Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.4.1
4.4.1 Aflossingsfunctie
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264441:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Veldenaer/Van Boxhorn 1650, p. 218-221.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 5.191.
Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.23; Vinnius, Quaestiones Selectae, nr. 2.7. Beide auteurs verwijzen naar C. 4,24,3 (Alexander Severus). Zie in gelijke zin Van der Keessel, Theses selectae, nr. 3.8.6.
Thomas 2007, p. 62.
Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9. Eigen vertaling. Caeterum, si usuraria sit pecunia, non videtur antichresis contrahi, ne tacite quidem: et ideo debet creditor, tradito agro, fructus percipere, et perceptos primum usuris, deinde sorti, imputare.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 5.191; Van der Linden 1806, nr. 1.15.7. In de Zuid-Afrikaanse zaak Witwatersrand Local Division 10 oktober 1921, Judes v SA Breweries Ltd, 1922 WLD 1, p. 8. leidde de rechter de verplichting tot rekening en verantwoording af uit de samenhang tussen C. 4,24,3 (Alexander Severus); Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 21-22 (ad C. 4,24,3); De Groot, Inleydinge, nr. 3.8.4; Voet, Ad Pandectas I, nr. 13.7.4. De passages van De Groot en Voet spreken echter niet van een verplichting tot rekening en verantwoording van de pandhouder, maar slechts van een verplichting om het onderpand samen met de vruchten terug te geven aan de pandgever.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 5.191. In gelijke zin: Van Lamzweerde 1781, nr. 5.
Voet, Ad Pandectas I, nr. 13.7.5; De Groot, Inleydinge, nr. 3.8.4.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 5.191.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 5.192.
Van Lamzweerde 1782, nr. 11.
Bij een recht van pandgebruik met aflossingsfunctie kwamen de vruchten van het onderpand in mindering op de gesecureerde vordering.
Een voorbeeld van een Rooms-Hollandse aflossingspandgebruik was de verpanding van Woerden. De Hertogen van Brunswijk en Lünenburg hadden een pandrecht op de stad Woerden tot zekerheid van een vordering van 35.826 ponden op de Graven van Holland. Over deze vordering liep een rentepercentage ter hoogte van de penning zestien. Dit stond gelijk aan 6,25%, oftewel 2.239 pond per jaar.1 De gebruiksopbrengst gold als aflossing op de gesecureerde vordering. Als de gebruiksopbrengst hoger uitviel dan het verschuldigde rentebedrag van 2.239 pond per jaar, moest de pandgever het meerdere in mindering brengen op de gesecureerde vordering. Was de gebruiksopbrengst lager dan 2.239 pond per jaar, dan moesten de Staten het verschil aan de Hertog betalen.2
Gebruiksplicht en exploitatierisico
Als het recht van pandgebruik een aflossingsfunctie had, was de pandgebruiker verplicht om het onderpand te gebruiken opdat de gebruiksopbrengst in mindering kwam op de gesecureerde vordering.3 Noodt merkte op dat deze gebruiksplicht enkel gold voor een recht van pandgebruik met aflossingsfunctie:4
“Als daarentegen de geldlening rentedragend is, wordt geen recht van pandgebruik [met rentefunctie] geacht te zijn overeengekomen, zelfs niet stilzwijgend. En daarom moet de schuldeiser, als aan hem een stuk grond [in vuistpand] is overgegeven, de vruchten trekken en hun waarde in mindering brengen op primair de rente, en daarna op de hoofdsom.”5
De aflossingspandgebruiker had een verplichting om rekening en verantwoording af te leggen aan de pandgever.6 Hij diende uit een rekening te laten blijken hoeveel het gebruik van het onderpand jaarlijks had opgebracht. Als het bedrag dat uit de rekening bleek lager was dan het bedrag dat de pandhouder redelijkerwijs had kunnen verkrijgen, kwam ook hetgeen de pandgebruiker redelijkerwijs meer had kunnen verkrijgen in mindering op de gesecureerde vordering. Als de pandhouder nalatig was in de exploitatie van het onderpand, kwam de tegenvallende gebruiksopbrengst dus voor zijn risico.7 De pandgebruiker was aansprakelijk voor opzet, grove schuld en gewone schuld.8 Was sprake van overmacht of lichte schuld aan de zijde van de pandgebruiker, dan kwam slechts de gebruiksopbrengst die de pandgebruiker werkelijk had gerealiseerd in mindering op de gesecureerde vordering. Bij overmacht van de pandgebruiker kwam de tegenvallende gebruiksopbrengst dus voor risico van de pandgever. De pandgever was dit bedrag verschuldigd.9
Een voorbeeld van een situatie waarin de pandgebruiker buiten zijn schuld een lager bedrag had gegenereerd met het gebruik van het onderpand dan normaal, deed zich voor bij de verpanding van Woerden. Hoewel het bedrag dat de pandgebruiker jaarlijks kon genereren was geschat op 2.239 pond per jaar, was de pandhouder voor een langere periode niet in staat geweest om Woerden te exploiteren. In deze periode genereerde de pandgebruiker geen gebruiksopbrengst uit het onderpand. De reden hiervoor was dat de Tachtigjarige Oorlog was uitgebroken. De Staten van Holland, rechtsopvolger van de Graven van Holland, hadden voor een periode van acht jaar zelf gebruik moeten maken van Woerden in de strijd tegen Filips II. Nadat de Staten Woerden weer in de feitelijke heerschappij van de pandhouder hadden gesteld, was het door de oorlog echter nog voor enkele jaren onmogelijk om geld te verdienen met de exploitatie van de stad. De vraag was of de pandhouder aanspraak kon maken op betaling van de rente die tijdens deze periode was verschenen. Het advies luidde positief. Voor de jaren waarin de pandgebruiker door de oorlog geen inkomsten uit het onderpand kon genereren, kwam niets in mindering op de verschuldigde rente en de gesecureerde vordering. Daarom moesten de Staten voor ieder jaar waarin de pandgebruiker het onderpand niet had kunnen exploiteren het volledige rentebedrag van 2.239 pond voldoen.10
Van Lamzweerde rapporteerde een advies waarin de pandgebruiker schuld had aan een te lage gebruiksopbrengst en hiervoor dus aansprakelijk was. Ene B had een recht van pandgebruik op een stuk grond van A. Hij verpachtte dit stuk grond aan een derde. B had de pachtovereenkomst echter gesloten tegen een te lage pachtsom. Voordat het perceel verpand was, wist A het jaar in jaar uit te verpachten tegen een veel hogere pachtsom dan B. Deze suboptimale pachtopbrengst kwam voor rekening van B. Hij had de verpachting niet publiekelijk aangeboden. Daardoor had hij geen onderzoek gedaan naar welke partij bereid was de hoogste pachtsom te betalen en de pacht dus niet aan de meest betalende partij gegund. B was aansprakelijk voor het verschil tussen de pachtopbrengst die hij had gegenereerd en de pachtopbrengst die A in het verleden gewoonlijk wist te genereren.11