Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.2.2.2
4.2.2.2 Ratio: waarom ging de Hoge Raad ‘om’?
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661406:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Niessen 2012, par. 5.11 merkt op ‘dat moet worden vastgesteld dat de Hoge Raad ervan heeft afgezien andere meer fundamentele overwegingen aan te voeren als grondslag voor de belangwekkende keuzes die hij heeft gemaakt.’ In HR 23 mei 1979, nr. 18 984, BNB 1979/250 spreekt de Hoge Raad expliciet over de ‘voortgeschreden rechtsontwikkeling’, waarmee werd gerefereerd aan de erkenning van de werking van de abbb. Vgl. Scheltens 1988, p. 125; Happé 1996, p. 86.
Vgl. Happé 1996, p. 73 noemt het ‘sfeerbepalend’ dat de rechter doordrongen raakt van de groeiende behoefte aan rechtsbescherming, zie ook p. 87; Geppaart 1979, par. 8, bespreekt voor en tegens van buitenwettelijk recht.
Smit 1984a, par. ‘Voorbeschouwing’.
Niessen 2012, par. 5.11.
Niessen 2012, par. 5.11.
De abbb worden wel gezien als compensatie in de rechtsbescherming voor het gat dat de wetgever heeft laten vallen (ook wel ‘compensatietheorie’ of ‘compenserende functie’ genoemd), zie Happé 1996, par. 1.1.2; Gribnau 1998.
Reden(en) voor deze principiële koerswijziging heeft de Hoge Raad in de Doorbraakarresten niet geëxpliciteerd.1 Volgens de literatuur is redengevend dat de Hoge Raad zich meer rekenschap wilde gaan geven van de belangen van belastingplichtigen en de bescherming van belastingplichtigen ten opzichte van de Belastingdienst.2 Smit legt een relatie met de veranderende werkwijze van de Belastingdienst en de gewijzigde verhoudingen tussen de Belastingdienst en belastingplichtige: hij plaatst de erkenning van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als normenkader in de ontwikkeling dat de wijze waarop de Belastingdienst zijn taak uitvoert in de relatie met belastingplichtigen is ‘geëvolueerd van passieve wetsuitvoering tot actieve fiscale hulpverlening’, zoals met toezeggingen, bereidheid tot compromissen en inlichtingen.3 Volgens Niessen moeten de argumenten ‘worden gezocht in het gegeven dat nu eenmaal brede consensus was ontstaan over de ruime bevoegdheden van de fiscus, en dat ook bij de toepassing daarvan gewaakt diende te worden tegen ambtelijke willekeur.’4 Het lijkt er volgens Niessen bovendien op dat de Hoge Raad in deze keuze is ‘gevoed’ door de doctrine, waarin werd gepleit voor erkenning van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als recht vanuit het oogpunt van rechtsbescherming.5 Men ziet in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een compensatiefunctie.6
Aan erkenning van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur liggen dus ten grondslag (a) veranderingen in de praktijk van belastingheffing en (b) daarmee samenhangend een toegenomen behoefte aan rechtsbescherming en normering van handelen van de Belastingdienst. Oftewel, de verhouding rechtshandhaving en rechtsbescherming dienden beter in evenwicht te raken. Dat gold niet alleen voor beleidsregels, zo laten de andere arresten uit de vertrouwensleer sinds de Doorbraakarresten zien.