Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.2.6.2
12.2.6.2 Wijziging achteraf van de feitelijke grondslag (‘reden’-aspect)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940714:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook verderop in paragraaf 12.2.6.3.
In dezelfde zin: A-G IJzerman in zijn Conclusie voor HR 7 mei 2021, V-N 2021/21.19, BNB 2021/103 (par. 5.6, 5.8 en 5.11), de Redactie Vakstudie-Nieuws (zie de Aantekening bij de Conclusie in V-N 2020/24.17) en Thomas in zijn noot bij HR 16 januari 2015, FED 2015/23, punt 4. Ook Haas zit, als ik hem goed versta, op deze lijn (zie zijn noot bij HR 7 mei 2021, BNB 2021/103, punt 4 en 5).
EHRM 25 maart 1999 (Pélissier en Sassi), nr. 25444/94, Reports of Judgments and Decisions 1999-II, par. 52.
Zie paragraaf 12.2.6.1.
De beslissing van Rb Gelderland 20 oktober 2015, V-N 2016/6.11, die deze handelwijze accordeerde (de boete werd wel van 50 % naar 25 % verminderd) acht ik dan ook in materiële zin ongelukkig. Uit de uitspraak blijkt echter dat de boeteling zich niet had beroepen op een schending van de mededelingsplicht (zie r.o. 19).
De Redactie Vakstudie-Nieuws vond het blijkens de Aantekening bij Rb Gelderland 24 december 2015, V-N 2016/17.6, opvallend dat de inspecteur niet subsidiair grove schuld had gesteld, gelet op de ruime mogelijkheden die de herkansingsfunctie van het hoger beroep daartoe zou bieden. Dat is in mijn ogen dus iets te kort door de bocht, aangezien de initieel medegedeelde feitelijkheden daarvoor dan wel voldoende aanknopingspunten moeten bieden.
Zie ook (na verwijzing) Hof Amsterdam 22 januari 2016, V-N 2016/9.6, waarin de inspecteur in hoger beroep (vóór verwijzing) subsidiair grove schuld had gesteld. Het verwijzingshof ging zonder nadere toelichting over tot de inhoudelijke behandeling van dat standpunt (zie r.o. 5.8. e.v.). Naar mijn mening is dat niet terecht: de inspecteur had namelijk pas in hoger beroep niet alleen de juridische kwalificatie gewijzigd, maar ook de feitelijke gronden voor de boete uitgebreid (met een feit van algemene bekendheid). Dit betrof een nieuw feit dat aansluit bij de kenmerken van het andersoortige culpa-verwijt (had moeten weten of had kunnen weten). Vgl. ook HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.16, r.o. 3.7.4-3.7.5, waarin de Hoge Raad voor het geding na verwijzing alvast concludeert dat de gegeven feitelijke onderbouwing niet kan leiden tot het bewijs van opzet, maar (wellicht) alleen nog tot het bewijs van grove schuld. In deze overwegingen ligt besloten dat de inspecteur voor het verwijzingshof geen nieuwe feitelijkheden mag aanvoeren ter onderbouwing van het opzet-verwijt.
Zie paragraaf 12.2.4.2.
Zie paragraaf 12.2.6.2.
Zie voor een gaaf voorbeeld Rb Zeeland-West-Brabant 1 maart 2017, V-N 2017/28.21.7, r.o. 2.26.
De mededeling ten aanzien van een art. 10a-boete kan om deze reden niet dienen als mededeling voor een art. 67f-boete. Inhoudelijk betreft het verwijt een volstrekt andere gedraging, welke gedraging bovendien op een heel ander moment wordt begaan (niet of verkeerd suppleren versus niet of verkeerd betalen op aangifte). Zie voor een voorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 16 maart 2022, V-N 2022/33.15, r.o. 4.5 en 4.9.
Onder het toenmalige boetestelsel ging het om een zogeheten ordeboete, zie paragraaf 3.4.1-3.4.2.
