Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/4.3.6
4.3.6 Bevoegdheid van de rechterlijke macht
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS494930:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Eindrapport van de Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie, deel II: mei 1985, p. 6. Zie ook Van der Pot 2006, p. 602.
A.F.M. Brenninkmeijer, ‘Rechtspraak bij de tijd’, NJB 1998, p. 389-395.
F.J.F.M. Duynstee, ‘Rechterlijke onafhankelijkheid’, in: G.C.J.J. van den Bergh e.a. (red.), Rechtspleging, Deventer: Kluwer 1974, p. 35-56, op p. 39.
Vgl. T. Zwart, ‘Parlementaire uitingsvrijheid en rechterlijk incasseringsvermogen’, Trema 2006, p. 108: In landen zoals de Verenigde Staten en Australië kan de wetgever de berechting van bepaalde type geschillen aan de rechter onttrekken als deze niet gelukkig is met de manier waarop de rechter daarmee omgaat. De Nederlandse rechter hoeft voor dergelijke koerscorrecties niet te vrezen, omdat de Grondwet deze uitsluit. Artikel 112 en 113 dragen in algemene zin rechtsmacht aan de rechterlijke macht op en daar kan de wetgever niets op afdingen.
Duynstee 1974, p. 36.
Van der Pot 2006, p. 602. Zie ook Brenninkmeijer 1998, p. 389-395; Smits 2008, p. 276, voetnoot 87; A.M. Donner, ‘De machten en de rechterlijke macht’, RM Themis 1989, p. 434.
Van der Pot 2006, p. 810. Het betreft uitleg van art. 2 RO (oud) en artikel 167 Gw (oud) op basis van het arrest Guldemond-Noordwijkerhout (HR 31 december 1915, NJ 1916, 407). Dit is niet altijd het geval geweest. In de periode van 1822 tot 1844 bepaalde het hoogste bestuurlijke gezag een competentieconflict tussen de administratieve en de rechterlijke macht op basis van het Conflictenbesluit (KB 5 oktober 1822, Stb. 44 ingetrokken bij KB 20 mei 1844, Stb. 25). Bij de daarop volgende grondwetsherziening van 1848 werd bepaald dat dergelijke competentieconflicten bij wet moesten worden geregeld (art. 150 lid 2 Gw 1848). Deze wet is evenwel nooit tot stand gekomen. In de praktijk heeft het bestuur zich bij de opvatting van de rechter omtrent zijn bevoegdheid neergelegd. Zie ook Oud 1970, p. 640; Buijs 1884-1887, deel II, p. 376.
Donner 1989, p. 434.
Kamerstukken II (Handelingen Grondwet) 1847-1848, p. 408.
Oud 1970, deel II, p. 638-639.
Thorbecke 1839, p. 241-242 en 1906 (nieuwe 2e uitgave), tweede deel, p. 160-161. Zie ook § 4.3.3.
Buijs 1884-1887, deel II, zie p. 324-326 in het bijzonder en het commentaar bij artikel 148 Gw (p. 291-368) en bij artikel 149 Gw (p. 369-372) in het algemeen.
Kranenburg 1958, p. 303-316.
Kranenburg 1958, p. 312.
Kranenburg 1958, p. 313.
Artikel 154 GW 1887: ‘De wet kan de beslissing van twistgedingen, niet behoorende tot die, vermeld in art. 153, hetzij aan den gewonen regter, hetzij aan een collegie met administratieve regtspraak belast, opdragen; zij regelt de wijze van behandelingen en de gevolgen der beslissingen.’ (curs. PvdE)
De Grondwet bepaalt in welke gevallen de rechterlijke macht exclusief bevoegd is (art. 112 en 113 Gw). De tekst, noch de grondwetsgeschiedenis duiden er op dat deze bevoegdheidsbepalingen van betekenis zijn voor de rechterlijke onafhankelijkheid. Tijdens de parlementaire behandeling zijn deze bepalingen nooit daarmee in verband gebracht. Niettemin leggen sommige auteurs wel een verband tussen de bevoegdheid van de rechter en zijn onafhankelijkheid. De staatscommissie herziening rechterlijke organisatie wees er op dat het voor de onafhankelijkheid van fundamenteel belang is dat de rechtsmacht van de rechter in de Grondwet is verankerd.1 Volgens Brenninkmeijer is een wettelijk opgedragen competentie één van de belangrijke randvoorwaarden voor de onafhankelijkheid van de rechter.2 De gedachte daarachter is dat de bevoegdheden van de rechter niet kunnen worden uitgehold door ingrijpen van respectievelijk de gewone wetgever, of de uitvoerende macht. Naar mijn mening spelen hier twee zaken door elkaar. Ten eerste de vraag welke bevoegdheid de (grond)wetgever aan de rechter toekent en welke waarborg(en) die attributie inhouden. Ten tweede de vraag of de rechterlijke onafhankelijkheid betekent dat een rechter zelf moet mogen beoordelen of hij (grond)wettelijk gezien bevoegd is.
