Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/1.5
1.5 Opbouw en afbakening van het onderzoek
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685363:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Wiarda 1971, p. 419 die schrijft dat de gevolgen van (het niet nakomen van) verwachtingen over toekomstig handelen zien op vragen ‘die in het maatschappelijk leven van alle dag telkens rijzen en, de wijze waarop het privaatrecht daarop een antwoord tracht te geven, heeft een lange traditie achter zich’. Vervolgens merkt hij op dat de toename van het contact tussen de burger en overheid, maakt dat soortgelijke vragen ten aanzien van door de overheid gewekte verwachtingen steeds meer zullen opkomen. ‘Het antwoord op die vragen zal dan niet zelden in het publiekrecht moeten worden gevonden.’
Zie daarover Van de Sande 2019a, par. 4.3-4.3.2.
Op grond van rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens rusten op lidstaten onder voorwaarden informatieplichten over een levensbedreigend risico of een ernstig gezondheidsrisico. Zie Van Dam 2020, p. 389-390; Van de Sande 2019a, par. 2.4-2.4.3 en Timmer & Van Triet 2017, par. 4.
Bijv. waarschuwingsplichten in het kader van gevaarzetting en het ambtshalve verstrekken van informatie.
Barendrecht e.a. 2002, p. 10 wijzen op drie soorten belangenschendingen als gevolg van onjuiste informatieverstrekking, schade doordat: (i) de burger bij zijn handelen afgaat op onjuiste of onvolledige informatie; (ii) de informatieverstrekking inbreuk maakt op een auteursrecht, recht op privacy of ander recht en (iii) de reputatie van een burger wordt geschonden. Mijn onderzoek ziet slechts op die eerste belangenschending.
Zie hierover bijv. de conclusie van A-G Wattel over het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:896, bijlage 2, onder 3.
L. Hillary is in 2022 gepromoveerd aan de Open Universiteit op een onderzoek naar het wederzijds vertrouwensbeginsel, in het licht van de algemene beginselen van Unierecht (waaronder het beginsel van loyale samenwerking), en het extern Europees asielrecht. Zie de dissertatie (Nijmegen) van Kraniotis, Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken uit 2016 over het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken.
Zie hierover bijv. conclusie A-G Wattel over het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:896, bijlage 2, onder 4.
HvJ EU 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:556, AB 2022/287, rov. 44: steeds mag de mogelijkheid bestaan ‘dat een justitiabele op grond van het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel, en louter op basis van het nationale recht, vergoeding krijgt van schade die het gevolg is van een onjuiste uitlegging van een duidelijke Unierechtelijke bepaling door een nationale instantie, mits deze schadevergoeding niet neerkomt op de toekenning van een met het Unierecht strijdig voordeel, niet de begroting van de Unie belast en niet kan leiden tot verstoring van de mededinging tussen de lidstaten’.
Zie bijv. CBb 21 december 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1089. Het vertrouwensbeginsel kan niet tegen een duidelijke Unierechtelijke bepaling worden aangevoerd en een met die bepaling strijdige gedraging van een met de toepassing van het Unierecht belaste nationale autoriteit kan geen in strijd met die bepaling gerechtvaardigd vertrouwen wekken. Dat geen contra-legemtoepassing mogelijk is, is ondubbelzinnig bevestigd in de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie op 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:556, AB 2022/287.
Zie ook de eind 2020 door het CBb gestelde (en inmiddels beantwoorde) prejudiciële vragen (CBb 22 december 2020, ECLI:NL:CBB:2020:1034, AB 2021/152). Uit die vragen blijkt eveneens dat het Unierecht strenger is ten aanzien van de toepassing van het vertrouwensbeginsel dan de nationale rechter. Vgl. Verslag VAR-preadviezen Vertrouwen in de overheid 2018, p. 8-10, waarin voorzitter Den Ouden wijst op de strenge lijn in het Unierecht voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel.
Soms overweegt de bestuursrechter (ten onrechte) echter dat feitelijke handelingen in het geheel niet bij hem ter discussie (kunnen) staan, zie bijv. ABRvS 11 januari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AU9383, AB 2006/100, rov. 2.4-2.5.
Vgl. Huisman & Van Ommeren 2014.
Zie bijv. het standaardarrest in dit verband HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219, NJ 2012/340 (’s-Hertogenbosch/Van Zoggel), rov. 3.5.1 waar de informatie weliswaar zag op de uitleg van planologische mogelijkheden, maar geen sprake was van daarmee samenhangende publiekrechtelijke besluitvorming die de civiele rechter in zijn oordeelsvorming moest betrekken.
