
Zoals reeds opgemerkt1 laat de goedkeuring uit het factoorsbesluit dat een teruggaaf ex art. 29 lid 1 Wet OB 1968 aan de overnemer wordt uitbetaald onverlet dat Belastingdienst2 een eventuele belastingvordering op de overdrager eerst met de teruggaaf kan verrekenen. Dit voorbehoud wordt niet gemaakt voor het geval het recht op teruggaaf rechtsgeldig is gecedeerd. Ik deel de opvatting van Van Oers3 dat hier met rechtsgeldige cessie naar alle waarschijnlijkheid wordt gedoeld op de cessie waarmee de fiscus heeft ingestemd.4Art. 24 lid 4 Iw 1990 bepaalt immers dat verrekening niet mogelijk is, mits de Belastingdienst met de overdracht heeft ingestemd. Heeft de Belastingdienst niet ingestemd, dan blijft het recht op verrekening (art. 24 lid 1 Iw 1990) onverkort van kracht. De Belastingdienst toetst of met een cessie kan worden ingestemd op het moment dat aan hem mededeling wordt gedaan van de cessie.5 Instemming met een cessie of verpanding wordt alleen geweigerd als de Belastingdienst gegronde redenen heeft om aan te nemen dat instemmen met de cessie zal kunnen leiden tot oninbaarheid dan wel onverhaalbaarheid van een ten tijde van de mededeling invorderbare belastingaanslag (of anderszins voor verrekening vatbare schuld) waarmee het uit te betalen bedrag zonder cessie had kunnen worden verrekend.6 Blijkens de derde volzin van art. 24 lid 4 Iw 1990 is de Belastingdienst evenwel verplicht om met een cessie in te stemmen indien op dat tijdstip geen voor verrekening vatbare (en geformaliseerde) schuld invorderbaar is.