Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/2.7.4
2.7.4 Publicatie navorderingsaanslagen in de Staatscourant
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285475:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Respectievelijk: art. 18 Verd. Bel. I, art. 9 Verd. Bel. II en art. 61 OWB 1916.
MvT (Verd. Bel. I), Kamerstukken II 1915/16, 313, nr. 6, blz. 20 en 21. In de memorie van toelichting bij art. 8 Ontwerp van wet (Verd. Bel. II) werd hier kortweg naar verwezen (MvT, Kamerstukken II 1915/16, 313, nr. 6, blz. 21). In de memorie van toelichting bij art. 61 Ontwerp van wet (OWB 1916) werd inhoudelijk niets opgemerkt (MvT, Kamerstukken II 1915/16, 331, nr. 3, blz. 15). Het zou logisch zijn geweest als – net als bij de Verd. Bel. II – zou zijn verwezen naar het enkele weken daarvoor ingediende Ontwerp van wet Verd. Bel. I.
MvT, Kamerstukken II 1915/16, 313, nr. 6, blz. 20 en 21. Vergelijk: Pheil 2009, blz. 232 die aangeeft dat belastingen massaal door alle rangen en standen worden ontdoken en Adriani 1931, blz. 90 die concludeert dat de wetgever met de navorderingsmogelijkheid een gelukkige greep heeft gedaan.
VV, Kamerstukken II 1915/16, 313, nr. 16, blz. 58 en MvA, Kamerstukken II 1915/16, 313, nr. 18, blz. 66. Vergelijk: VV, Kamerstukken I 1915/16, 313, nr. 313, blz. 530. Het is derhalve een specifiek, wettelijk voorschrift dat evengoed kan worden gezien als een nadere concretisering van het “verder bekend te maken dan noodig is”. Anders: bij het openbaar maken vergrijpboeten opgelegd aan medeplegers die beroeps- of bedrijfsmatig bijstand verleenden is preventie of leedtoevoeging geen doel van de maatregel (MvT, Kamerstukken II 2019/20, 35 303, nr. 3, blz. 5).
MvA (Verd. Bel. I), Kamerstukken I 1915/16, 313, nr. 313, blz. 549. Kritiek op art. 61 Owb werd gepareerd door te verwijzen naar dezelfde bepalingen in Verd. Bel. I en Verd. Bel. II (VV, Kamerstukken II 1915/16, 331, nr. 5, blz. 27 en MvA, Kamerstukken II 1915/16, 331, nr. 6, blz. 34).
Art. 89 bis Wet IB 1914 (Wet van 11 januari 1918, tot wijziging der Wet op de Inkomstenbelasting 1914, Kamerstukken II 1916/17, 29, Stb. 1918, 5. De vroegere stukken zijn gedrukt onder Kamerstukken II 1915/16, 204) en art. 45h bis Wet VB 1892 (Wet van 27 juli 1918, houdende wijziging van de wet van 27 september 1892 (Staatsblad nr. 223) op de vermogensbelasting, gelijk zij door opeenvolgende wetten is aangevuld en gewijzigd, Kamerstukken II 1917/18, 33, Stb. 1918, 504. De vroegere stukken zijn gedrukt onder Kamerstukken II 1915/16, nr. 205. Bij koninklijk besluit van 5 september 1918, Stb. 1918, 542 vernummerd naar art. 47 Wet VB 1892). Door de bepaling op te nemen in de Wet VB 1892 verloor art. 18 Verd. Bel. I zijn belang en kwam te vervallen (Wet van 11 april 1919 houdende verlenging van den termijn, waarvoor de verdedigingsbelastingen, krachtens de wetten van 18 augustus 1916 (Staatsblad N˚. 411) en 18 augustus 1916 (Staatsblad N˚. 412) worden geheven en wijziging van het tarief dier belastingen, Kamerstukken II 1918/19, 309, Stb. 1919, 171).
Nadere NvW, Kamerstukken II 1916/17, 29, nr. 3, blz. 6 (art. 89 bis Wet IB 1914). Bij de wijziging in de Wet VB 1892 werd kortweg verwezen naar de Wet IB 1914 (Nadere NvW, Kamerstukken II 1917/18, 33, nr. 1, blz. 2). Omdat dit nuttig werd gedacht werd in de Wet VB 1892 de melding van het beroep toegevoegd (Nadere NvW, Kamerstukken II 1917/18, 33, nr. 2, blz. 3).