HR 24 februari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4771, NJ 1984/669 (St. Oedenrode/Driessen) en HR 31 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0261, NJ 1993/112, AB 1992/290 (Van Gog/Nederweert). De onrechtmatigheid en de toerekenbaarheid is met de vernietiging van het besluit gegeven. Uiteraard moet voor aansprakelijkheid dan nog worden bewezen dat ook aan de overige vereisten van de onrechtmatige daad van art. 6:162 BW is voldaan.
Het onderzoek bestaat uit vijf delen. Deze delen sluiten aan bij de hierboven uiteengezette vijf onderzoeksvragen. Nu het bestuursrecht en het civiele recht op het gebied van vertrouwensbescherming slechts in beperkte mate gebruik maken van dezelfde terminologie en bovendien vertrekken vanuit verschillende juridische kaders en achtergronden, is het allereerst nodig de rechtsfiguren te signaleren die in de rechtsgebieden min of meer dezelfde functie hebben. In het eerste deel maak ik daarom een inkadering van het leerstuk van vertrouwensbescherming in het bestuursrecht en het civiele recht en zet ik de juridische kaders van vertrouwensbescherming uiteen.
Het leerstuk van bescherming van gerechtvaardigd vertrouwen bestaat in het civiele recht weliswaar langer dan in het bestuursrecht,1 maar omdat de vertrouwensbescherming in het bestuursrecht specifiek is ontwikkeld voor de verhouding burger-overheid en ik het civiele recht alleen bestudeer voor zover de overheid daarin fungeert, start ik mijn analyse met de behandeling van het bestuursrecht.
Bij de beoordeling van een schending van gerechtvaardigd vertrouwen geldt een gefragmenteerde rechtsmachtverdeling. Dit maakt dat pas nadat de te vergelijken rechtsfiguren en daarbij behorende toetsingskaders en rechtsmachtverdeling uiteen zijn gezet, kan worden toegekomen aan de invulling van de materiële voorwaarden voor het vaststellen van een vertrouwensschending en de rechtsgevolgen die de bestuursrechter en de civiele rechter daaraan verbinden. Een nadere duiding van de overheidsuitlatingen en een uiteenzetting van de rechtsmachtverdeling tussen de bestuursrechter en de civiele rechter volgt dan ook in het tweede deel.
De analyse van het vaststellen (van de gevolgen) van een schending van gerechtvaardigd vertrouwen volgt in het derde deel voor het bestuursrecht en in het vierde deel voor het civiele recht. In het vijfde deel opper ik een synthese voor de beoordeling door de bestuursrechter en de civiele rechter van een schending van gerechtvaardigd vertrouwen met een verbetering op het gebied van rechtseenheid, rechtsconsistentie en rechtsbescherming.
Wat betreft aanpassingen in de toetsingskaders ligt mijn focus op het aandragen van oplossingen bij de inhoudelijke beoordeling van een besluit of overheidsuitlating. Procedurele onderzoeksbepalingen van de rechters vallen daar niet onder.
Ik analyseer de (on)rechtmatigheid van de drie centraal gestelde overheidsuitlatingen als zodanig. Dit betekent dat ik inlichtingen en toezeggingen in het kader van (afgebroken) onderhandelingen over het sluiten van overeenkomsten of het voldoen aan wettelijke2 of verdragsrechtelijke3 verplichtingen niet onderzoek. Evenmin onderzoek ik gevallen waarin (al dan niet ten onrechte) in het geheel geen informatie is verstrekt, nu daarmee geen vertrouwen wordt gewekt door de inlichting zelf.4 In dit onderzoek gaat het ten aanzien van de civiele rechtspraak tot slot slechts om de vermogensrechtelijke gevolgen van onjuiste of onvolledige informatie.5
In dit onderzoek vindt geen externe rechtsvergelijking plaats. Het doel van dit onderzoek is het inzichtelijk maken onder welke voorwaarden in het Nederlandse bestuursrecht en civiele recht een schending door de overheid van gerechtvaardigd vertrouwen tot rechtsgevolgen leidt. Een analyse van het Nederlandse rechtssysteem – waarbinnen ik een interne rechtsvergelijking maak – is daarvoor, mede gelet op de aard, opzet en reikwijdte van dit onderzoek, voldoende.
