Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.6
9.6 Achtergronden van het functioneren van het onmiddellijkheidsbeginsel
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Pompe 1975a, p. 46 en Rozemond 1998, p. 111.
Simons 1897, p. 14.
Mevis 2013, p. 574.
Zie in dit verband ook de reactie van Spencer op het drie-sporenmodel vanuit Engels perspectief (Spencer 2003, p. 36-37).
Zoals het Strafbefehlsverfahren en het verschleunigtes Verfahren neergelegd in de artikelen 407-420 StPO.
Zie meer uitvoerig het proefschrift van De Wolf (2010).
Otte 1998, p. 33.
Uit een Europese Verkenning van 2005 komt naar voren dat Nederland samen met Finland, Denemarken en Zweden hoog scoort als het gaat om sociaal vertrouwen.
Rosett 1972, p. 382. Zie Melai-Groenhuijsen, art. 29, aant. 19.
Dubelaar 2009, p. 105, vgl. Buruma 2008, p. 87-104.
Vgl. Van der Meij 2008, p. 76 e.v.
Als ‘oorzaak’ van onze schriftelijke procescultuur en het daarmee samenhangende gebrek aan onmiddellijkheid wordt vaak het De auditu-arrest genoemd. Zo stelde Pompe in 1975 – in een veelvuldig aangehaalde passage – dat het De auditu-arrest ‘voor het strafprocesrecht meer betekenis heeft dan het hele wetboek’.1 Echter, opgemerkt moet worden dat de Nederlandse schriftelijke wijze van procederen niet uitsluitend aan het De auditu-arrest kan worden toegeschreven. Hoewel aannemelijk is dat de wetgever van 1926 een onmiddellijke procedure voor ogen had en met de nieuwe wettelijke regeling een breuk met het verleden wilde bewerkstelligen, behelsde de de auditu-praktijk in de kern een voortzetting van de reeds bestaande stijl van procederen. Ook in de tijd voorafgaand aan de inwerkingtreding van ons Wetboek van Strafvordering vormden de processtukken verzameld in het vooronderzoek een belangrijke leidraad voor de behandeling ter terechtzitting. Zo schreef Simons in zijn inaugurele rede van 1897:
‘dat de neergeschreven verklaringen in de instructie vrijwel altijd ter terechtzitting als juist worden aanvaard, iedere afwijking aan de getuige wordt voorgehouden, en de opmerking dat de rechter toch wel niet verkeerd zou hebben opgeschreven merendeels leidt tot terugkeer naar de verklaringen der instructie, een ogenblik door de getuige verlaten’.2
De ‘ontstane’ wijze van procederen vloeit voort uit de bestaande procestraditie en is in veel mindere mate het onvermijdelijke gevolg van de zienswijze van de Hoge Raad. Met het De auditu-arrest werd weliswaar de mogelijkheid geschapen om in plaats van ter terechtzitting aflegde verklaringen processenverbaal uit het opsporingsonderzoek te gebruiken, waartoe de praktijk op grote schaal overging.3 Hoewel het mogelijk was om getuigen op de terechtzitting te laten komen en er niets was wat de rechter in dit opzicht belette, zag men daar eenvoudigweg de noodzaak niet van in, kennelijk vanuit de gedachte dat de getuige alles al tegen de politie heeft verteld. De attitude van de Nederlandse strafrechter speelde in dit verband een grote rol.