HR 9 maart 1994, BNB 1994/165, FED 1994/499. De achtergrond van deze wijziging was dat de inhoudingsplichtige vlak vóór het opleggen van de naheffingsaanslag en de boete, zo bleek achteraf, toch nog had betaald. Een boete wegens niet-betalen miste dus elke feitelijke grondslag.
Zie HR 9 maart 1994, BNB 1994/165, FED 1994/499, r.o. 5.3, 5.4 en 5.5. De Hoge Raad overwoog onder meer dat de inspecteur vanwege het te laat betalen ook een afzonderlijke (tweede) boete had kunnen opleggen en dat de verjaringstermijnen voor beide boetes gelijk waren.
Zie ook de kritische aantekening van Groen bij HR 9 maart 1994, FED 1994/499 (punt 3).
Naar analogie met de leer van de conversie van aanslagen, zie bijvoorbeeld de conversie van een buiten de reguliere aanslagtermijn opgelegde definitieve aanslag in een navorderingsaanslag (HR 21 december 1994, BNB 1995/61), of het geval waarin een ‘tweede’ definitieve aanslag wordt geconverteerd in een navorderingsaanslag (Hof Amsterdam 12 december 1990, BNB 1992/320). Zie omtrent deze materie nader Feteris 2007, par. IV.5.
HR 9 maart 1994, BNB 1994/165, FED 1994/499, r.o. 5.9.
Vgl. de gestelde voorwaarden in HR 9 maart 1994, BNB 1994/165, FED 1994/499, r.o. 5.3, 5.4. en 5.5. Ook onder het huidige recht zou de inspecteur een nieuwe (afzonderlijke) boete kunnen opleggen en de verjaringstermijnen zijn gelijk (art. 67c lid 2 juncto art. 20 lid 3 AWR respectievelijk art. 67c lid 3 AWR). Wel zou het opleggen van een nieuwe boete in strijd kunnen komen met het ne bis in idem-beginsel. Zie daarover nader paragraaf 9.4.6.
Dit vanwege het causale verband met het kale beboetbare feit, zie paragraaf 9.3.3.3.1.
Vgl. HR 14 oktober 2016, V-N 2016/53.7, waarin het Hof de facto een boete ex art. 67d AWR bewezen had verklaard, terwijl er onmiskenbaar een boete ex art. 67e AWR was opgelegd. Uit de overwegingen van de Hoge Raad komt naar voren dat conversie op deze manier (door als feitenrechter een andersoortig beboetbaar feit bewezen te achten dan was opgelegd en dus medegedeeld), niet door de beugel kan (r.o. 3.3.2). Voorts overwoog de Hoge Raad in de conversie-zaak uitdrukkelijk dat het ging om een ordeboete (verzuimboete), zie HR 9 maart 1994, BNB 1994/165, FED 1994/499, r.o. 5.5.
Zie paragraaf 12.2.3.3.
HR 21 april 2017, V-N 2017/22.9, BNB 2017/162, r.o. 4.3. In de lagere rechtspraak en in de literatuur was reeds steun te vinden voor deze opvatting, zie bijvoorbeeld de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws bij Hof Arnhem-Leeuwarden 28 juni 2016, V-N 2016/46.7.
De samenstelling van de grondslag wijzigt in de hier bedoelde gevallen niet feitelijk, maar de onderbouwing van de heffing krijgt wel een andere juridische invulling. Zie over interne compensatie nader paragraaf 12.2.3.3.