Art. 110 Wet IB 1914 jo. art. 176 en art. 177 Algemeene Instructie (1919 ) (I.V.) en art. 45 Wet VB 1892 jo. art. 112 en 113 Algemeene Instructie (1919) (I.V.) (art. 45 Wet VB 1892 is later vernummerd naar art. 37 Wet VB 1892). Zie ook: Van Walsum/De Wilde 1920, blz. 343 e.v., Adriani 1935, blz. 479 e.v. Sinninghe Damsté is zeer kritisch op publicatie in de Staatscourant. Hij stelt dat het Wetboek van Strafrecht de openbaarmaking van een rechterlijke uitspraak als bijkomende straf kent en hij omschrijft deze maatregel in de Wet IB 1914 als een afkeurenswaardige inbreuk op de beginselen van het strafrecht en van de strafprocedure (Sinninghe Damsté 1931, blz. 423 e.v.).
Vergelijk: de aanbeveling uit het rapport van Van Bijsterveld over de publicatie van navorderingsaanslagen met aanzienlijke verhogingen werd door de wetgever niet gevolgd (nota aard en omvang van de belastingfraude, Kamerstukken II 1979/80, 16 180, nr. 2, blz. 23-25). Zie uitgebreider: Wisselink 1982, blz. 202 e.v.
Bijvoorbeeld: Klaas Bloemendaal uit Enschede en Pieter Jan Broere Mzn. uit Bergambacht (Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Financiën: Afdeling Directe Belastingen, 1846-1935, nummer toegang 2.08.05.09, inventarisnummer 496 en Stcrt. 1922, 67).
MvT bij art. 51, Kamerstukken II 1915/16, 219, nr. 3, blz. 16.
In de strijd tegen belastingontduiking werd in 1916 een nieuw middel ingezet: de publicatie in de Staatscourant van opgelegde navorderingsaanslagen Verd. Bel. I, Verd. Bel. II en de OWB 1916. Hierbij werden de volledige naam, woonplaats en het bedrag van de navorderingsaanslag genoemd.1 Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat ervaringen met de in 1904 ingevoerde navorderingsmogelijkheid in de Wet VB 1892 leerde dat navordering alleen niet toereikend was om belastingontduiking tegen te gaan.2 De neiging om te frauderen zou bij de zwaardere Verd. Bel. I, nog veel groter zijn. Hoewel het “hatelijkekarakter” van openbaarmaking werd erkend, zou dit een doeltreffend middel zijn.3 Het voorstel om pas tot openbaarmaking over te gaan op grond van een rechterlijk vonnis werd niet nodig geacht. Openbaarmaking werd aangemerkt als “zeer onaangenaam” en zou een preventief karakter hebben.4 In de wet zelf werd opgenomen in welke gevallen een uitzondering werd gemaakt (dwaling, verschoonbaar verzuim of goeder trouw).5 Bij twijfel over het bestaan van kwade trouw zou niemand aan de schandpaal worden genageld.6 Het publiceren van navorderingsaanslagen werd later overgenomen in de Wet IB 1914 en de Wet VB 1892.7 Als motivering werd gegeven dat bedreiging met een geldboete niet afschrikwekkend genoeg zou zijn om “ergelijk valsche” verklaringen tegen te gaan.8 Uitzonderingen op publicatie werd neergelegd in beleid.9 Deze publicatiemogelijkheid werd niet overgenomen in andere materiële belastingwetten en verdween uiteindelijk ongemerkt van het toneel.10 In het Nationaal Archief zijn de originele meldingen van de inspecteurs en de (handgeschreven) beslissingen tot publicatie nog terug te vinden die later in de Staatscourant zijn gepubliceerd.11 Een vergelijkbare maatregel was de publicatie in de Staatscourant van ingetrokken bedrijfsvergunningen op grond van de Tabakswet 1921.12 Achterliggende gedachte was dat belanghebbenden door deze publicatie het snelst op de hoogte waren van de intrekking.13