Om de wijze waarop het onmiddellijkheidsbeginsel in het Nederlandse strafproces vorm krijgt te kunnen begrijpen, moet tevens worden gekeken naar de kenmerken van het systeem als geheel. Het functioneren van het onmiddellijkheidsbeginsel kan immers niet los worden gezien van de strafprocessuele context in bredere zin. Een belangrijke factor voor het gebrek aan onmiddellijkheid in de Nederlandse procedure kan worden gevonden in het ontbreken van bepaalde alternatieven voor verkorte afdoening. Rechtsvergelijkend bezien kan worden opgemerkt dat naarmate het onderzoek ter terechtzitting als meer onmiddellijk kan worden gekenschetst, er meer systeemontlastende mechanismen werkzaam zijn. In de meer onmiddellijke systemen wordt namelijk het merendeel van de zaken via vereenvoudigde procedures afgedaan, waarbij schriftelijke stukken meestal wel een belangrijke rol spelen. Slechts in een beperkt aantal zaken (op tegenspraak) wordt in die systemen gekozen voor de volledig opgetuigde procedure, waarin al het bewijs op de terechtzitting wordt gepresenteerd en de rechter geen gebruik mag maken van zogenaamde ‘bewijssurrogaten’, zoals processen-verbaal uit het vooronderzoek. De procedure voor bekennende verdachten in Engeland (guilty plea) is hier een voorbeeld van.4 Ook in Duitsland kent men diverse verkorte procedures.5 In België en Frankrijk worden de meest ernstige zaken afgedaan via een zogenaamde assisenprocedure, die aanmerkelijk meer onmiddellijkheid kent dan de procedure in doorsnee zaken.6 In Nederland worden zowel de eenvoudige als de gecompliceerde zaken volgens dezelfde regels berecht. Wel kent Nederland verschillende vormen van buitengerechtelijke afdoening zoals het sepot, de transactie en de meer recente mogelijkheid van een strafbeschikking. Het verschil met de omringende landen is dat als de zaak eenmaal bij de rechter is, er maar één regime is voor zowel de zwaardere als de lichtere zaken.
Een andere verklaring voor het relatieve gebrek aan onmiddellijkheid is gelegen in het grote vertrouwen in de professionaliteit en integriteit van de politie. Een niet-onmiddellijke procesvoering kan volgens Otte ‘slechts optimaal gedijen indien in hoge mate kan worden vertrouwd op de integriteit van de opsporing in het algemeen en in de wijze van samenstelling van het procesverbaal in het bijzonder’.7 Het vertrouwen in de politie is lange tijd zeer groot geweest, hetgeen past in het beeld van Nederland als ‘high trust society’.8 In het feit dat door de politie op ambtseed werd geverbaliseerd, werd een belangrijke waarborg gezien voor de kwaliteit en integriteit van dat procesverbaal. Rosett merkte reeds in 1972 op dat de verleiding om het vertrouwen te misbruiken door feiten te kleuren of overdrijven groot moet zijn in een systeem dat slechts gelimiteerde mogelijkheden biedt om de politieversie van de feiten te betwisten.9 Thans zien we een ontwikkeling waarin de rechter steeds kritischer wordt als het gaat om de inhoud en kwaliteit van het procesverbaal en daarmee ook meer openstaat voor verweren op dit punt.10 Indien hierover wordt geklaagd, lijkt het erop dat de rechter er niet meer automatisch van uitgaat dat de politie de geverbaliseerde feiten correct heeft weergegeven. Echter, de mogelijkheden om de inhoud en gang van zaken tijdens het verhoor te controleren zijn – zoals we in de volgende hoofdstukken zullen zien – ook thans nog zeer beperkt. Dit gegeven is een belangrijk punt in de discussie over de aanwezigheid van de raadsman bij het politieverhoor en de audiovisuele registratie van dat verhoor.11
Tot slot spelen ook culturele factoren een rol. Personen die als getuige optreden zijn vaak slachtoffers. Nog steeds is er een grote consideratie met slachtoffers in de rol van getuige. In Nederland bestaat een zekere consensus dat jeugdige zedenslachtoffers niet ter terechtzitting worden gehoord en de verdediging pleegde hierom ook vaak niet te vragen. Indien een getuige met een belastende verklaring wel op de terechtzitting verschijnt, zal deze in het verhoor door de verdediging in de regel ook niet hard worden aangepakt. Rechters zullen dat in beginsel ook niet tolereren.