In een andere Credit Suisse-zaak is op dit punt het oordeel in eerste aanleg van Rb Noord-Holland 6 november 2013, V-N 2014/26.11, r.o. 4.28-4.32, interessant. De wijziging van de juridische kwalificatie (van schijnhandeling naar fraus legis) kon volgens de rechtbank door de beugel, omdat de boeten van meet af aan waren gebaseerd op het (opzettelijk) ten onrechte in aftrek brengen van rentelasten. De aard en de reden van het aan de boete ten grondslag liggende verwijt was volgens de rechtbank daarom ongewijzigd gebleven, zodat de boeteling wist waartegen hij zich had te verdedigen. Het Hof en de Hoge Raad kwamen niet aan een beoordeling van de boete toe (zie HR 21 april 2017, V-N 2017/22.11 en V-N 2017/22.12). Naar mijn mening is het oordeel van de rechtbank onjuist, omdat de Hoge Raad in HR 21 april 2017, V-N 2017/22.9, BNB 2017/162, r.o. 4.3, inzoomde op het verwijt dat in de rechtsgrond voor de correctie besloten ligt (en niet op de correctie als zodanig). Wel merk ik op dat de Hoge Raad daarbij specifiek wees op het bepaalde in art. 10a lid 3 Wet Vpb.
Rb Zeeland-West-Brabant 5 december 2018, V-N 2019/27.2.8, r.o. 2.18-2.19 (het hoger beroep werd later ingetrokken, zie Hof ’s-Hertogenbosch 16 januari 2020, V-N 2020/22.19.36).
Hof ’s-Hertogenbosch 28 mei 2020, V-N 2020/40.8, r.o. 4.4-4.6.
Zie paragraaf 12.2.6.1.
Dit punt komt fraai naar voren in Rb Noord-Holland 10 juni 2021, V-N 2021/33.14 (medeplegen van of feitelijk leidinggeven aan art. 67e AWR door een belastingadviseur, boete vernietigd), zie r.o. 69-73. De rechtbank liet uiteindelijk in het midden of de wijziging is toegestaan, beoordeelde de gewijzigde kwalificatie en oordeelde dat de inspecteur daarvoor te weinig had aangedragen (r.o. 73). Zie voor de – gelijkluidende – afloop Hof Amsterdam 14 juni 2022, V-N 2022/42.21.
Zie daarvoor paragraaf 6.5.2.2 en paragraaf 6.5.2.3.
Naar mijn mening is het niet toegestaan om de reden van de beschuldiging na het opleggen van de boete in wezenlijke opzichten1 te wijzigen, ongeacht de vraag of daardoor het recht op een behoorlijke verdediging de facto is geschaad. Dat recht wordt in mijn optiek namelijk per definitie geschaad door een latere wijziging, omdat het om de feitelijke grondslag gaat en dus de verweten gedraging als zodanig betreft.2 Het EHRM overwoog in dit verband: ‘(…) that in criminal matters the provision of full, detailed information concerning the charges against a defendant, and consequently the legal characterisation that the court might adopt in the matter, is an essential prerequisite for ensuring that the proceedings are fair.’3
Wijziging van de feitelijke grondslag van de schuldgradatie
Voor wat betreft de schuldgradatie is het in dit kader van groot belang om goed zicht te houden op het karakter van de wijziging. Hoewel het aanpassen van louter de juridische kwalificatie (de aard) mogelijk is,4 moeten er voor die gewijzigde kwalificatie dan wel voldoende aanknopingspunten bestaan in de uiterlijk ten tijde van de boeteoplegging medegedeelde feitelijke grondslag (de reden). Die reden mag niet wezenlijk worden aangepast om daardoor de gewijzigde schuldgradatie te kunnen onderbouwen. Alleen het juridische etiket ‘opzet’ of ‘grove schuld’ kan worden gewijzigd, maar niet de feitelijke gronden waarop die schuldgradatie steunt. Daarom acht ik het niet mogelijk dat de inspecteur bijvoorbeeld in het verweerschrift het opzetverwijt vervangt door een pas op dat moment afzonderlijk onderbouwd verwijt van grove schuld.5 Hetzelfde geldt voor de situatie dat de inspecteur in hoger beroep het standpunt inneemt dat subsidiair sprake is van grove schuld en dat subsidiaire standpunt pas in die fase afzonderlijk feitelijk onderbouwt.6 Uiteraard had de inspecteur in dergelijke gevallen wel van aanvang af subsidiair grove schuld kunnen stellen, mits hij daarbij ook reeds ten tijde van de oplegging de voor dat type verwijt benodigde feitelijke onderbouwing had aangedragen.7 Als aan dat laatste zou zijn voldaan, zou zelfs het expliciet benoemen van de gradatie grove schuld als zodanig niet nodig zijn geweest.8
Wijziging van de feitelijke grondslag van het kale beboetbare feit
Het voorgaande geldt naar mijn mening evenzeer voor een wijziging van de juridische kwalificatie van het kale beboetbare feit:9 de feitelijke grondslag daarvan kan niet achteraf nog worden vervangen.10 Ook voor de gewijzigde kwalificatie van het kale beboetbare feit (van bijvoorbeeld een onjuiste naar een onvolledige aangifte) moeten er dus reeds voldoende aanknopingspunten bestaan in de uiterlijk ten tijde van de boeteoplegging medegedeelde feitelijke grondslag.11 De reden mag niet wezenlijk worden aangepast om daardoor de gewijzigde kwalificatie van het kale beboetbare feit te kunnen onderbouwen.
