Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.5.1.1
2.5.1.1 Afschaffen van de middelen (bedreiging met) een feitelijkheid?
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859100:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Hullu & Van der Neut 1985, p. 75. Zie hierover ook Lindenberg 2007, p. 215.
Lindenberg 2007, p. 217-218.
Zie par. 1.5.
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 93-94. De commissie doet deze suggestie, omdat minister Beerman heeft aangegeven dat bedreiging met een rechtshandeling onder bedreiging met een feitelijkheid valt, Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 91. De commissie wijst erop dat een rechtshandeling naar de taalkundige betekenis van dat woord geen feitelijkheid is en komt vervolgens met haar suggestie tot schrapping van de middelen. In par. 2.5.2 komt het middel bedreiging met een feitelijkheid nader aan de orde.
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 95.
Deze eis komt nader aan de orde bij het bespreken van de termen ‘dwingen’ en ‘beletten’.
Vgl. par. 1.6.1.
Deze toevoeging komt nader aan de orde in par. 2.5.6.1.
Zoals uit het voorgaande volgt, bevat artikel 4:3 lid 1 sub d BW twee middelen, te weten: een feitelijkheid en bedreiging met een feitelijkheid. De vraag is of de hiervoor geschetste ruime uitleg van het begrip feitelijkheid de middelen in deze onwaardigheidsbepaling niet overbodig maakt.
Bij de artikelen 242 en 246 Sr (die dezelfde middelen opsommen als artikel 284 Sr) heeft het wat De Hullu en Van der Neut betreft de voorkeur om alle middelen te schrappen. Wanneer elke gedraging die geschikt is een ander tot het gevolg te dwingen een feitelijkheid oplevert, dan bestaat volgens hen geen reden de middelen te behouden.1 Voor artikel 284 Sr wil Lindenberg niet zo ver gaan. De gedraging ‘dwingen iets te doen, niet te doen, of te dulden’ heeft niet zonder meer een hoog onrechtsgehalte. Als de betekenis van de dwangmiddelen wegvalt, komt daardoor alle druk op het bestanddeel ‘wederrechtelijkheid’ te liggen om strafonwaardige gedragingen buiten het bereik van artikel 284 Sr te houden. Volgens Lindenberg is dit bestanddeel daar weliswaar toe in staat, maar zolang de rechter een dergelijke taak van het bestanddeel niet onderschrijft, lijkt het hem verstandig aan de dwangmiddelen vast te houden.2
De reden die volgens Lindenberg noopt tot terughoudendheid bij de afschaffing van de dwangmiddelen in artikel 284 Sr, speelt echter geen rol bij artikel 4:3 lid 1 sub d BW. Het gaat bij onwaardigheid immers al om specifiek omschreven wangedrag, te weten het dwingen of beletten een uiterste wilsbeschikking te maken.
Bij het ecarteren van de middelen wordt een stap teruggezet in de tijd naar de ontwerpen van Wierdsma (rond 1800) en het WNvH (1809-1811). In die bepalingen zijn evenmin middelen opgenomen.3 De wetgever heeft echter bewust niet zover willen gaan. In het tweede rapport van de Commissie Erfrecht van de Broederschappen van Notarissen en Candidaatnotarissen is de suggestie gedaan onwaardigheid te verbinden aan het enkele feit dat de onwaardige de erflater gedwongen of belet heeft een uiterste wilsbeschikking te maken.4 Minister Polak lijkt deze suggestie geen verbetering. Volgens hem dreigt het gevaar dat men alleen zou denken aan een absolute dwang of een absoluut beletten. Vervolgens merkt de minister over de voorgestelde formulering nog het volgende op:
‘Voorts vraagt de commissie welk oordeel ondergetekende heeft omtrent de door notarissen gedane suggestie (…). Ondergetekende zou hierop willen antwoorden dat naar zijn mening met deze formule van notarissen de sluizen naar aanvechting van erfopvolging op grond van onwaardigheid wel zeer wijd opengezet zouden worden. Bij iedere maar gestelde vroegere ideële pressie op de erflater – die er zelf niet meer is om een en ander te weerleggen – zouden processen gevoerd kunnen worden, waarmee de zekerheid van de erfopvolging en van het testament al te zeer zou verminderen. Dit terwijl bij wilsgebreken omgekeerd is gestreefd naar meer zekerheid door vernietigbaarheid in plaats van nietigheid bij wilsgebreken.’5
Deze redenering overtuigt niet. Bij het ontbreken van de middelen staat de poort niet wijd open voor het voeren van processen en de rechtszekerheid staat evenmin op de tocht. De beperkende factor zit – zoals hiervoor ook duidelijk is geworden – in het dwingen of beletten. Het spectrum van deze bepaling wordt bovendien niet vergroot door het afschaffen van de middelen. De reikwijdte van het begrip feitelijkheid is dermate groot dat de middelen geen doel dienen in artikel 4:3 lid 1 sub d BW. Het omvat, als gezegd, elke gedraging die onder de gegeven omstandigheden de erflater kan dwingen of beletten een uiterste wilsbeschikking te maken. Verder geldt dat het irrelevant is op welke wijze het dwingen of beletten is geschied. Elke opzettelijke6 belemmering van de erflater om naar eigen goeddunken over zijn bezittingen te beschikken dient tot onwaardigheid te leiden.7 Naar mijn mening verdient het dan ook aanbeveling artikel 4:3 lid 1 sub d BW te wijzigen en wel aldus dat de middelen daarin worden geschrapt. De bepaling luidt dan als volgt:
hij die de overledene heeft gedwongen of voorgoed8 heeft belet een uiterste wilsbeschikking te maken.