Die eerste vraag heeft volgens mij niets met rechterlijke onafhankelijkheid van doen. Zoals Duynstee het verwoordde:
‘Het is m.i. niet duidelijk, dat grondwettelijke attributie van rechtsprekende macht aan rechters op zich zelf reeds de onafhankelijkheid van deze rechters ten opzichte van wetgever en administratie verzekert.’3
Met andere woorden, het enkel toekennen van een (exclusieve) bevoegdheid aan de rechter geeft hem nog geen functionele of rechtspositionele onafhankelijkheid. Attributie van rechtsmacht aan rechterlijke organen door de grondwetgever verzekert dat de rechter voor zijn bevoegdheid niet afhankelijk is van nader optreden van de gewone wetgever (vgl. art. 112 lid 2 Gw).4 Dat is misschien wel een rechtsstatelijke waarborg, maar geen waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid. Volgens Duynstee houdt die attributie in dat
‘noch de wetgever, noch de uitvoerende of administratieve macht de tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken staatsrechtelijk zou kunnen weigeren of verhinderen (afgezien van enkele in het volkenrecht erkende uitzonderingen)’.5
Verwarring ontstaat wellicht vanwege het gegeven dat een rechter per definitie afhankelijk is van de (grond)wetgever voor het verkrijgen van (onafhankelijke) rechtsmacht. Maar ook een grondwetgever kan die rechtsmacht weer intrekken door middel van een grondwetswijziging. De rechter zou zonder de wet zijn gezag kwijt zijn. Van belang is dat er geen sprake kan zijn van justitiële willekeur. Attributie van rechterlijke bevoegdheid is dus voorbehouden aan de (grond)wetgever. Wel is deze gehouden om voor geschillen die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 6 EVRM een rechterlijke instantie bevoegd te maken. Dat vloeit voort uit de jurisprudentie van het EHRM over het recht op toegang tot de rechter. De wetgever mag dus niet zo ver gaan dat hij geen enkele rechtspraak openstelt. Ook blijkt uit de jurisprudentie van het EHRM dat het intrekken van de (wettelijke) beslissingsbevoegdheid van een rechter door de uitvoerende macht ten tijde van een rechtsgeding in strijd is met de rechterlijke onafhankelijkheid (zie § 3.4.3).
De tweede vraag – of de rechterlijke onafhankelijkheid betekent dat een rechter zelf beslist of hij (grond)wettelijk gezien bevoegd is – kan positief beantwoord worden. Beginsel I, tweede lid, onder a, iii van aanbeveling R (94) 12 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa bepaalt dat ‘no organ other than the courts themselves should decide on its own competence, as defined by law’. Deze visie wordt onderschreven in Van der Pot: ‘Een belangrijk aspect van de rechterlijke onafhankelijkheid is natuurlijk ook dat de bevoegdheid van de rechterlijke macht in de Grondwet is geregeld en dat het de rechter zelf is die over zijn bevoegdheid beslist.’6 Of een rechter bevoegd is van een geschil kennis te nemen, is volgens Van der Pot een vraag die de betrokken rechter in twijfelgevallen zelf beoordeelt, vooral de burgerlijke rechter die als restrechter meer dan enige andere rechter voor deze bevoegdheidsvraag komt te staan.7 Donner wijst er mijns inziens terecht op dat daaruit niet mag worden geconcludeerd dat de verdeling van bevoegdheden niet evenzeer een zaak van de wetgever is8, zoals hierboven reeds is betoogd. Dit vormt ook het uitgangspunt in de aanbeveling van de Raad van Europa (‘competence as defined by law’).
