Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/3.15
3.15 Samenvatting en conclusie
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS302582:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ook Van Solinge en Nieuwe Weme lijken, zij het enigszins versluierd, te overwegen. Zij merken op dat de wetssystematiek, waarbij er een duidelijke scheiding tussen de aandeelhoudersfunctie en bestuurdersfunctie aanwezig is, bij de kleine vennootschap begrijpelijk is, hetgeen impliceert dat het bij de ‘grote’ vennootschap minder begrijpelijk is (Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2013, nr. 21).
Witteveen 2004, p. 26.
Zie over de voor- en nadelen van het geven van aandelen aan werknemers ook: Study prepared by the Inter-University Centre for European Commission’s DG Markt, “The Promotion of Employee Ownership and Participation”, 28 oktober 2014, http://ec.europa.eu/internal_market/company/docs/ modern/141028-study-for-dg-markt_en.pdf, laatst bekeken op 14 maart 2015.
Zie in dit verband eveneens: Witteveen 2004, p. 22 e.v.
Slagter wijst in dit verband op het feit dat medezeggenschap voor werknemers via aandelen geheel niet radicaal is, omdat er dan niets aan de wettelijke regeling gewijzigd behoeft te worden, behalve dat de overdracht van aandelen door werknemers strikter geblokkeerd moet worden (Slagter 2005, p. 18).
In hoofdstuk 2, paragraaf 2.4. wordt reeds een antwoord geformuleerd vanuit historisch perspectief op de vraag die in dit hoofdstuk centraal staat. Daar is gebleken dat vanuit een historisch perspectief zeggenschapsrechten aan aandeelhouders toekomt op grond van een thans verlaten opvatting betreffende het karakter van de vennootschap, zijnde de contractuele theorie. Binnen de institutionele theorie in combinatie met het stakeholder model is een dergelijke zeggenschapspositie voor aandeelhouders minder voor de hand liggend. Thans is het op grond van de voorgaande uiteenzetting mogelijk een antwoord te formuleren vanuit een rechtseconomisch perspectief.
Een drietal rechtseconomische argumenten is beschouwd. Het eerste en tweede argument kunnen mijns inziens niet overtuigen. De opvatting dat aandeelhouders als eigenaren van de vennootschap dienen te worden beschouwd, is niet alleen in de heersende benadering van het verschijnsel vennootschap/onderneming in de Verenigde Staten onjuist, maar zeker ook in Nederland. Thans heerst de opvatting dat de vennootschap meer is dan slechts een middel voor kapitaalverschaffers, de klassieke opvatting van de scheiding tussen ‘ownership’ en ‘control’ gaat niet meer op. De opvatting dat aandeelhouders als (de enige) ‘residual claimants’ dienen te worden beschouwd, is eveneens onjuist. Uit de uiteenzetting in paragraaf 3.4. is gebleken dat ook andere belanghebbenden vertrouwen op informele contracten met de vennootschap.
Tenslotte is er het argument dat de ‘agency costs’ worden gereduceerd. Dit argument is bijzonder, omdat het in tegenstelling tot de andere argumenten wel veronderstelt dat in beginsel de belangen van alle belanghebbenden dienen te worden behartigd. De ‘agency costs’ als gevolg van een dergelijke richtlijn voor bestuurders zouden echter te hoog zijn, omdat het belang van alle belanghebbenden lastig te bepalen is en de situatie wordt gecreëerd waarin bestuurders meer ruimte krijgen om ongestraft hun eigen belang na te streven. Dit argument lijkt ook steun te krijgen vanuit de Nederlandse literatuur en Corporate Governance Code. Het is niet ideaal, maar is er een beter alternatief?
Dit laatstgenoemde argument geeft derhalve vanuit een rechtseconomisch perspectief een antwoord op de vraag waarom aan aandeelhouders zeggenschapsrechten toekomen. Desalniettemin vraag ik mij af of middels de holistische leer niet eenzelfde resultaat, zijnde de sturing van het bestuur en betere mogelijkheid tot controle, kan worden bereikt, welke wellicht zelfs efficiënter is. Het eigen belang van de vennootschap lijkt mijns inziens beter aan te sluiten bij de het stakeholder model dan het belang van aandeelhouders op de lange termijn.
Een nadeel van dit argument is dat het niet mogelijk is om een orgaan in te stellen dat het bestuur met dit richtsnoer efficiënt kan controleren. Een dergelijk orgaan moet immers, om ‘agency costs’ te vermijden, te allen tijde eenzelfde belang hebben als de vennootschap zelf. Desalniettemin zijn er wel andere mogelijkheden om de ‘agency costs’ tot een minimum te beperken, zoals transparantie en mogelijkheden tot ingrijpen door belanghebbenden (zowel vooraf als achteraf), al dan niet middels de rechter. Uiteindelijk zal enkel uitgebreid empirisch onderzoek kunnen uitwijzen welke opvatting het efficiëntst is en tot die tijd blijft het toch ook een kwestie van (goed onderbouwd) gissen.
Hoewel er derhalve vanuit rechtseconomisch perspectief een (relatief) goede fundering is voor het toekennen van zeggenschapsrechten aan aandeelhouders, is er wellicht ook een efficiëntere oplossing denkbaar. Het zou dan niet direct voor de hand liggen aandeelhouders zeggenschapsrechten toe te kennen, tenzij de aandeelhouders geprikkeld kunnen worden om het belang van de vennootschap middels deze rechten te behartigen.
