Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/6.11.8.2.1:6.11.8.2.1 Rsli’s onderling
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/6.11.8.2.1
6.11.8.2.1 Rsli’s onderling
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633798:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De fundamentele beginselen scheiding van kerk en staat, de neutrale staat en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging bieden tussen rsli’s onderling geen rechtvaardigingsgrond voor het verschil in fiscale behandeling tussen rsli’s met de rechtsvorm kerkgenootschap en overige rsli’s.
Een mogelijke verklaring voor het onderscheid tussen kerkgenootschappen en rsli’s met andere rechtsvormen ligt volgens mij in het civiele recht: de inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen, zoals vastgelegd in artikel 2:2, lid 2 BW. Op grond hiervan geldt voor kerkgenootschappen in tegenstelling tot verenigingen en stichtingen niet de wettelijke verplichting om een balans en staat van baten en lasten te maken en op papier te stellen. Dit is omdat artikel 2:10, lid 2 BW, dat voorschrijft dat het bestuur van een rechtspersoon verplicht is jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de balans en de staat van baten en lasten van de rechtspersoon te maken en op papier te stellen, op grond van artikel 2:2, lid 2 BW in principe niet geldt voor kerkgenootschappen.
De civielrechtelijke inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen en daarmee de rechtsvormkeuze zijn hier dus bepalend. In feite komt dit echter neer op rechtsvormkeuze als rechtvaardigingsgrond voor het geconstateerde onderscheid. Hoewel rechtsvormkeuze enerzijds deel uitmaakt van mijn toetsingskader, is die anderzijds geen geschikt toetsingscriterium om in dit verband gelijk en ongelijk te bepalen. Dit laatste is omdat het voor de anbi-regeling niet zou mogen uitmaken welke rechtsvorm een rsli kiest uit de niet-commerciële anbi-rechtsvormen kerkgenootschap, vereniging of stichting, zij het dat civielrechtelijk wel verschillen bestaan tussen deze rechtsvormen. Daarbij komt dat de rechtsvorm kerkgenootschap alleen openstaat voor religieuze instellingen en niet voor levensbeschouwelijke instellingen terwijl het onduidelijk is of spirituele instelling gebruik kunnen maken van deze rechtsvorm. In de praktijk zijn het met name religieuze instellingen van traditionele religies van joodse en christelijke signatuur die hiervan gebruik maken. De facto maakt het voor de fiscale behandeling wel uit of een rsli kiest voor de rechtsvorm kerkgenootschap of voor de rechtsvormen vereniging of stichting.
Doordat de bijzondere rechtsvorm kerkgenootschap beperkt is tot religieuze instellingen en dus niet openstaat voor alle rsli’s, leidt dit op grond van de fundamentele beginselen van de neutrale staat en van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging tot een onaanvaardbaar verschil in zowel civiele als fiscale behandeling. Weliswaar hebben kerkgenootschappen door de geschiedenis heen een bijzondere plaats in de Nederlandse samenleving verworven (zie hoofdstuk 3 Nederlands historisch en maatschappelijk perspectief) maar ik vraag mij af of geloofsgemeenschappen met een andere rechtsvorm en andere gemeenschappen op geestelijke grondslag in de 21e eeuw nog zoveel verschillen van kerkgenootschappen wat betreft de rol die zij in de Nederlandse samenleving vervullen. Gezien de pluriformiteit van de huidige Nederlandse samenleving is dat in mijn optiek niet het geval. Ik verwijs daarvoor naar mijn bevindingen in hoofdstuk 3 Nederlands historisch en maatschappelijk perspectief.
Concluderend blijkt de enige reden voor het verschil in fiscale behandeling tussen rsli’s met de rechtsvorm kerkgenootschap en andere rsli’s wat betreft de publicatie van financiële gegevens te zijn dat de bijzondere rechtspositie van kerkgenootschappen historisch zo is gegroeid en is vastgelegd in de civielrechtelijke inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen. Dit is echter geen objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond omdat rsli’s met een andere rechtsvorm dan kerkgenootschappen in de 21e eeuw een soortgelijke rol in de samenleving (kunnen) vervullen als kerkgenootschappen. Als een sociologisch onderzoek dat zou uitwijzen, moet de belastingwetgeving daaraan worden aangepast. Bovendien zou het voor de anbi-regeling niet mogen uitmaken welke niet-commerciële rechtsvorm een rsli hanteert.