Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.7.4:3.7.4 Prestatie bij gebrek in zowel AB als BC
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.7.4
3.7.4 Prestatie bij gebrek in zowel AB als BC
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS499935:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer zowel AB als BC gebrekkig is, wordt gesproken van een ‘dubbel manco’. Lange tijd heeft als heersende leer gegolden dat A een directe aanspraak tegen C heeft. Zo wordt voorkomen dat twee keer een vordering moet worden ingesteld; B hoeft niet eerst van C terug te vorderen en vervolgens aan A terug te geven. Ook het BGH heeft in het verleden beslist dat A rechtstreeks van C kan terugvorderen.1
A heeft echter aan B willen nakomen, en B aan C. Daarom zou men verwachten dat wanneer de uitkomst uit het Leistungsbegrip wordt afgeleid, A van B en B van C kan terugvorderen. De bedoeling die A ten opzichte van B, aan wie hij een Leistung heeft verricht, is immers niet verwezenlijkt, net als B’s bedoeling ten opzichte van C. Ook de gedachte dat A alleen risico’s ten aanzien van B heeft geaccepteerd voert tot deze uitkomst. Daarom wordt tegenwoordig ook wel verdedigd dat A van B kan terugvorderen.2
De meeste auteurs redeneren dat B verrijkt is doordat hij als gevolg van A’s prestatie een Leistungskondiktion tegen C heeft verkregen. Wij zagen hierboven dat B aan A in natura moet teruggeven wat hij heeft ontvangen.3 A heeft daarom recht op overdracht van de vordering die B uit hoofde van §812 heeft op C; A heeft een ‘Kondiktion der Kondiktion’. Ook het BGH heeft in zijn latere jurisprudentie geoordeeld dat A een ‘Kondiktion der Kondiktion’ heeft.4 Dat betekent echter dat A nu niet alleen de risico’s draagt die kleven aan de vordering van A tegen B, maar ook de risico’s die kleven aan de vordering van B tegen C. Anders gezegd, A draagt niet alleen het risico dat B failiet gaat of verweren kan voeren tegen de vordering van A, maar ook het risico dat C failliet gaat en verweren kan voeren tegen de vordering van B. In de benadering van het BGH kan A alleen met succes van C terugvorderen als noch B noch C failliet is en verweren kan voeren.5
Een kleine groep auteurs verdedigt dat A een vordering op B heeft die aanspraak geeft op vergoeding van de waarde van A’s prestatie, in plaats van een aanspraak op overdracht van de vordering die B heeft tegen C.6 Doordat A een vordering heeft tegen B tot waardevergoeding, draagt A niet langer het risico dat C failliet gaat of verweren kan voeren tegen de vordering van B. In deze benadering wordt aangenomen dat B is verrijkt door de ontvangst van A’s prestatie. Weliswaar heeft C de prestatie van A feitelijk ontvangen, maar deze ‘ontvangst moet worden toegerekend aan B, omdat B een aanwijzing heeft gegeven aan A.