In een arrest uit 1994 is de Hoge Raad naar mijn mening op dit punt te ver gegaan, door toe te staan dat de inspecteur in de bezwaarfase de reden voor het opleggen van een (verzuim)boete12 wijzigde van niet betalen in te laat betalen.13 Zowel de juridische als de feitelijke basis voor de boete (zowel de aard als de reden) werd aangepast. Mede gelet op de opvallende onderbouwing14 meen ik dat de Hoge Raad de inspecteur ten onrechte15 te hulp is geschoten door de in bezwaar verminderde boete te converteren in een afzonderlijke (nieuwe) boete wegens te laat betalen.16 Het moment van opleggen van deze ‘nieuwe’ boete was dus de beslissing op bezwaar, zodat de motivering die in die beslissing op bezwaar stond, volgens de Hoge Raad als tijdige mededeling kon worden aangemerkt.17 Ook onder het huidige boeterecht is een dergelijke conversie denkbaar. Een aanvankelijk op grond van art. 67c AWR opgelegde verzuimboete wegens niet-betalen zou in de loop van de bezwaarfase dan nog kunnen worden aangemerkt als een boete wegens te laat betalen.18 Hetzelfde geldt voor de verzuimboetes vanwege het niet respectievelijk te laat doen van aangifte ex art. 67a AWR en art. 67b AWR. Buiten de sfeer van de verzuimboetes is conversie naar mijn mening veel moeilijker voorstelbaar. Als het object van de opzet of grove schuld wijzigt, zal de feitelijke onderbouwing daarvan moeten meeveranderen.19 Willens en wetens te laat betalen is immers iets anders dan willens en wetens helemaal niet betalen. Hoewel de Hoge Raad zich hier nog niet expliciet over heeft uitgesproken, lijkt hij bij vergrijpboetes inderdaad minder toeschietelijk wat betreft het toestaan van conversie.20 Dit alles laat onverlet, dat conversie door de rechter op grond van mijn aan het begin van deze paragraaf verdedigde opvatting in het geheel niet is toegestaan. Naar mijn mening wordt namelijk, net als bij interne compensatie,21 de feitelijke grondslag van de boete achteraf wezenlijk aangepast.
In het hiervoor besproken arrest uit 1994 werd niet alleen de reden, maar ook de aard van de beschuldiging achteraf aangepast, waarop de Hoge Raad oordeelde dat de aangepaste beschuldiging werd geconverteerd in een afzonderlijke, nieuwe boete. In één van de zogeheten Credit Suisse-zaken is de situatie aan de orde geweest waarin alleen de reden werd gewijzigd. In de betreffende casus had de inspecteur zich pas in hoger beroep op een gewijzigde rechtsgrond voor de grondslag van de boete beroepen (de feitelijke basis werd – kort gezegd – art. 10a van de Wet Vpb in plaats van fraus legis). Het gewijzigde verwijt berustte volgens de Hoge Raad op een feitencomplex dat ten onrechte niet uiterlijk ten tijde van de boeteoplegging aan de boeteling was medegedeeld.22 De Hoge Raad oordeelde nu dus wél in lijn met mijn opvatting.