Een beroep op het vertrouwensbeginsel komt niet alleen voor in het bestuursrecht, maar heeft ook een plek in het strafrecht.6 Aan een verdachte kunnen uitlatingen worden gedaan die gerechtvaardigde verwachtingen wekken ter zake van bijvoorbeeld niet-vervolgen en niet-strafbaarheid. Mijn onderzoek ziet op een vergelijking van het bestuursrecht en het civiele recht omdat in die rechtsgebieden deels over dezelfde materie een oordeel moet worden gevormd. Het strafrecht past niet binnen deze vergelijking, zodat dit rechtsgebied in dit onderzoek buiten beschouwing blijft. Het begrip vertrouwensbeginsel wordt ook gebezigd bij een beroep op het ‘interstatelijke vertrouwensbeginsel’.7 Over deze toepassing van het vertrouwensbeginsel – dat ervan uitgaat dat alle lidstaten het EU-recht naleven en dat zowel in bestuursrechtelijke als civielrechtelijke rechtspraak is te vinden – gaat dit onderzoek evenmin nu die materie niet ziet op overheidsuitlatingen.
Binnen het Unierecht geldt net als in het nationale recht een (deels gecodificeerd) vertrouwensbeginsel.8 Unierechtelijke regelgeving speelt vooral een rol in rechtspraak van het CBb. Vaak speelt ook een discussie of het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel van toepassing is. Op grond van dit Unierechtelijke vertrouwensbeginsel is het niet mogelijk gerechtvaardigde verwachtingen te ontlenen aan uitlatingen in strijd met het Unierecht. In juli 2022 heeft het Hof van Justitie – in beantwoording op prejudiciële vragen van het CBb – overwogen dat het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel er niet aan in weg staat dat op grond van het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel schadevergoeding wordt toegekend wegens een schending van contra legem gewekt vertrouwen, zolang dit niet de begroting van Unie aantast of regels van mededinging.9
Nu het Unierecht een strikte toepassing van het vertrouwensbeginsel hanteert en in dat rechtsgebied geen sprake kan zijn van contra legem gewekt vertrouwen10 (zodat een beroep zelden slaagt indien Unierecht van toepassing is), kan aan het Unierecht mijns inziens geen inspiratie worden ontleend om de toepassing van het nationale vertrouwensbeginsel te verbeteren.11 Rechtspraak over het vertrouwensbeginsel in (de unieke) Unierechtelijke context speelt, mede gelet op de omvang van het onderzoek, dan ook geen rol in dit boek.
Indien bevoegdhedenovereenkomsten, toezeggingen en inlichtingen in het kader van toekomstige besluitvorming zijn gesloten, gedaan of gegeven, kan de eventuele niet-nakoming, onjuistheid of onvolledigheid daarvan al (deels) aan de orde komen bij de toetsing van het latere besluit door de bestuursrechter aan bijvoorbeeld het vertrouwensbeginsel.12 De vraag rijst dan in hoeverre daarna of los daarvan een vordering bij de civiele rechter nog tot de mogelijkheden behoort.13 Mijn analyse ziet op bevoegdhedenovereenkomst gericht op nog te nemen appellabele besluiten. Toezeggingen en inlichtingen kunnen plaatsvinden in het kader van appellabele besluitvorming, maar dit is niet altijd het geval. Een toezegging van de overheid ziet niet altijd op het aanwenden van publiekrechtelijke bevoegdheden en op het verschaffen van inlichtingen hoeft niet noodzakelijkerwijs een besluit te volgen.14 Voor zover overheidsuitlatingen wél samenhangen met publiekrechtelijke besluitvorming, analyseer ik civiele rechtspraak waarin geen sprake is van een vernietigd (en daarmee onrechtmatig15) besluit dat de grondslag vormt van een civiele vordering. Ik wil de overheidsuitlatingen als zodanig analyseren. Dit kan alleen als hun (on)rechtmatige karakter niet meegaat in een vernietigd besluit dat de grondslag kan vormen van een civiele procedure.
Mijn onderzoek gaat tot slot niet over het sluiten, doen of geven van ‘betere’ bevoegdhedenovereenkomsten, toezeggingen of inlichtingen. Mijn vertrekpunt is dat de overheid die overheidsuitlatingen doet. Mijn doel is vervolgens om de daaruit voortvloeiende verwachtingen te beoordelen op een manier die recht doet aan het burgerperspectief in de vorm van rechtseenheid, rechtsconsistentie en rechtsbescherming. Uiteraard kan uit het (voorgestelde) toetsingskader worden afgeleid hoe bij het doen van overheidsuitlatingen helderder kan worden gecommuniceerd, maar dat is niet het primaire doel van dit onderzoek.