Waarin ligt de verklaring dat zowel vanuit een historisch alsook rechtseconomisch perspectief deze machtige zeggenschapspositie van de aandeelhouder wellicht niet zo sterk meer aansluit bij de thans geldende opvattingen over het doel en karakter van de vennootschap? Mijns inziens kan deze verklaring (in ieder geval ten delen) worden gevonden in een tweetal aspecten, die reeds in het historische en rechtseconomische deel terug zijn gekomen, zij het onder verschillende benamingen. Ik doel hierbij op de ‘act of magic’ en de scheiding van ‘ownership’ en ‘control’.
In beide aspecten komt een scheiding naar voren tussen het risicodragende kapitaal en de ondernemer die dit kapitaal aanwendt om ondernemingsactiviteiten uit te voeren. Deze scheiding is essentieel geweest voor het succes van de kapitaalvennootschap en heeft sinds haar introductie altijd centraal gestaan. Deze aspecten staan tevens centraal in de gehanteerde ‘duale structuur’ van de vennootschap.
Het lijkt echter gerechtvaardigd om de vraag te stellen of de vennootschap thans nietmeer is (geworden) dan slechts een scheiding tussen kapitaalverschaffer en ondernemer. De vennootschap is een instituut, dat niet meer afhankelijk is van haar aandeelhouder( s) en bovendien blijkt uit rechtseconomisch onderzoek dat meer inbreng nodig is dan slechts de inbreng van aandeelhouders, althans dat deze andere inbreng niet uitsluitend op grond van formele contracten kan worden ingebracht. Gebleken is dat ook andere belanghebbenden vertrouwen op informele contracten. Kortom, de vennootschap is meer dan slechts een scheiding van kapitaalverschaffer en ondernemer.1 Deze verandering zal in ogenschouw moeten worden genomen wanneer nader wordt ingegaan op de wijze waarop individuele aandeelhouders en de algemene vergadering van aandeelhouders als orgaan van de vennootschap zich dienen te gedragen.
Dat het wetssysteem niet geheel aansluit op deze verdere ontwikkeling van de vennootschap als instituut vloeit mijns inziens ook voort uit de discussie omtrent het bevorderen van medezeggenschap van werknemers middels aandelen. Eén van de functies van het toekennen van aandelen aan werknemers is dat dit kan gelden als aanvulling op de traditionele medezeggenschapspositie.2 Dit systeem is gebaseerd op het idee dat werknemers hun belang (als werknemer) kunnen behartigen middels de zeggenschapsrechten die zij als aandeelhouder krijgen. Hoewel dit in eerste instantie wellicht een goed idee lijkt, is hier wel sprake van ‘oneigenlijk gebruik van aandeelhouderszeggenschap/oneigenlijk vergroten van werknemerszeggenschap’.
Het idee van medezeggenschap van werknemers via aandelen heeft in zoverre met het in de wet verankerde idee van de scheiding van kapitaalverschaffer en bestuurder te maken, dat ervoor wordt gekozen om de werknemer zeggenschap te verschaffen door de werknemer aandeelhouder te maken in plaats werknemers daadwerkelijk (uitgebreidere) (mede)zeggenschapsrechten toe te kennen.3 De laatste mogelijkheid zou echter eigenlijk de voorkeur moeten genieten, omdat deze mogelijkheid beter aansluit bij de gedachte achter medezeggenschap, dat zich specifiek richt op de positie van de werknemers van de arbeidsorganisatie. Wordt de werknemer daarentegen tevens aandeelhouder, dan gaan de individuele belangen van de werknemer/aandeelhouder een belangrijkere rol spelen en krijgt de werknemer zeggenschap in aangelegenheden die voor hem eigenlijk – beschouwd vanuit het perspectief van medezeggenschap – niet relevant zijn.4 Desalniettemin wordt – omdat vanuit het wettelijk systeem de nadruk wordt gelegd op de kapitaalverschaffer en het bestuur – in de praktijk wel getracht van de werknemer een kapitaalverschaffer te maken.5
Moet als gevolg van deze overwegingen worden geconcludeerd dat het systeem waarin de vennootschap (in ieder geval) een bestuurs- en aandeelhoudersorgaan kent, overboord dient te worden gegooid? Ik zou willen betogen dat dit desalniettemin niet het geval is. Voornamelijk omdat er geen beter alternatief voor handen lijkt te zijn. Immers, welk orgaan zou de positie van de algemene vergadering van aandeelhouders in kunnen nemen, zonder dat men tegen hetzelfde probleem aanloopt? Wanneer men de raad van commissarissen als zodanig wenst te gebruiken, loopt men op tegen hetzelfde probleem als bij het bestuur, namelijk dat ook commissarissen geneigd zullen zijn hun eigen belang voor dat van de vennootschap te plaatsen. Wanneer men bijvoorbeeld werknemers als zodanig wenst te gebruiken, loopt men tegen hetzelfde probleem als bij de aandeelhouders aan, namelijk dat de werknemers hun eigen belang (of dat van de gezamenlijke werknemers) zullen behartigen in plaats van het belang van de vennootschap. Daarnaast wordt de aandeelhouder doorgaans beschouwd als de belangrijkste belanghebbende van de vennootschap. Door aandeelhouders zeggenschapsrechten toe te kennen, wordt in ieder geval het belang van de (doorgaans) belangrijkste stakeholder gemaximaliseerd, terwijl het aandeelhoudersbelang wordt gezien als het belang dat gelijk oploopt met de belangen van andere betrokkenen.
Een efficiëntere oplossing ligt mijns inziens in goede transparantie en effectieve manieren voor belanghebbenden om in te grijpen wanneer besluiten worden genomen die in strijd zijn met het belang van de vennootschap. Het ondernemingsrecht is hier al ten dele op ingericht, maar een verbreding van de mogelijkheden voor anderen dan de directe belanghebbende zou wel verder moeten worden onderzocht en waar bruikbaar worden geïmplementeerd.