De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.8.4.3:4.8.4.3 Onverzekerde voertuigen
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.8.4.3
4.8.4.3 Onverzekerde voertuigen
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS397159:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het tweede in art. 25 bedoelde geval is dat waarin de verzekeraar niet binnen twee maanden kan worden geïdentificeerd. Aannemelijk is dan dat het niet verzekerd is. In een dergelijk geval kan de benadeelde zich niet alleen tot het schadevergoedingsorgaan wenden als het schadeveroorzakend voertuig gewoonlijk in een lidstaat is gestald, maar ook als het afkomstig is uit een derde land. Dat houdt in dat het - als het niet afkomstig is uit een land dat op grond van art. 8 lid 1, tweede alinea van de Richtlijn met een lidstaat gelijk is gesteld - ten onrechte niet in het bezit is van een geldige groene kaart. Is het voertuig afkomstig uit een der landen bedoeld in art. 8 lid 1, tweede alinea en blijkt het onverzekerd te zijn, dan kan de benadeelde zich op grond van art. 6 jo. 8 van de Richtlijn verhalen op het Bureau van de lidstaat van het ongeval en op grond van art. 25 op het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van zijn woonplaats.
De Richtlijn bevat in art. 25 een tweede lid, dat bepaalt dat het artikel ook van toepassing is op ongevallen die zijn veroorzaakt door voertuigen uit derde landen die vallen onder art. 7 (derde landen anders dan die bedoeld in art. 8) en 8 van de Richtlijn: Andorra, Kroatië en Zwitserland. Het vreemde is dat de 4e Richtlijn deze bepaling niet bevatte. Het toevoegen van deze bepaling zou in strijd zijn met het uitgangspunt dat codificaties van bestaande richtlijnen geen (inhoudelijke) wijzigingen mogen aanbrengen. Waarschijnlijk heeft de bedoeling voorgelegen art. 25 lid 1 onder c te verduidelijken. Dat art. 25 op voertuigen uit derde landen betrekking heeft, vloeit echter reeds (voldoende duidelijk) voort uit onderdeel c van het eerste lid, en het tweede lid is dan ook overbodig.
De benadeelde bij een ongeval in een andere lidstaat dan die van zijn woonplaats dat is veroorzaakt door een voertuig dat gewoonlijk is gestald in een derde land en dat ten onrechte niet in het bezit is van een geldige groene kaart, heeft dus een aanspraak jegens het schadevergoedingsorgaan. Hetzelfde geldt als het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald in Andorra, Kroatië of Zwitserland en niet verzekerd blijkt te zijn.
Terzijde zij nu reeds opgemerkt dat deze regeling in het kader van de afwikkeling van het regres tussen het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van woonplaats van de benadeelde en de instantie die in het 'art. 8-land' voor de restitutie verantwoordelijk is, tot vragen leidt.
Denk aan een ongeval in België, dat is veroorzaakt door een onverzekerd Zwitsers voertuig en waarbij een Nederlandse ingezetene schade lijdt. Volgens art. 25 kan de Nederlander zich tot het Nederlandse schadevergoedingsorgaan wenden dat de schade regelt voor rekening van het Belgische waarborgfonds. Maar tevens kan het ongeval worden gekwalificeerd als een groene-kaartschade, die door het Belgische Bureau ten laste van het Zwitserse Bureau moet worden geregeld. Zie verder paragraaf 6.4.
Art. 25 is ook van toepassing als het (geïdentificeerde) aansprakelijke, onverzekerde voertuig gewoonlijk gestald is in de lidstaat van de woonplaats van benadeelde. Daarvoor is reden, omdat hij zich anders zou hebben te wenden tot het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval. Het waarborgfonds van de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde is immers niet direct door hem aan te spreken, omdat dat waarborgfonds alleen een rol speelt bij ongevallen die zich op zijn grondgebied afspelen.
Via de omweg van het verhaal van onderdeel a van art. 25 lid 1 komt de schade vervolgens toch weer ten laste van het waarborgfonds van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald, dat wil in dit verband zeggen die van de woonplaats van benadeelde. Hier doorbreekt de Richtlijn de 'regel' dat het Bureau heeft op te komen voor onverzekerde ongevallen in andere lidstaten.
Naar Nederlands recht kan de (Nederlandse) benadeelde bij een ongeval in een ander bij de AMvB ex art. 3 lid 3 van de Wam aangewezen land dat is veroorzaakt door een onverzekerd Nederlands motorrijtuig, zich rechtstreeks tot het Waarborgfonds Motorverkeer wenden. Zie paragraaf 5.53.
In deze in art. 25 van de Richtlijn bedoelde gevallen waarin de benadeelde zich tot het schadevergoedingsorgaan kan wenden, is de taak van het orgaan een andere dan in de gevallen geregeld in art. 24. Omdat hier geen verzekeraar of schaderegelaar kan worden benaderd, geeft de Richtlijn de benadeelde hier een aanspraak op het schadevergoedingsorgaan. De benadeelde kan een verzoek om schadevergoeding indienen bij het orgaan. Het schadevergoedingsorgaan zal de vordering inhoudelijk behandelen.
Naar de letterlijke tekst van de Richtlijn is er - anders dan onder art. 24 in het geval van een na afloop van de 'respijttermijn' van twee maanden door de verzekeraar alsnog gegeven gemotiveerde reactie - geen verplichting voor het schadevergoedingsorgaan om, mocht op enig moment de verzekeraar van het aansprakelijke voertuig toch nog worden gevonden, de behandeling van het dossier aan de verzekeraar of diens schaderegelaar over te dragen. Ik acht dat uit oogpunt van slachtofferbescherming ook niet wenselijk.