In het verlengde hiervan is ook de situatie denkbaar dat de inspecteur na het opleggen van de boete voor wat betreft de heffing tot een ander inzicht komt omtrent de fiscaal-juridische kwalificatie van de feiten, waarna die herkwalificatie doorwerkt naar de boetegrondslag. Voor al deze gevallen geldt naar mijn mening hetzelfde als voor de doorwerking van interne compensatie.23 In het kader van de mededelingsplicht kan herkwalificatie voor wat betreft de (doorwerking in de) boetegrondslag alleen worden toegestaan als de aan de aanvankelijke onderbouwing ten grondslag gelegde en medegedeelde feitelijkheden daarvoor voldoende aanknopingspunten bevatten.24 Als de kwalificatie van de feiten ter zake waarvan de boete is opgelegd, achteraf wijzigt, kan de boete echter niet in stand blijven. Dit was aan de orde in een geval waarin de inspecteur in eerste instantie uit was gegaan van ondernemerschap voor de inkomstenbelasting en voor de omzetbelasting. De inspecteur had de boetes ook mede op die grond onderbouwd (‘het is iedere ondernemer bekend dat niet gemaakte (fictieve) kosten geen (voor)aftrek opleveren’). In beroep nam de inspecteur echter het standpunt in dat er geen sprake was ondernemerschap, welk standpunt door de rechtbank werd gevolgd. Daardoor was de feitelijke grondslag van de boetes in strijd met de mededelingsplicht gewijzigd, zodat de boetes moesten worden vernietigd.25
Dit probleem speelde ook in een geval waarin de inspecteur de boeteling aanvankelijk (blijkens de kennisgeving van de boete) verweet dat hij inkomsten uit hennepkweek had verzwegen. De boeteling werd strafrechtelijk vervolgd en vrijgesproken van hennepbezit en van witwassen. De strafrechtelijke ontnemingsvordering werd afgewezen. Aldus bood de uitkomst van de strafprocedure geen aanknopingspunten voor de vermeende inkomsten uit hennepkweek. In hoger beroep verdedigde de inspecteur vervolgens dat er sprake moest zijn geweest van inkomsten uit een andere, niet aangegeven (illegale) bron van inkomen. Hof ’s-Hertogenbosch hield de inspecteur voor dat hij de boeteling bij de kennisgeving een ander verwijt had gemaakt, waarop de inspecteur eieren voor zijn geld koos en – naar mijn mening terecht – het standpunt innam dat de boetes niet in stand konden blijven.26
Wijziging van de feitelijke grondslag van de kwaliteit (daderschap en deelneming)
Voor wat betreft een wijziging van de hoedanigheid van de boeteling geldt op dit punt naar mijn mening hetzelfde als voor een wijziging van de schuldgradatie. Hoewel het aanpassen van louter de juridische kwalificatie van de kwaliteit (de aard) mogelijk is,27 moeten er voor die gewijzigde kwalificatie dan wel voldoende aanknopingspunten bestaan in de uiterlijk ten tijde van de boeteoplegging medegedeelde feitelijke grondslag (de reden). Die reden mag niet wezenlijk worden aangepast om daardoor de gewijzigde hoedanigheid van de boeteling te kunnen onderbouwen. Alleen het juridische etiket van de deelnemings- of daderschapsvorm kan worden gewijzigd, maar niet de feitelijke gronden waarop de (nieuwe) juridische kwalificatie rust. Dat zal in de praktijk dikwijls problematisch zijn. Gaat het bijvoorbeeld om een boete die wegens medeplegen is opgelegd, ligt het niet voor de hand dat de aanvankelijk medegedeelde feitelijke grondslag ook de kwalificatie feitelijk leidinggeven kan dragen.28 De feitelijkheden die medeplegen opleveren zijn immers van een volstrekt andere aard dan de feitelijkheden die nodig zijn om te bewijzen dat iemand feitelijk leidinggever is geweest.29