De tweede vraag doet zich met name voor bij competentiegeschillen tussen de rechterlijke macht en de uitvoerende macht. Van 1848 tot 1983 bepaalde de Grondwet dat de wet de wijze regelt waarop dergelijke competentiegeschillen werden beslist (laatstelijk art. 170 lid 2 Gw 1972). Oud vermeldt dat Tweede Kamerlid Nedermeijer van Rosenthal de noodzaak van die bepaling heeft betwist met een beroep op de rechterlijke onafhankelijkheid:9
‘Hij beschouwde de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht als de grootste waarborg voor de rechten van allen en meende dat men, als het hoogste rechterlijk college had verklaard dat een zaak tot de competentie van de rechter behoorde, volkomen gerust kon zijn. Het is een standpunt, dat naar mijn mening inderdaad de consequentie is van een tegenover de administratieve macht volstrekt onafhankelijke rechterlijke macht. Dit mag echter de ogen niet doen sluiten voor bezwaren, die deze volstrekte onafhankelijkheid van de rechter met zich kan brengen. Zij liggen echter minder op het terrein van de beslissing over ’s rechters bevoegdheid dan in de mogelijkheid dat zijn beslissingen (…) belangen, voor welker behartiging die overheid verantwoordelijk is, zullen kunnen schaden.’10
Over de bevoegdheid van de rechter in administratieve rechtsgeschillen is in het verleden veel gediscussieerd. Thorbecke’s visie op de machtenscheiding werkt in de relatie tussen uitvoerende macht en rechterlijke macht twee kanten op. Enerzijds bemoeit de uitvoerende macht zich niet met rechtszaken op het gebied van burgerlijk recht en strafrecht (onafhankelijke rechtspraak), anderzijds bemoeit de rechterlijke macht zich niet met de uitvoerende macht. Als uitvloeisel daarvan heeft de rechterlijke macht zijns inziens geen taak in administratieve geschillenbeslechting. Deze is voorbehouden aan de administratie zelf. Thorbecke koos voor een strikte scheiding tussen administratie en justitie en verwierp om die reden alle administratieve rechtspraak.11
Vanuit de rechtsstaatgedachte komt Buijs tot een tegenovergestelde conclusie ten aanzien van administratieve rechtspraak. Uit de aard van de rechterlijke functie leidt hij af dat er een onafhankelijke en onpartijdige rechter moet zijn die niet alleen in burgerlijke en strafzaken, maar juist ook in administratieve rechtszaken oordeelt. De vraag moet volgens hem niet zijn óf er een rechtbank bevoegd zal zijn in administratieve rechtsgeschillen, maar welke rechtbank bevoegd zal zijn. Wie de administratieve rechter zal zijn mag de wetgever bepalen, maar dat die (onafhankelijke) rechter er zal zijn moet grondwettelijk vastliggen.12
Kranenburg geeft een helder geschiedkundig overzicht van de uitleg en ontwikkeling van de grondwettelijke bevoegdheidsbepaling, waar het in feite gaat om de vraag aan wie de berechting van administratieve rechtsgeschillen toekomt.13 Het is volgens hem niet enkel een kwestie van een andere interpretatie van woorden, maar ook een verschil in opvatting van wenselijke theorie. Zo schrijft hij:
‘Verbond Thorbecke aan de opvatting van een principieel verschil tussen publiek- en privaatrecht het gevolg, dat de publiekrechtelijke geschillen nu ook aan de administratie ter berechting moesten worden opgedragen, begreep dus Thorbecke onder ‘uitvoering’ door de administratie ook de beslissing van geschillen bij en door die uitvoering rijzende, dit laatste gevolg werd en wordt door de meeste auteurs niet meer aan de onderscheiding verbonden. Men erkent meer en meer de wenselijkheid, dat de geschillen bij de uitvoering gerezen door onpartijdige organen worden beslist, organen, van de administratie onafhankelijk; maar die onafhankelijke organen moeten niet zijn, zo wordt betoogd, de gewone rechterlijke organen. (…) Men wil dus afzonderlijke rechtscolleges, men wil een bijzondere administratieve rechter.’14
Ten tijde van de grondwetsherziening van 1887 waren er volgens Kranenburg drie tendensen te onderscheiden. De regering, onder leiding van Heemskerk, wilde zo min mogelijk regeringsgezag prijsgeven, ook ten aanzien van de beslissing in administratiefrechtelijke geschillen. De Staatscommissie, onder leiding van Buijs, wilde een strenge scheiding tussen burgerrechtelijke geschillen en administratiefrechtelijke geschillen, waarbij de laatste zouden worden berecht door een van de uitvoerende macht onafhankelijk orgaan, de administratieve rechter. De derde tendens was de wens van hen die wel uitgebreide rechterlijke controle wilden op de daden van het uitvoerend gezag, maar haar het liefst toevertrouwden aan de gewone rechterlijke macht, die men kende en aan wier onpartijdigheid en onafhankelijkheidszin tegenover het uitvoerend gezag men uit ondervinding wist niet te hoeven twijfelen.15 De grondwetsbepalingen van 1887 ter zake waren een compromis van deze opvattingen en lieten elke oplossing open, door de wetgever de bevoegdheid te geven om de berechting van administratiefrechtelijke geschillen op te dragen aan de gewone rechter, aan een administratieve rechter, dan wel dit ongeregeld te laten.16 En zo is het tot nu toe gebleven (art. 112 lid 2 Gw), zij het dat administratieve rechtspraak inmiddels een vaste plek in onze rechtsstaat heeft verworven.